Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 193]

Waaxens

Als ‘Wacheringe’ wordt dit dorp vermeld in de oudste Fuldalijst die gedateerd wordt op de tweede helft van de 8e eeuw (Dronke, c.7).

De ‘Tegenwoordige Staat’ (ii, 206) noemt het dorp in 1768 het kleinste van de grietenij. Een vergelijking tussen oude kaarten van de grietenij en de huidige landschappelijke situatie laat zien dat aantal en ligging van de boerderijen en woonhuizen gedurende eeuwen nauwelijks veranderd zijn en dat alleen de afgelopen decennia de bebouwing iets is toegenomen. Alle gebouwen zijn op of tegen (Sjuksma State) de terp aan gelegen. De dorpsterp is tamelijk uitgestrekt en slechts voor een klein deel afgegraven. De geringe mate waarin de terp is afgegraven hangt wellicht samen met het ontbreken van een vaarweg naar het dorp, waarlangs de terpaarde rond de eeuwwisseling gewoonlijk werd afgevoerd.

Ondanks de hoge ouderdom van de dorpsnaam en het onveranderde agrarische karakter, is van radiale indeling van het terpterrein, de aanwezigheid van ringwegen en kerkpaden niets te bespeuren. De bebouwing ligt in de omgeving van de kerk zonder dat hierbij van een bepaalde systematiek sprake is.

Bij de aanleg van een verharde weg tussen Dokkum en Holwerd in de jaren zestig van de vorige eeuw is de oorspronkelijk doodlopende landweg ten zuiden van de kerk in het nieuwe tracé opgenomen. Een eeuw later wordt een nieuwe verbinding tussen de reeds bestaande en de dorpskerk over de terp aangelegd.

[p. 194]



illustratie

Afb. 303. Kopie van het kadastrale minuutplan van Waaxens en Huis Tjessens. Schaal 1:7500.


[p. 195]



illustratie

Afb. 304. Luchtfoto van Waaxens. Schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 196]

Kerkgebouw

Hervormde kerk

De kerk ligt op een omheind kerkhof op het resterende gedeelte van de terp Waaxens. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente; het eigendom van de toren is in 1961 door de burgerlijke gemeente overgenomen (afb. 305, 306, 310-320).

Litteratuur

r.v.a. i, 137; Benef. 180; r.v.g.o. 92; H. Halbertsma in Berichten r.o.b. 1962/3, 298.

Bronnen

Notulen kerkvoogdij 1870-1943; stukken betreffende restauratie orgel en kerk 1859-1867, Gemeente-archief Westdongeradeel; Historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis 1980, Archief r.d.m.z., Zeist.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 311).

Geschiedenis

Volgens Reitsma zou S. Thomas de patroon van Waaxens zijn; de bron van dit gegeven is de beschrijving van een klok uit 1400 die in 1886 reeds verkocht was (Van Borssum Waalkens, Vrije Fries 1886). De klok van 1441 is echter gewijd aan S. Johannes Baptist. In het register van Geestelijke Opkomsten wordt als laatste pastoor Heer Tialle Jansz. genoemd. Een niet veel jongere noot voegt daaraan toe: ‘gewesen abt van Oldecloister, hebbende tot pensie 84 Kgl. Jarss. sit solvit hic’. Reitsma annoteert, dat Tialle Jansz. geen abt maar monnik van Oldeklooster was. In het rekenboekje van de laatste abt van Oldeklooster (afschrift Reitsma in u.b. Groningen h.s. 228a) wordt hij inderdaad als pastoor van Waaxens vermeld, van welke kerk Oldeklooster patronaatsrechten had. Ons inziens wordt echter Waaxens Hennaarderadeel bedoeld en had Oldeklooster geen bezittingen zo ver noordwaarts. De Tialle Jansz., die in het register van opkomsten onder Waaxens genoemd wordt en wellicht dezelfde is, die onder Brantgum als gevolmachtigde tekent, moet dus een ander geweest zijn dan zijn naamgenoot van Oldeklooster. Dit impliceert, dat de kerk in Waaxens w.d. niet onder Oldeklooster behoorde.

De kerk is in 1962-63 gerestaureerd onder leiding van architect A. Baart jr.; de toren in 1963. Het muurwerk was voordien zwaar gepleisterd. Tijdens de restauratie is een bodemkundig onderzoek gedaan, dat mede door de aanwezigheid van een grote grafkelder voor de bouwgeschiedenis weinig nieuws heeft opgeleverd. Wel zijn diverse ophogingen van de terp onderzocht. Twee noord-zuid lopende ondiep gefundeerde muurgedeelten, haaks op de zuidmuur en niet in verband daarmede gemetseld, moeten als voeting voor het doophek verklaard worden. In het midden van de derde travee daarentegen zijn 80 cm brede grondsporen van noord-zuid lopende muurgedeelten waargenomen, waartussen zich een oude toegang naar de grafkelder bevond. Zij kunnen het fundament van een koorafscheiding gevormd hebben.

