Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 317]

Engwierum

Op de Schotanuskaart van de grietenij staat aangegeven dat Engwierum tegen de zeedijk van het Dokkumer Grootdiep is gelegen; de dijk loopt langs de zuidzijde van het dorp. Op kaarten van jongere datum en ook in de huidige landschappelijke situatie is het dijktracé aldaar niet meer waarneembaar; ten westen en ten oosten van het dorp is het dijklichaam nog wel aanwezig. De mogelijkheid bestaat dat de dijk ter plaatse van de dorpskom is geslecht na de aanleg van de Dokkumer Nieuwe Zijlen in 1729. Door deze aanleg stond het Dokkumer Grootdiep niet meer in open verbinding met de Lauwerszee, waarmee de dijken langs het Grootdiep van minder betekenis werden. De Schotanuskaart geeft tevens een bebouwde kom van geringe omvang aan. Volgens de Tegenwoordige Staat (211) breidde het dorp zich in de loop van de 18e eeuw uit door de ‘grootheid der aangespoelde landen’. Bedoeld worden hier de ten zuiden van het dorp bedijkte landen langs het Grootdiep en de bedijking van de aangeslibde gronden in de Lauwerszee, respectievelijk in 1729 en 1752 tot stand gekomen.

De uitbreiding heeft wat betreft de vestiging van agrarische bedrijven vooral buiten de dorpskom plaatsgevonden, waarbij de boerderijen aan de binnenzijde van de oude zeedijk werden gebouwd. Een geringe concentratie van deze bedrijven bevindt zich onder de naam Nieuwland ten noordoosten van het dorp.

De dorpskom is in het begin van de vorige eeuw nog van bescheiden omvang, zoals het kadastrale minuutplan laat zien; daarbij is de bebouwing voornamelijk gelegen aan twee van de drie naar het kerkhof lopende paden. Behoudens het vrij regelmatige beloop van deze paden van de flank van de terp naar de kerk toe is in de overige aanleg weinig systematiek te bespeuren. Op het gedetailleerde kadastrale minuutplan valt aan de hand van het wegenbeloop en enkele perceelsgrenzen een min of meer rechthoekig terpterrein te herkennen. Een dergelijke vorm, alsook de geringe hoogte van de woonheuvel mogen kenmerkend worden genoemd voor de ‘wier’-dorpen in Noordelijk Oostergo.

Ten westen van de kerk vormen enkele percelen tesamen een kavel die het tracé van de voormalige zeedijk en van de weg daar naar toe hebben beïnvloed. Waarschijnlijk betreft het hier de kavel waarop de uit de 15e en 16e eeuw bekende state Dodinga was gelegen. De naam Dodinga wordt door Schotanus en Eekhoff aan de westzijde van het dorp vermeld. Omstreeks 1830 was de dorpsbebouwing nog vrijwel uitsluitend aan de noord- en aan de zuidzijde van de kerk gelegen, maar in de loop van de 19e en de 20e eeuw is ook bebouwing ten oosten van de kerk ontstaan. Bij recente nieuwbouw ten zuidoosten van de kerk is het oostelijke toegangspad sterk verbreed tot straat, waardoor de oude structuur moeilijk herkenbaar is geworden. Deze straat heeft evenwel de oude naam ‘It Roster’ behouden. Het ‘roster’, in het Fries meestal ‘roaster’ gespeld, duidt op het rooster dat ooit in het pad bij de toegang tot het kerkhof heeft gelegen, dienend om vee en honden van het kerkhof te weren.

Zuidelijk van deze straat ligt een straat met de naam ‘Dobbe’, genoemd naar de vroeger hier aanwezige zoetwaterpoel. Deze dobbe staat nog op het kadastrale minuutplan aangegeven. Ten zuidwesten van de kerk is de structuur uit de tijd rond 1830 en het agrarische karakter nog goed bewaard gebleven.