Beschrijving

De kerk bestaat uit een schip met driezijdig gesloten koorgedeelte en een ingebouwde westtoren.

Materiaal

De kerk is uitsluitend uit baksteen opgetrokken en ondiep gefundeerd. De steen meet aan de westelijke kerkhelft 31-32 × 9 cm en is ten tweede male zo verwerkt, dat 10 lagen 100 cm meten. Alleen aan de voet van de noordmuur is een gedeelte van dit materiaal met veel strekken toegepast, zodat men van oorspronkelijk werk kan spreken. De oostelijke kerkhelft bestaat uit opnieuw gebruikt materiaal van 27,5-28 × 8-8,5 cm, 10 lagen 80 cm, dat in kopse en strekse lagen is verwerkt. De toren is uitwendig nieuw bemetseld. Inwendig bestaat de oostelijke muur tot ongeveer 4 meter hoogte uit hetzelfde materiaal als de westelijke kerkhelft en wel met veel strekken, zoals aan de voet van de noordmuur. Tot ongeveer 8,5 m hoogte daarboven bestaan de muren uit dit materiaal in tweede verwerking. Van 8 meter hoogte af bestond de toren voor de restauratie geheel en thans alleen inwendig uit kleinere steen, 20 × 4,5 cm, 10 lagen 55 cm. Aan de oostkant is deze rood, aan de overige zijden grauw, zoals voor de restauratie ook uitwendig aan de westzijde.

Toren

Het overige muurwerk is tot de klokkezolder herbouwd, bij welke gelegenheid de twee bogen boven elkaar vervielen en aan de oostzijde één hoge opening ontstond, door een nieuwe lager aanvangende rondboog afgedekt. Boven de klokkezolder is de toren herhaaldelijk vernieuwd. Blijkens een puntvormig beëindigd gedeelte eerst in rode steen; deze vertoonde gelijkenis met de voormalige omlijsting van het oostelijke koorvenster en dateerde dus uit de 17e-18e eeuw. Vervolgens in grauwe steen, waarmede de gehele westzijde bemetseld was. Ten slotte werd bij de restauratie grote steen gebruikt. De bemetseling in grauwe steen is op 1815 te dateren wegens een herinne-

[p. 197]

ringssteen met opschrift: ‘1815 den neegende May heeft aan deeze toren den eersten steen gelegd de h.w. geb. Jonkheer Johan Sippo van Harinxma thoe Slooten. De kerkvoogden waren destijds de eerzame mannen Tiete Lourens Olivier en Jacob Ybes Poortinga.’

Er stonden in de gevel een vrij groot en in de top twee kleinere rondbogige gesloten vensters met glas in ijzeren roeden. Onder het middenvenster stond nog een steen met het inschrift ‘Ter gedachtenis aan R.R. Posthumus en S. van Slooten v.d.m. 1815-1859’. Thans is een klein segmentbogig gesloten venster met houten roedeverdeling aangebracht. Inwendig is de top van het gotische venster te zien.

Schip

Na ontpleistering van het muurwerk bleek de kerk behoudens de toren uit twee gedeelten te bestaan. De bouwvoeg was inwendig duidelijk waar te nemen (afb. 314) en bleek uitwendig verdekt te worden door de tweede steunbeer. Alle beren bleken in verband met het muurwerk te zijn opgetrokken, met uitzondering van de derde aan de zuidzijde, die westwaarts was verplaatst, en de tweede die eens herbouwd was. Tijdens de restauratie is de verplaatste beer op de oorspronkelijke plaats herbouwd; de tweede beer noordzijde was met het muurwerk oostelijk daarvan in verband opgetrokken.

De vensters werden in de oude vorm hersteld: aan elke koorsluitingzijde een spitsbogig gesloten venster (het middelste was groter en met kleine steen omlijst); in de koortravee aan de noordzijde een klein venster ver naar het westen wegens een sacramentsnis in het inwendige, en aan de zuidzijde twee spitsbogig gesloten vensters, waarvan het oostelijke korter is dan het westelijke wegens een piscina-nis eronder. In de derde schiptravee was aan de zuidzijde een venster westwaarts verplaatst; het is bij de restauratie op de oude plaats hersteld. De noordmuur bleef blind. In de oostelijke koorsluitingszijde is een brede lage toegang geweest naar de grafkelders.

Het westelijke schipgedeelte bevat in de eerste travee aan beide zijden een ingang binnen een spitsboognis. Ten westen van de ingang staat aan de zuidzijde een smal venster met een brede rollaag langs de kop. De rollaag en de hoge omlijsting van de ingang zijn versierd met afwisselende lagen rode en blonde baksteen, die voor de restauratie alleen over de aangrenzende dammen doorliepen. Thans is het gehele muurwerk met afwisselende lagen bemetseld. Ook het brede gotische venster in de tweede travee zuidzijde is op deze wijze versierd. In het veld boven de ingang is van blonde steen een kruis gemetseld.

Aan de noordzijde is de ingang door een lagere spitsboog omlijst. De afwisselende lagen rode en blonde baksteen zijn hier slechts direct rond deze nis toegepast. Het westelijke venster reikt aan deze zijde lager dan aan de zuidzijde. De steunberen waren vóór de restauratie door zandstenen platen afgedekt.

Inwendig

De muren zijn verankerd door trekbalken die sedert de restauratie op sleutelstukken met gotische profielen rusten, naar voorbeeld van een nog aangetroffen exemplaar aan de zuidzijde bij het orgel. De balken waren omtimmerd en die in het koor bleken inkassingen voor kinderbinten te hebben. Ook de veel jongere consoles die tussen de trekbalken de lijst dragen, waarop het tongewelf rust, hebben thans sleutelstukken met gotische profielen gekregen (afb. 316, 318). Het ellipsvormige gewelf reikte aan de westzijde tot halverwege de eerste travee en is thans tot de torenmuur aangevuld. Aan het koorgedeelte is een nokrib onder het spant aanwezig voor een houten tongewelf, dat echter nimmer is aangebracht.

Bouwgeschiedenis

Uit het materiaalgebruik valt op te maken, dat het benedengedeelte van de oostmuur van de toren ouder is dan het overige muurwerk daarvan. In dat gedeelte zijn de aanzetten van rondbogige gesloten openingen te onderscheiden geweest, die opgingen van impostlijsten. Ook in het aangrenzende muurwerk van de noord- en zuidmuur van de toren bleken tijdens de restauratie aanzetten aanwezig te zijn van dergelijke bogen, zodat men de restanten van een gereduceerd westwerk mag herkennen. Aan de noordmuur van het schip is een gedeelte van een gelijktijdig ontstaan muurwerk aanwezig, dat bij een herbouw, kennelijk wegens een daar aanwezige inbouw (altaar of grafmonument) niet verwijderd kon worden. Ook de ondiepe fundering van de schipmuren en van de aangrenzende gedeelten van de westmuur bestaat uit dit muurwerk. Dit zijn de enige overblijfselen van een 12e-eeuws bakstenen kerkje met gereduceerd westwerk, waarvan de lengte van het schip bekend is. Het oudste muurwerk zet zich namelijk voort tot de bouwnaad, die achter de tweede steunbeer noordzijde te zien was. Van de oostelijke sluiting zijn geen sporen gevonden.

[p. 198]



illustratie

Afb. 305. Hervormde kerk en toren.
a Plattegrond en doorsneden; lengtedoorsnede bestaande toestand, dwarsdoorsnede met weglating van orgelgalerij;




illustratie

Afb. 305 details van diverse profileringen.
b Getekend in 1982 naar opmetingen uit 1962. Schaal 1:60 c.q. 1:12.


[p. 199]



illustratie

Afb. 306. Aanzicht zuidgevel, toestand voor de restauratie en na ontpleistering. Schaal 1:150.


Het westwerkje is later gewijzigd in een toren, die door verticale koppeling van de twee aanvankelijk boven elkaar staande openingen aan de oostzijde één hoge opening kreeg, opnieuw door een rondboog gesloten, doch wat lager van aanzet.

Tegen het eerste bakstenen schip moet het koor gebouwd zijn van afbraakmateriaal met vensteromlijstingen en het bovenste muurgedeelte van klein materiaal, dat eerst tegen het einde van de middeleeuwen in gebruik kwam. Daarna is het schip herbouwd en wel in de 16e eeuw, toen men smaak kreeg twee kleuren baksteen in afwisselende lagen toe te passen. De wijziging van het westwerk tot toren kan in deze bouwfase zijn uitgevoerd. De toren is in de 17e eeuw deels herbouwd met een vrij lage zadelkap en in 1815 aan de westzijde bemetseld en verhoogd. Het derde venster zal na de Reformatie, mogelijk eerst in 1648, westwaarts zijn verplaatst ten behoeve van de preekstoel. Het was waarschijnlijk bij gelegenheid van de inbouw van de koorafscheiding (xvi?) reeds gedicht.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

een eiken preekstoel met achterschot en klankbord; de panelen gekornist, op de hoeken voor een derde geornamenteerde en voor twee derde gegroefde zuiltjes met composietkapitelen, xviic (afb. 318).

Banken

Overhuifde dubbele herenbank van paneelwerk; de overkapping gedragen door zuilen als aan de hoeken van de preekstoel; rond de voorste bank spijlenfries (afb. 317). Op de overkapping een aedicula waarin een alliantiewapen van Harinxma thoe Slooten-van Burmania, wijzend op het huwelijk van Pieter van Harinxma en Susanna van Burmania dat in 1648 werd gesloten. Van het doophek bleef slechts een zijde bewaard als voorzijde van een bank van paneelwerk, xvii, bij de restauratie hersteld en van de knoppen van het doophek voorzien.

Drie losse bankgedeelten waarvan een xvii en twee xviii of xix. Blijkens de foto's van voor de restauratie bezat de kerk toen dergelijke banken, doch dubbel zo lang.