[p. 318]



illustratie

Afb. 494. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


Op ruim een kilometer ten oosten van het dorp, op de grens met de gemeente Kollumerland, liggen in de monding van het Grootdiep de Dokkumer Nieuwe Zijlen, een stelsel van schut- en spuisluizen dat in 1729 gereed kwam en in die tijd een waterstaatkundig werk van groot formaat betekende. De naam van het sluizenstelsel geeft aan dat voordien de sluis (zijl) in Dokkum lag, te weten onder de brug met die naam in het centrum van de stad.

[p. 319]



illustratie

Afb. 495. Luchtfoto, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 320]



illustratie

Afb. 496. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832, van het sluizencomplex De Dokkumer Nieuwe Zijlen. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 497. Luchtfoto van het sluizencomplex De Dokkumer Nieuwe Zijlen. Schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 321]



illustratie

Afb. 498. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1832 van het Engwierumer Nieuwland met de eendenkooien en de Kooiplaats. Schaal 1:7500.


[p. 322]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk ligt aan de noordelijke flank van het dorp op een klein omheind kerkhof. De kerk behoort aan de Hervormde gemeente, de toren aan de burgerlijke gemeente (afb. 499-507).

Litteratuur

r.v.a. i, 158; Benef. 163; r.v.g.o. 122; Muller, Rekeningen Bisdom, 418, nr. 14; Van den Berg, Oostdongeradeel, 109; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 172; h.s. Andreae-Tuinman, gemeente-archief Oostdongeradeel.

Bronnen

Kerkvoogdijrekeningen 1810-1888 in gem. archief te Dokkum; Schoolmeestersaantekeningen 1856; Historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis, archief r.d.m.z.

Geschiedenis

De kerk behoorde volgens een stuk uit 1333 aan de abdij van Dokkum (Muller). In een door Van Buijtenen gepubliceerde oorkonde uit 1374 erkent de abt van Dokkum de jurisdictie van de proost van Oudmunster over zes kapellen, waaronder Edigwierum.

De vermelding Edenwerfa in de registers van Fulda (Dronke c. 37) wordt door Gijsseling als ‘onbekend in Friesland’ gegeven. Ook Andreae noemde reeds de vermelding van Edigwierum in 1374 en bovendien een in 1417. De bron van deze vermelding is niet meer te achterhalen. De Beneficiaalboeken spreken voorts ook van de abt van Dokkum als voogd van de patroonslanden; in 1580 onderhield de abt van Dokkum als kerkvoogd het dak en de glazen van de kerk en had hij het recht van electie van de pastoor. In 1746 is een nieuwe kerk gebouwd, nadat in 1722 de oude was afgebroken; de middeleeuwse toren bleef behouden. De Commune (een soort coöperatie, gesticht ter veiligstelling van kerkelijk bezit tegen secularisatie in 1797) schonk in 1823 het orgel, liet in 1875 de kerkkap verbeteren en in 1887 de kansel, het orgel en het gewelf schilderen; in 1893 werd de preekstoel gelakt. Als bouwmeester wordt op een briefje dat in 1955 in de preekstoel werd gevonden Lieuwe Jelles genoemd.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf, 1722, in verz. Fries Museum (afb. 502). De oude kerk zou volgens deze tekening in ieder geval aan de noordzijde een aanbouw hebben gehad.

Beschrijving

Het gebouw is samengesteld uit een zeer oude bakstenen toren, waartegen blijkens een opschrift boven de ingang van de kerk in 1746 een nieuw schip is gebouwd.

Materiaal toren

Tot omstreeks 8 meter boven het maaiveld, behoudens reparaties, baksteen van 29,5-30 × 8,5-9 cm, 10 lagen 99 cm, in willekeurig verband gemetseld met veel strekken. Daar boven meet de baksteen 30-32 × 8-9 cm, 10 lagen 95 cm in verband van twee strekken en een kop. Boven de galmgaten is het muurwerk vernieuwd in kleine steen, 20,5 × 4,5 cm, 10 lagen 50 cm, waarmee ook grote oppervlakten van de westelijke en zuidelijke gevel bemetseld zijn.

Het materiaal van het schip meet 20,5-21 × 4,5 cm, 10 lagen 42 cm, in kruisverband.

Toren

Het torenmuurwerk gaat ter dikte van ongeveer een meter onversneden en behoudens smalle lichtopeningen geheel gesloten op tot de vier rondbogig gesloten galmgaten. Het oostelijke galmgat wordt door het 18e-eeuwse schipdak bedekt en heeft de oude afmeting en vorm behouden: rondbogig uitwendig, segmentbogig inwendig. Het noordelijke galmgat is ingekort (afb. 501), het westelijke en zuidelijke zijn bij een vernieuwing van het muurwerk in verkorte vorm opnieuw aangebracht (afb. 500). Tegen de oostmuur is de moet van een ouder schipdak te zien, dat iets boven de benedendorpel van het galmgat reikte, dat daartoe aangevuld is.

Inwendig

In de oostmuur is een hoge brede doorgang gehakt, die in de 18e eeuw weer is dichtgezet door een schot waarin een deur. Het vloerpeil heeft veel lager gelegen, blijkens aanzetten van een overwelving dicht boven de huidige vloer. Aan de westzijde was een spleetvormig venster binnen een segmentvormige nis. Aan de noordzijde is de westelijke dagkant van zo'n venster zichtbaar. Daar is de muur als bergruimte (gevangenis?) uitgehakt en van een venster voorzien. Op ongeveer 3,5 meter boven het maaiveld zijn aan elke zijde spleetvormige openingen geweest, aan de binnenzijde door overkragende stenen gedekt; ook hier is alleen de meest westelijke segmentvormig gedekt, evenals de lichtspleet op ongeveer 7 meter boven vloerpeil. De laatste bevonden zich vanouds juist onder een tweede gewelf, waarvan de rondbogige muralen zichtbaar zijn.

Schip

Het schip is driezijdig gesloten; langs de sluitingshoeken lopen lisenen. In de 68 cm zware muren staan zes grote rondbogig gesloten vensters; in de noord- en zuidoostelijke sluitingszijden kleine vensters met houten kozijnen, waarin tussen roeden 20 ruiten zijn gevat. Inwendig zijn deze vensters segmentbogig gesloten. Ook op de orgelgalerij laten

[p. 323]



illustratie

Afb. 499. Hervormde kerk en toren. Plattegrond, doorsnede van de toren en details van torenvenster. Getekend 1981 naar opmeting 1950.


aan weerszijden vensters met 20 ruiten licht door. De grote vensters hebben oorspronkelijk smeedijzeren roeden met een gevorkte middelstijl gehad, blijkens de middelste aan noord- en zuidzijde, waarin gebrandschilderde glazen uit het bouwjaar bewaard zijn. De overige vensters hebben houten ramen met een zware middelstijl en bovendorpel en straalsgewijs geplaatste roeden in de top. Deze zijn blijkens de kerkvoogdijrekeningen in 1840 aangebracht.

Aan weerszijden van de ingang wordt door een natuurstenen basis en lijstkapiteel een pilaster gesuggereerd, in het midden onderbroken door een blok natuursteen, waarin een ornament is gehakt. Ook in de natuurstenen aanzetblokken en sluitsteen van de rondboog is wat ornament gehakt (druivetakken?). Boven de ingang is een stichtingssteen geplaatst door lofwerk bekroond; op de steen is te lezen: ‘De gunst van armen en rijken/ vertoonde nimmer/ zich zo sterk/ als in de bouw/ van deese Kerk./ Door Algemeene Liefdeblijken/ toen Leide Piebo/ Talmaas hand/ den Eerste Steen/ van haare muuren./ Zij moet den Roest/ des Tijts Verduuren/ met Leeraars van/ Gesond Verstand/ den 14 Iuny 1746’.

Het houten gewelf rust op een verbrede voorlijst; eenvoudige trekbalken verbinden de muren. Boven het orgel vervangt een ijzeren trekstaaf een trekbalk.