Eenvoudige banken met flauw gezwenkte zijstukken.

Eikehouten avondmaalstafel, xvii, bij de heropening na de restauratie uit de kunsthandel aangekocht.

[p. 200]

Epitaaf

Tegen de noordmuur is een epitaaf gemetseld, gesticht door Syts Tjessens voor haar op 28-jarige leeftijd voor Deventer gevallen echtgenoot Douwe van Aylva (afb. 320).

Behalve het alliantie-wapen Aylva-Tjessens met dekkleden en als uitkomend helmteken een eenhoorn, zijn aan weerszijden van een Athene-figuur acht kwartieren aangebracht: heraldisch rechts Aylva-Thiema en Mockema-Foppinga (?); links Tjessens en een vrouwelijk wapenschild gedeeld: rechts halve adelaar, links lelie en ster eronder.

Vervolgens een mannelijk wapen met drie sterren twee en een, en een vrouwelijk wapen met lelie en twee sterren schuins.

De tekst luidt:

‘Dowoni ab Aylwa/Nobili et illustri loco ab avis et atavis nobilibus Ailwanae/ stirpis prognato duci Militiae pro libertate patriae fortiter/ pugnāti dum illustriss. Comites Nassoviēses et status con/ foedaratae Belgiae davētriae muros tormētis bellicisqu/ aterent ab hostibus glande caput terebrāte in ipso flore/ aetatis Ano 28 misere trucidato dulcisso suo marito/ moestissa uxor et nobilis matrona Sydts Tiessens/ 15 posuit 92’. Vertaling: ‘[Dit gedenkteken] voor haar zeer geliefde echtgenoot Douwe van Aylva, uit een ter plaatse edel en beroemd geslacht, zoon van edele ouders en voorvaderen, Van Aylva, aanvoerder te velde voor de Vrijheid des Vaderlands, krachtig strijdend, toen de Hoog Ed. Graven van Nassau en de Staten der Verenigde Provinciën de muren van Deventer met krijgsgeweld deden schudden, ongelukkig gedood doordat een vijandelijke kogel hem het hoofd verbrijzelde, juist in de bloeiende leeftijd van 28 jaren, liet de diepbedroefde gade en edele Vrouwe Siedts Tjessens in 1592 plaatsen’. Waarschijnlijk is dit epitaaf gemaakt door P. Dirks, die ook de grafzerk van Ernst van Aylva van Herweij te Ternaard maakte en van een vergelijkbaar elegante naaktfiguur voorzag.

Zerken

Grote nogal versleten zerk gemerkt b.1559 g. (afb. 319). In de hoeken vierpassen waar de wapentekens uitgehakt zijn; inscripties: ‘Boenge Tjessens’, ‘Galama Scinsema’, ‘Stania...’ en ‘Hiemstra Binnema’. Enkelvoudig randschrift. Een tweede randschrift waarvan de wapentekens uitgehakt zijn lijkt nimmer tot stand te zijn gekomen. In het gehele middenvlak een ornamentale architectonische opbouw in twee verdiepingen waarin alliantiewapens zijn verwerkt. In de benedenste verdieping een (onleesbare) Latijnse tekst uit Eccl. (Prediker). Randschrift: ‘Int jaer ons Heeren... en̄ xl (?) dē xxv january sterf de Eersame Herscip Popke Bōge en̄ sȳ dochter Auck Bōge Huisfrouw vā Sicco Tziessens sterf ao xvclviii de xxix novēb’.

Klok

In de toren hangt een klok, diam. 72 cm. Opschrift: ‘Anno dnī Millīsimo quadrīgītesmo quadragismo primo [1441] fusa ē cāpana per me Iohānem ī hōre sc̄i Iohānis Baptiste sub ...’ Op de onderrand: ‘Maria et Ihesus’.

Volgens Vr. Fr. 1886 zou er voorheen een klok geweest zijn met opschrift ‘Sc. Thomas patron int jaar ons Hē i.n.s. mcccc’.

State Sjuxma

Ten noordwesten van de dorpsterp ligt de eveneens beschermde terp Sjuxma, beschreven als een terrein, waarin zich overblijfselen van een stins uit de 13e-14e eeuw bevinden. Grenzend aan dit terrein ligt een omgracht terrein, toegankelijk door een poortgebouw, dat op de singel tussen twee grachten staat. Op dit terrein staat de boerderij Sjuxma, die aan het landbouwbedrijf is onttrokken (afb. 307, 321-325).

Litteratuur

r.v.a. i, 137; r.v.g.o. 92; Tegenwoordige Staat ii, 207; Sibr. Leo's Abtenlevens 18; Wumkes i, 341; Pax Groningana 47.

Bron

Huisarchief Van Harinxma thoe Slooten, r.a. Leeuwarden.