Bouwgeschiedenis

De geheel gesloten toren, die in de begane grond is overwelfd, kan vroeg in de 13e eeuw ontstaan zijn en is later, wellicht in de 14e eeuw, verhoogd; de topgevels zijn in de 18e eeuw opnieuw opgetrokken. Het schip uit 1746 is blijkens rekeningen in 1822 verbouwd ten behoeve van het orgel. In dat jaar zullen de kleine 20-ruitsvensters aan de koorsluiting en op de orgelbalustrade aangebracht zijn.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een rijk met snijwerk versierde preekstoel met trap, achterschot en klankbord (afb. 504, 505). Aan de gezwenkte voet van de kuip zijn de vier evangelisten-symbolen aan consoles gesneden; daarboven zijn in voluten op de hoeken van de hol-gebogen kuip vier deugden voorgesteld. In de velden van de kuip omlijste panelen; in de voorste een omrankt, thans blank wapenschild. Aan weerszijden van het achterschot, dat tussen de klauwstukken gevat is, zijn veel minder goed gesneden bazuinende engelen, waar-

[p. 324]

schijnlijk later toegevoegd. De trapleuning is opengewerkt in een balusterachtig ornament; op het forse klankbord is het alliantiewapen van Haersma-Wyckel in ornament gevat, dat in vergelijking met dat van de kuip meer rococo-elementen bevat. De wapens werden gevoerd door Hans Hendrik van Haersma (1707-1757) en zijn tweede echtgenote Dodonea van Wijckel. Hans Hendrik was grietman van Oostdongeradeel van 1744 tot zijn dood (J.M. de With, Het geslacht Van Haersma, Ned. Leeuw, 1923, kol. 7 e.v.).

Tot 1955 was de preekstoel donkergroen geverfd en waren koppen van de evangelisten en deugdenfiguren verguld en de figuren en consoles wit geverfd (afb. 505). Het handschrift Andreae-Tuinman spreekt daar eveneens van. Waarschijnlijk is dit het resultaat van het schilderwerk dat in 1887 door de zogeheten Commune van Engwierum werd opgedragen aan B. Bakker, die er bovendien een gratificatie voor ontving. De Commune was een soortgelijke instelling als de Reederij te Anjum (zie aldaar onder ‘kerkzilver’). Onder het zwartgroen van de preekstoel waren in 1955 rode lagen te zien. In dat jaar is het houtwerk grondig afgeloogd. In de preekstoel bevond zich een briefje waarin de makers zich bekend maken: ‘Anno 1746 Preekstoel gemaakt door Jurjen Stelmaker te Dokkum in vier jaar tijds oud veertig jaar. Kerk gemaakt door Lieuwe Jelles in de 21 jaren na de oude afgebroken in de jaren 1722 op last van R. Donias, W. Hardingas en P. Talma’ (R. Steensma in Folk en Tsjerke, Publicaties van de Friese Kerkhistorische Vereniging, 1969 e.v.).

Doophek

Het doophek is verwant aan dat te Ee. Het interieur is blijkens kerkvoogdijrekeningen in 1859 vernieuwd door H. Raadsma te Ee.

Orgel

Aan de westzijde bevindt zich een orgelbalkon op twee maal twee kolommen rustend (afb. 503). Boven langs de borstwering opengewerkte rand en in het midden tussen lofwerk muziekinstrumenten. Op de balustrade een stichtelijk opschrift inzake orgelmuziek. Voor het snijwerk van de ‘lambrisering’ werd Ale Johannes Smedema betaald in 1823. Het orgel, door L. en J. van Dam gebouwd, is geschonken door de Commune. De kerk werd enigszins voor dat doel verbouwd; een balk is verplaatst (Wumkes ii, 113 en 105, en kerkvoogdijrekeningen). In 1855 is volgens dezelfde bron het orgel verfraaid (Dispositie in M. Seybel, Orgels in Friesland i, 1973, 95).

Zerk

Volgens de schoolmeestersaantekeningen vond men in 1856 voor het vierkant of doophek een zerk met opschrift: ‘Jan Sjaerda s.s.n. Candid. en conrector der Latijnsche School te Dokkum, overleden den 27 september 1705, oud 69 jaren en rust, ook met zijne ouders en oudsten broeder, onder deze zerk. De eerzame Douwe Sjarda, in leven directeur in het maken van de Dokkumer-Nieuwe zijlen bij Engwierum en naderhand zijlvester op dezelve stierf den 12 september 1753 oud 68 jaar en 6 weken. den 15 augustus 1782 overleed de eerzame Durk Sjarda in leven commies Collect. der Convoyen en licenten wegens Kollum, op de Nieuwe Zijlen en zijn vaders succes[sor] in het Zijlvestersambt, oud 70 jaren rusten onder deze zerk’. Randschrift: ‘Anno 1750 den 15 september stierf de eerbare Reinoud Dirks Palsma in leven huisvrouwe van Douwe Jans Sjaerda oud zijnde omtrent 68 jaren en ligt alhier onder dezen steen begraven’.

Glazen

De middelste vensters aan noord- en zuidzijde zijn van gebrandschilderd glas in lood voorzien (afb. 506, 507).

Litteratuur

S. ten Hoeve, Geschilderde glazen in Friesland, in Publicatieband a.f.t. 1973.

Volgens een rapport dat rijksarchitect A. Mulder in 1904 maakte, zouden er toen van de andere vensters nog fragmenten bewaard geweest zijn. Het zuidervenster is gesigneerd links ‘Ype Staak fecit’, rechts ‘Jurjen Staak fecit’. Het noorderraam draagt alleen de signatuur ‘Ype Staak fecit’. Beide ramen zijn tevens gesigneerd ‘F. Nicolas en Zonen, Roermond 1906’, en in 1956 gerestaureerd door Jentsje Popma te Leeuwarden. Blijkens foto's van voor de restauratie bestond de tekst toen slechts uit ‘... van Friesland’ en ‘Anno 1746’. De wapens waren verdwenen. Onbeschadigd waren de wapenhouders, te weten aan de noordzijde de Vrijheid met hoed en pijlenbundel en de Kracht met zuil en zwaard; aan de zuidzijde de Rechtvaardigheid met zwaard en balans en de Wijsheid met spiegel en slangen. Daarboven waren de grote kronen met drie fleurons en de putti met lauwerkransen redelijk goed bewaard. Het Museum Admiraliteitshuis te Dokkum bewaart nog fragmenten van overige glazen uit de kerk van Engwierum.

Psalmborden

Twee grote en vijf kleine psalmborden met snijwerk, xviii.

Klokken

Volgens Van Borssum Waalkens in de Vrije Fries xv, 1886, blz. 147, zou er destijds in de toren een klok gehangen hebben met opschrift: ‘Jurien Balthasar heft mi gegoten 1651

[p. 325]

in Leeuwarden door dat vyer ben ick gevloten’. Het schoolmeestersboekje voegt daaraan toe de ondertekening J. van Rien. Een klok uit 1870 door Van Bergen Heiligerlee is in 1949 hergoten.

Torenkruis

Op het dak van de toren staat een gesmeed ijzeren kruis.

Schoolgebouw

Ten noorden van de kerk staat het vrij sterk aangetaste schoolgebouw annex schoolmeesterswoning. In de noordelijke zijgevel zit een stichtingssteen met opschrift: ‘Dit schoolgesticht/werd opgericht/Tot nut en vreugd/van Engwierums jeugd/waarvan de eerste steen/werd gelegd door Tjalling/Jans Alberda oud 12 jaren/op den 13 Mei van den/jare 1828’.

Overige bebouwing in het dorp

Terprest

Ten zuidoosten van de kerk is een terrein beschermd, waar 12e-13e-eeuwse woonplaatsen waren; daar ook lag tot voor kort de dobbe.

Boutsma Zathe Lytsewei 9 (Kleineweg)

Oostelijk daarvan ligt de boerderij Boutsma Zathe, van het kop-hals-romptype (afb. 508), blijkens een anker in de schuurgevel in 1842 gebouwd. Op een baksteen bij de ingang in de hals staat gekerfd: ‘D.C. Accama J.G. Accama 1842’. De topgevel van het vooreind heeft tweelichtskozijnen; beganegronds waren in 1965 nog zesruitsvensters en een bakgoot.