Geschiedenis

Nadat in de 13e eeuw een dochter van ‘Kempo Sjuxma in Waaxens’ als priorin van Bethlehem genoemd wordt, kennen we als vroegste bewoner van Sjuxma State Douwe Syuersma als hoofdeling in 1422 en in 1448 (Charterb. i. 445). In 1470 komt de naam opnieuw voor in een proces betreffende een borgschap (Sipma iv, 35). In 1491 sloten Sydt Syuxsema en ‘Meente to Waxsens’ als hoofdeling in Oostergo een verbond met Groningen (Pax Gron. 47). Het stamboek zegt dat Syds niet lang daarna overleed en dat zijn weduwe Rints van Mockema hertrouwde met Syds van Stania, die zich voortaan eveneens Van Syuckesma zou hebben genoemd. In ieder geval was Rents als weduwe in 1511 bewoonster van Syucksma State, die 99 pondemaat groot was. Haar bezit werd geërfd door Abba van Syucksma, die aanvankelijk op Cammingha State te Ferwerd woonde, dat in het begin van de 16e eeuw werd bewoond door Gerbrand Mockema.

[p. 201]



illustratie

Afb. 307. Poortgebouw Sjuxma-state. Plattegrond, doorsneden en details. Getekend in 1981 naar opmeting van 1977.


Abbe wordt in 1522 als grietman over Ferwerderadeel genoemd. Nadat Douwe van Burmania hem als grietman was opgevolgd, betrok Abbe Sjuxma State, waar hij in 1539 resideerde toen hij gedeputeerde voor Friesland was (Charterb. ii, 743). Hij is vóór 1555 overleden. Uit de grafzerken in de kerk valt af te leiden, dat wellicht Sicke Worpsz van Tjessens en Auck Popckesdr. Bonga de state na Abbe's dood bewoond hebben. Hun dochter Baef werd er begraven in 1558, 16 dagen later gevolgd door haar moeder Aucke van Bonga; deze was een dochter van Popcke Bonga en N. van Sjucksma.

Wie precies de eigenaar van Sjuxma was, valt bij gebrek aan stukken moeilijk te zeggen, maar vermoedelijk had Sicke Tjessens er een belangrijk aandeel in. In 1580 wordt de state bewoond door Epo van Galema (r.v.g.o.). Hij werd in 1586 bij zijn vlucht naar het klooster Foswerd gedood. Zijn weduwe Syts Sickes van Tjessens hertrouwde Douwe Douwesz van Aylva, wiens moeder, Frouck Ernstdr. van Mockema, weer een erfgenaam van Abbe Sjuxsma was. Voor hem is het epitaaf opgericht in de kerk van Waaxens. Daar beide huwelijken van Syds Tjessens kinderloos waren gebleven kwam Sjuxma aan haar zuster Doedt van Mockema, die was gehuwd met Homme van Harinxma thoe Slooten. In 1598 bewoont Doedt als weduwe de state (arch. stad Leeuwarden, Weesb. y ii, 249).

Doedts zoon Ernst van Harinxma werd vervolgens eigenaar, wellicht omdat hij naar Ernst van Mockema was vernoemd. Hij was raad-ordinaris in het Hof van Friesland en huwde in 1616 Tieth van Botnia. Hun alliantiewapens prijken in de gevel van de nog bestaande toegangspoort. Hun zoon Pieter, die in 1640 als eigenaar-bewoner staat geboekstaafd, liet met zijn vrouw Suzanna van Burmania de herenbank in de kerk plaatsen en een grafkelder in het koor aanleggen. Pieter en de zijnen vertoefden echter weinig op Sjuxma en verhuurden het ten slotte aan een broer Homme, die er tot 1663 woonde.

Naderhand werd het huis betrokken door Homme's broer Edzard Duco, doch erfgenaam werd zijn broer Ernst. Deze was grietman over Baarderadeel, woonde op Dekema State te Weidum en had bovendien Mockema State te Ee geërfd. Hij zal het huis verkocht hebben, want in zijn nalatenschap komt het niet voor. In 1748 woonde er de generaal

[p. 202]

Coenders, die in 1750 stierf. In 1752 doet het huis geen huur meer en na 1755 komt het ook in de reëelkohieren niet meer voor. Een huurcontract uit 1741 door Vrouwe R.L. Coenders geboren Harinxma aangaande Sjuxma, wordt in 1792 herhaald (arch. Van Harinxma). Na afbraak van het huis bleef Sjuxma voor de Harinxma's de functie van uithof behouden. Zij woonden op Tjessens, maar reserveerden de hoven van Sjuxma voor levering van fruit. Op de zolder van de poort behielden zij het recht van duivenvlucht.

Het huis

Hoe het huis er heeft uitgezien is niet bekend. De tekening van Stellingwerf, genaamd ‘het oude klooster behoort den Hr. P. van Harinxma toe Sloten’ zou Sjuxma kunnen voorstellen (afb. 326). Dit gebouw zou passen op het versmalde westelijke gedeelte van het oude hornleger van Sjuxma. Het onderschrift moet een vergissing zijn, daar er in 1722 niemand meer in leven was, die P. van Harinxma heette. Mogelijk leefde de herinnering aan P. van Harinxma uit het midden van de 17e eeuw nog voort. Het getekende gedeelte zou dan nog 16e-eeuws moeten zijn; haaks daarop ziet men boven het dak nog de nok van een mogelijk jongere vleugel.