De Dobbe 2-4

Aan De Dobbe staat een gardenierswoning blijkens een nokanker in de westelijke topgevel daterend uit 1744, die in de top slechts zeer kleine ontluchtingsopeningen heeft (afb. 511-512). Waarschijnlijk later is aan de zuidzijde een woning aangebouwd, eveneens tegen een topgevel, ditmaal met afluiving en een turfluik in de top. Ook hier zal sprake zijn van een tweede-generatie-woning (vgl. Moddergat), doch wegens het schuurgedeelte is deze haaks op de hoofdwoning gebouwd, zoals bij boerderijen ook wel voorkomt (vgl. Wobma Sate).

Buitendijksweg 8

In de volksmond ‘het slotsje’ genoemd herenhuis met een aanbouw, die in een nokanker 1828 is gedateerd.

Dodinga

In het westen van de dorpskern tegen de oude dijk van de zeearm ligt op de kaart van Schotanus Dodinga State. Ook Eekhoff vermeldt het daar.

Geschiedenis

Worp van Thabor vermeldt Botte Doedinga als Vetkoper in 1422.

Worp noemt verder in 1473 in Oostergo Bennert Donyahuis te Engwierum, dat belegerd werd omdat Botte rebels was tegen het gezag. Het huis werd ‘omgeworpen’ (iv, 68 en 120). In 1491 was Bennert Eijsinga hoofdeling te Engwierum die toen met de gemeente het verbond met de stad Groningen ondertekende (Pax Groningana 79). Ook Botta Eeskzn. Doynga sloot zo een verbond. Mogelijk was hij dezelfde die in 1511 42 pondemaat land aanbracht. Zijn weduwe Ymck komt in 1543 voor. In 1560 vinden we dan een verkoop van delen van Donye-huisinge en van landerijen door de erfgenamen van Ymck (Berns 21, iii, 2, 843 en 857). In 1611 is het goed in handen van J. Jansz Donia, die zich dus naar het goed noemt en er een boerderij bezit. Deze situatie is tot heden bestendigd, blijkens de kadastrale nummering van 1832. De boerderij is dan een beleggingseigendom van olieslager D. Zeper te Leeuwarden.

Het terrein van Dodinga of Donia lag dus binnen de ringweg van de terp onmiddellijk ten westen van de kerk, een zeer oude situatie, zoals veelal bij belangrijke staten voorkomt. De ringweg loopt nog steeds met een bocht om het terrein heen.

Boerderijen

De thans hier aanwezige boerderij is van het kop-hals-romptype, zoals ook op de kadastrale minuut wordt aangegeven. Het vooreind kan dus nog van voor 1832 dateren; de schuur is blijkens ankers in 1863 herbouwd.

Een tweede boerderij zuidelijk daarvan dateert thans van 1866 en is in stelpvorm gebouwd. Op de kadastrale minuut staat hier nog een kop-hals-rompvormige plaats.

Industriemolen

Ten oosten van Engwierum staat nog de romp van de in 1866 gebouwde achtkante molen met stelling. Deze is eigendom van J. Visser aldaar (afb. 509, 510).

Litteratuur

Keune, Molens 37; S.J. Sipma, Ingwierum troch de tiden hinne, Engwierum 1981, 80.

Geschiedenis

De molen werd gesticht op 6 juni 1865 door N.H. Groensman, pelmolenaar te Lutjegast, als koren- en pelmolen (vriendelijke mededeling van S.J. van der Molen). In 1913 werd van wind- op mechanische kracht overgeschakeld: de roeden werden verwijderd en een

[p. 326]

elektromotor werd geplaatst. Deze toestand bleef tot in 1948 gehandhaafd. In dat jaar werd de kap gesloopt en zaagde men een gedeelte van het achtkant boven de middelste bintlaag af. De romp maakt nog steeds deel uit van een maalbedrijf.