Poortgebouw

Het poortgebouw is in 1963 gerestaureerd door architect A. Baart jr., bij welke gelegenheid de kap vernieuwd is. Het wapen is door beeldhouwer Adema te Leeuwarden hersteld.

Beschrijving

De plattegrond van het poortgebouw vormt een parallellogram (afb. 307), evenals sommige stadspoorten hadden, hetgeen het vuren door de poort bemoeilijkte. Indien de poort nog een defensief karakter gehad zou hebben, moet men aannemen dat hij in een wal gestaan heeft. Het gebouwtje staat thans nog op een singel tussen twee grachten; de twee poortjes in de zijgevels, die toegang op de singel geven, zouden dan later ingehakt moeten zijn. Daar ze echter aan de binnenzijde een profiel hebben, lijkt dat niet aannemelijk. Schietgaten zijn evenmin aanwezig. De meeste toegangspoorten van dit soort waren meer een versiering, die het aanzien van een state verhoogden en de scheve vorm zal als een maniëristische uiting gezien moeten worden.

Het gebouwtje is opgetrokken van rode baksteen, formaat 20 × 4,4 cm, 10 lagen 50,5 cm in kruisverband. Het is gevat tussen twee topgevels, waarvan die aan de veldzijde gesloten is en boven het onversierde fries een wapensteen bevat met wapens Harinxma-Botnia en eronder ‘1668’ geschilderd (afb. 321). Boven de wapensteen is een console ingemetseld, die daar geen functie heeft en een driezijdig hol geprofileerde pilaster gedragen moet hebben. De doorgang is korfbogig en heeft een leeuwenmasker als sluitsteen. De boog gaat op van een schijnkapiteel, gevormd door twee uitgemetselde lagen op een afstand van vier lagen. In het fries, dat eveneens gevormd is door uitgemetselde lagen, zijn vier gesmede sierankers. Langs de zijden van de top zijn vlechtingen. Tijdens de restauratie is aan de voet van de schuine kant een stuk natuursteen gevonden, mogelijk het restant van een dekplaat. Aan de hofzijde bevat de topgevel talrijke duivengaten, elf in het fries en afnemende rijen daarboven in de top. Ook daar vlechtingen langs de zijden. De boog van de doorgang heeft daar geen sluitsteen.

De poort aan de veldzijde geeft toegang tot een korte ruimte met ondiepe nissen in de zijwanden en begrensd door een tweede korfbogige doorgang, die door deuren gesloten kan worden. Achter deze boog zijn in de zijden smalle, later weer gedichte doorgangen geweest, die toegang gaven op de singel.

Bouwgeschiedenis

Het wapen Harinxma-Botnia kan op een bouwdatum wijzen, kort na het huwelijk dat in 1616 werd gesloten. De console die thans boven het wapen staat en 16e-eeuws van vorm is, kan in 1616 nog toegepast zijn, mogelijk onder een toppilaster, zoals in het poortje van Jongema State te Rauwerd uit 1603. De betekenis van het jaartal 1668 is onduidelijk.

Tjessensweg 7

Op de kadastrale minuutkaart staat de boerderij nog niet in de tegenwoordige kop-halsrompvorm; deze moet dus van na 1830 dateren (afb. 325). Het voorhuis heeft boven elke topgevel een schoorsteen met bord. Het achterste gedeelte bevat een huishoudkelder, waarboven de bedsteden waren. Het zesruits-venster in de topgevel van het binhús moet gezien de dagkanten en het ontbreken van een rollaag boven het kozijn later ingebroken zijn, hoewel het gelijk is aan de overige vensters.

Overige boerderijen

Miedweg nr. 1
Ypma Sathe
Geschiedenis

Aan de westelijke grens van het dorpsgebied en aan de Holwerdervaart ligt Ypma Sathe (afb. 334-337).

In 1511 geeft Bettzie Ypema haar bezit aan, groot 82 pondemaat. De boerderij ontleent haar naam kennelijk hieraan.

[p. 203]

Boerderij

Het gebouw, van het kop-hals-romptype, is blijkens een stichtingssteen in 1768 gebouwd: ‘Ao 1768 den 8 april Heeft Baukie R/oelofs de eerste steen aan /dit gebouw gelegd’. Aan de binnenzijde van het binhús hebben de vensters een kleine roedenverdeling. Het voorhuis is uit gele steen opgetrokken.

Inwendig tegeltableau en vogelkooi op zes tegels geschilderd, daterend uit de bouwtijd.

Tjessensweg 3

Grote boerderij van het kop-hals-romptype op omgracht terrein, in de jaren zeventig weer tot de oorspronkelijke lengte van het binhús hersteld als ‘woonboerderij’, nadat het in 1966 ingekort was (afb. 308, 309, 327-332).

Bronnen

Rapport inzake grootte en eigenaren door de eeuwen heen, door D.J. van der Meer, archief r.d.m.z. Zeist; Veldtekeningen Bodemonderzoek, Archief b.a.i. Groningen.

Geschiedenis

Op verzoek en met medewerking van de eigenaar is in 1971 en daarna nog enige malen bodemonderzoek gedaan naar oudere bouw- en grondsporen. Daarbij is gebleken, dat het omgrachte terrein oorspronkelijk kleiner was; er is namelijk een grachtprofiel gevonden dat onder de tegenwoordige schuur doorliep. Ondiepe funderingssporen werden gevonden evenwijdig aan het tegenwoordige voorhuis en voor de schuurgevel. In verband hiermede geven wij het resultaat weer van onderzoek naar vroegere eigenaars en omvang van het bezit.

In de gegevens van de kadastrale minuut kan men vinden dat de landerijen van deze boerderij onder nr. 13 vermeld worden op het floreenkohier van 1858 en 68½ pondemaat groot waren. In de 18e eeuw (1729) was dr. F. Frisius eigenaar en in 1718 Ernst van Mockema, die in 1700 ook Sjuxma bezat. De grootte is dan 80 pondemaat. Op het stemkohier van 1698 is deze boerderij met 6 genummerd en komt daar voor het eerst op voor. Dit betekent dat in 1640 de eigenaar niet mocht stemmen omdat deze r.k. was of dat de boerderij Statenbezit was, namelijk voormalig kloosterbezit. Indien men het door de Staten verkochte kloosterland van Waaxens en Ternaard nagaat, blijkt dat er te Waaxens twee kloostersates zijn geweest, die in 1618 te zamen door één meier gebruikt werden. In 1619 was dat Tyerck Gerritsz. In 1592 wordt nog vermeld, dat 45 pondemaat afkomstig was van bezit van het Vrouwenklooster (Koll.land) en 31 van Bethlehem (in Ferwerderadeel). Tussen 1592 en 1618 werden twee verschillende kloosterboerderijen dus verenigd tot één. In 1511 kan men deze twee bezittingen in het Register van Aanbreng vinden: Reijmer gebruikt 43 pondemaat van het Vrouwenklooster en Eelck Scroer 30 van Bethlehem.

Wat betreft de afbeelding door Stellingwerf van een ‘Oud klooster’, die wij onder Sjuxma bespraken, geldt voor wat de aangeduide eigenaar aangaat hetzelfde (afb. 326); ook hier is dan de erfgenaam van P. van Harinxma eigenaar. ‘Klooster’ zou hier dan staan voor kloosterbezit. Het is niet volkomen duidelijk of het afgebeelde gebouw op Sjuxma heeft gestaan, dan wel op dit terrein. De ouderdom van het afgebeelde gebouw pleit tegen het laatste, daar er in de 16e eeuw slechts een vrij kleine boerderij gestaan moet hebben en een gebouw met gotische vensters eerder een rest van een adellijk huis zal zijn. Voor het onderhavige terrein pleit het feit dat de nog bestaande boerderij opgetrokken is uit kloostermoppen en er twee profielstenen gevonden zijn van 29,5 × 9 cm. Dit is meestal het geval bij boerderijen, die een state vervangen. Hier blijkt echter geenszins dat op dit terrein een state gestaan heeft. De boerderij is van het laat 18e- vroeg 19e-eeuwse type uit deze streek en kan uit afkomend materiaal van een geheel ander gebouw opgetrokken zijn.

Gebouw

Het voorhuis, dat grotendeels uit afbraak mopsteen is opgetrokken, bevat een aantal kamers, waarlangs aan de ‘binnengevel’ een gang loopt tot het voorste vertrek, dat over de volle breedte reikt. Daarin is thans een schouw aangebracht die door de tegenwoordige eigenaar is aangekocht en afkomstig blijkt te zijn van Fogelsangh State in Veenklooster. In het midden van het voorhuis is een kleine huishoudkelder, waarboven de bedsteden. In de voorkamer is een van elders afkomstige bedstedenkastwand met gepaneleerde deuren aangebracht. De vensters zijn sedert de restauratie voorzien van een kleine roedenverdeling en halve luiken.

Tjessensweg 9
Tjessens Sathe

De naam van de state wordt nog bewaard in deze boerderij, die omstreeks 1870 gebouwd zal zijn. Het is een agrarisch gebouw van het kop-hals-romptype met in het voorhuis vensters met flauw gebogen strekken en zes ruiten; het onderkelderde achterste gedeelte van het binhús is als risaliet in het opgaande werk uitgemetseld.

[p. 204]



illustratie

Afb. 308. Boerderij Tjessensweg 3. Plattegrond en doorsneden van toestand in 1965 met aanduiding van bodemvondsten; gevonden profielstenen. Getekend in 1982 naar opmetingen uit 1966 en gegevens van b.a.i., Groningen.




illustratie



illustratie

Afb. 309. Boerderij Tjessensweg 3. Plattegrond en doorsneden van toestand in 1965 met aanduiding van bodemvondsten; gevonden profielstenen. Getekend in 1982 naar opmetingen uit 1966 en gegevens van b.a.i., Groningen.