Het staande werk

Vrij lage gemetselde voet met pilasters op de hoeken (in de veldmuren twee venstertjes) en een gemetseld onderachtkant. Grenen achtkant gebouwd volgens het algemene systeem met het voor het noorden gebruikelijke aantal van drie bintlagen, waarvan er nog twee over zijn. Het achtkant heeft geen ondertafelment: de stijlen staan op peulhouten die op de voet rusten. Van het gaande werk is niets meer aanwezig.

Overige terpen en de bebouwing daarop

Ten noordwesten van het dorp aan de Vellingsweg liggen twee beschermde verhoogde woonplaatsen, die in de 12e eeuw ontstaan zullen zijn. Ook hier geldt wat voor de Vellingsweg onder Ee gezegd is; over de eigendomsrechten op de boerderijen is weinig te achterhalen, daar de landerijen al vroeg gesplitst zijn. Schotanus geeft ter plaatse van de beschermde woonplaats een wier, evenals bij de boerderij ernaast. Ook Loenia, bij Eekhoff abusievelijk Donia genoemd, was volgens de Tegenwoordige Staat een ‘oude state’ (ii, 214). In de volksmond heet het terrein nog ‘'t Heech’. Bij afbraak van de woningen die erop stonden is een oude kelder met stenen trap gevonden (vriendelijke mededeling S.R. Sipma, Engwierum).

Halbertsma geeft ten noorden van het dorp op de plaats genaamd Barwegen een terp aan en op het terrein van Broersma-state bij de grens met Ee eveneens.

Sluizencomplex

Dokkumer Nieuwe Zijlen

De Dokkumer Nieuwe Zijlen zijn sluizen ten behoeve van de afwatering van Oostdongeradeel en de scheepvaart, in 1729 in het Dokkumer Diep gebouwd (afb. 496-497, 513 e.v.).

Litteratuur

W. Eekhoff, Willem Loré, zijn voornaamste dijk- en waterwerken geschiedkundig beschreven, Franeker 1835; Wumkes i, 161, 170; Rienks en Walther 106.

Bronnen

Rapport van 1725 in Eysinga-archief, w 165, r.a. Leeuwarden; Archief Ged. Staten 3, r 22; h.s. Vegelin, Prov. Bibl. hs 367, nr. 2.

Tekeningen

Het Rijksarchief te Leeuwarden bewaart de volgende tekeningen: inv. b9, Het Dokkumer Diep met ontwerp voor de sluis en twee duikers door Meester Bosman (afb. 518); inv. b10, project van de Blocksluis te leggen in de sluitingen van het Dokkumer Diep, door de directeur I. Mellema voor een commissie benoemd bij Resolutie Ged. Staten, 7 maart 1723 (afb. 517); inv. b 11, Ingedijkte landen bij het Doccumer Diept, door R.W. Bockma en C. Tadema, 1729 (afb. 513); inv. b 12, Kaart van de Eeslattingen door W. Loré, 1735 (afb. 514). Het Fries museum bezit van de laatste twee kaarten kopieën op gelijke schaal van de hand van P.J. Portier.

Geschiedenis

Nadat in 1584 en in de loop van de 17e eeuw reeds herhaaldelijk overwogen was het Dokkumer Diep af te dammen, werd na de stormramp van 1719 ten slotte in 1727 tot het werk besloten. De sluis en de bijbehorende dijkwerken werden naar een idee van luitenant-kolonel Mellema, daartoe uitgenodigd door een commissie bestaande uit Ulbo van Aylva en M. Onuphrius van Schwartzenberg, uitgevoerd onder leiding van Willem Loré en Claes Balk. Na twee mislukkingen voltooide men de afsluiting van het oude diep in 1729. Een gedenknaald, thans op het grondgebied van de gemeente Kollumerland, is volgens het opschrift oorspronkelijk op de sluis opgericht geweest.

Een grafsteen in de kerk van Engwierum noemt Douwe Jans Sjiarda, overleden in 1753, directeur bij het maken van de Zijlen. Door de nieuwe sluizen werden de sluis binnen de stad Dokkum, de Driesumerzijl, de Oudwouderzijl en de Kollumerzijl overbodig.