[p. 205]

Tjessensweg 11 De Tweehof

Grote boerderij eveneens uit omstreeks 1870, waarvan het woongedeelte dwars voor de schuur is gebouwd. Het voorschild van de kap, die twee hoekschoorstenen met borden draagt, loopt in dezelfde helling door tot aan het uilebord van de schuur (afb. 333).

Het linkergedeelte van het voorhuis bevat de melkkelder, geheel op maaiveldniveau. Daarboven is een lage verdieping, waardoor dit gedeelte even hoog is als de woonkamers. Door deze indeling staat de ingang van het voorhuis niet in het midden, waar wel de dakkapel is geplaatst. Het daagse gedeelte heeft de ingang achter de melkkelder onder de hoek van het voorgebouw, die op een gietijzeren kolom opgevangen is.

[p. 206]



illustratie

Afb. 310. Het gotische kerkgebouw van het zuidoosten gezien. Opname 1974.




illustratie

Afb. 311. De kerk in 1723 zoals J. Stellingwerf die weergeeft.




illustratie

Afb. 312. De kerk vóór de restauratie: wijzigingen door een pleisterlaag aan het oog onttrokken. Opname 1959.


[p. 207]



illustratie

Afb. 313. De gesloten noordgevel van de kerk. Opname 1974.




illustratie

Afb. 314. De aansluiting van het koormuurwerk tegen een gedeelte 12e-eeuws muurwerk aan de noordwand van het schip. Opname 1962.




illustratie

Afb. 315. De zuidelijke ingang en aangrenzend muurwerk na de ontpleistering. Opname 1962.


[p. 208]



illustratie

Afb. 316. Het inwendige naar het westen vóór de restauratie. Opname 1959.




illustratie

Afb. 317. De herenbank voor P. van Harinxma en S. van Burmania, gehuwd in 1648. Opname 1974.


[p. 209]



illustratie

Afb. 318. Het inwendige naar het oosten na de restauratie. Opname 1979.




illustratie

Afb. 319. Grafzerk gehakt door ‘B(enedictus) G(erbrands)’ in 1559 voor Popke Bonga en zijn dochter, gehuwd met Sicco van Tjessens. Opname 1975.




illustratie

Afb. 320. Epitaaf toegeschreven aan P. Dirks, voor Douwe van Aylva die in 1592 voor Deventer was gevallen. Opname 1974.


[p. 210]



illustratie

Afb. 321. Wapensteen in poortgebouw Sjuxma. Opname 1981.




illustratie

Afb. 322. Het poortgebouw van de landzijde. Opname 1981.




illustratie

Afb. 323. Het poortgebouw van de hofzijde met duivengaten. Opname 1981.




illustratie

Afb. 324. Het poortgebouw getekend door Ids Wiersma, met aantekeningen door de tekenaar wijzend op de toren van Holwerd en het ‘restje bomen van de slotsingel van Tjessens’.


[p. 211]



illustratie

Afb. 325. Het binhús van de boerderij die thans op het terrein binnen de singel staat. Opname 1965.




illustratie

Afb. 326. Tekening door J. Stellingwerf, 1722, van een oud laatgotisch gebouw op een ommuurd eiland gelegen te Waaxens, mogelijk ter plaatse van Sjuxma of van Tjessensweg 3.


[p. 212]



illustratie

Afb. 327. De boerderij Tjessensweg 3 vóór 1966, met lang voorhuis aan de binnengevel gesloten.




illustratie

Afb. 328. De zuidgevel van het voorhuis van Tjessensweg 3 in 1965.




illustratie

Afb. 329. De boerderij in 1966 met ingekort voorhuis.


[p. 213]



illustratie

Afb. 330. De boerderij in 1979 met herbouwd voorste gedeelte van het binhús en herstelde gracht.




illustratie

Afb. 331. Tegen de herbouwde voorgevel werd een schouw geplaatst die van Fogelsangh-state afkomstig is. Opname 1981.




illustratie

Afb. 332. Bedsteden-kastenwand in de boerderij Tjessensweg 3. Opname 1981.


[p. 214]



illustratie

Afb. 333. Boerderij de Tweehof, Tjessensweg 11, met breed dwarshuis onder de schuurkap gebracht. Omstreeks 1870. Opname 1981.




illustratie

Afb. 334. Boerderij Ypma Sathe aan de Miedweg bij de Holwerdervaart, gesticht 1768. Opname 1981.




illustratie

Afb. 335. Tegeltableau in Ypma Sathe. Opname 1981.




illustratie

Afb. 336. Stichtingssteen van Ypma Sathe. Opname 1981.




illustratie

Afb. 337. Groot tegeltableau in Ypma Sathe, op 1768 te dateren. Opname 1981.