Tevens werd 1800 pondemaat land gewonnen. In 1759-60 zijn nieuwe deuren in de sluis gezet onder leiding van landsbouwmeester Semler (Wumkes). Volgens een opschrift op een hardstenen plaat in de sluiskoker is de sluis in 1834 drooggelegd en hersteld. Op de dam aan de zeezijde staat nog een herstelling in 1821 vermeld.

In 1955 zijn voor de scheepvaart nieuwe sluizen gebouwd op ongeveer 100 meter ten zuiden van de oude en is de klapbrug in een weg gewijzigd.

Beschrijving

De sluis bestaat uit drie kokers, de zijkokers overkluisd, de middenkoker met een klapbrug die in 1882 is vernieuwd en in 1970 is vastgemaakt (afb. 515, 516). De grote

[p. 327]

sluis was bestemd voor zeeschepen die naar Dokkum zouden kunnen doorvaren, de tweede sluis voor kleine schepen en de derde voor uitwatering. De sluizen worden gesloten door zware houten deuren; voor de bediening staan op de dammen 16 ijzeren lieren met bomen om de deuren te bedienen. Aan de zeezijde zijn thans zes deuren en zes lieren, aan de landzijde in de middenkoker vier deuren met vier lieren, in de noordelijke koker vier deuren met evenzoveel lieren en in de zuidelijke koker vier deuren met twee lieren. Onder de weg zijn in 1970 elektrisch bediende hijsdeuren aangebracht.

In de middelste sluiskoker staat een herinneringssteen aan het herstel van 1834 (afb. 519). Het opschrift luidt: ‘In den jare 1834 toen Jonkh. Jan Adriaan Baron van Zuilen van Nijevelt was staatsraad Gouverneur van Friesland, Gedeputeerde waren mr. C.W. Baron du Tour van Bellinchave, Jonkhr. R.H.S.G. Juckema van Burmania, Baron Rengers, J.A. Lootsma, E. Fockema, D.C. Zijlstra, mr. W.W. Buma en mr. B. Dorhout en Griffier der Staten was mr. L. Ypey, is deze sluis onder directie van P. Wellenburgh Hoofdingenieur van den Waterstaat in de maand mei afgedamd vervolgens drooggemaakt en geheel hersteld en daarna in de maand november in datzelfde jaar weder voor de scheepvaart en afstrooming van het boezemwater geopend. Destijds was Grietman van Oostdongeradeel mr. D. de B. van Haersma de With.’

Mogelijk is bij die gelegenheid of reeds in 1760 het aantal deuren gewijzigd.

Obelisk

Ten zuiden van de Dokkumer Nieuwe Zijlen staat een obelisk op voetstuk, ter herinnering aan het bouwen van de sluizen in 1729. Volgens het opschrift was de obelisk oorspronkelijk op de sluizen opgericht (afb. 519).

De obelisk rust op vier bollen en is bekroond door een bol. Op één zijde staat het gekroonde wapen van Friesland en een opschrift: ‘Ter Eewiger Gedagtenis van de overdijking van 't Dokkumer Diep’. Op het voetstuk aan de noordzijde staat het wapen van Vegelin, aan de zuidzijde het wapen van Schwartzenberg, beide met dekkleden en helmteken. Op de voorzijde staat: ‘Ses duysent roeden Dijks bespaart 't gevaar der zee vermindert Oostergo van water ontlast de Provincie vermeerdert en verbetert Dese suyl voor de nakomelingen int midden der stroom opgeregt’. Op de achterzijde: ‘'t Gewelt der stroom door drie verkortingen versagt sijnde, is het diep alhier gedamt op ten tweede Juli ter praesentie van de Edele Erentfeste Heeren Jr. Michael Onuphrius Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlantsberg Grietman over Dantumadeel en Jhr. Philip Frederik Vegelin van Claerbergen Grietman over Haskerland Commissarissen der Edele mogende Heeren gedeputeerde staten van Friesland’. Op de bovenzijde van het voetstuk is de naam van de ontwerper Claes Balk ingehakt.

Overige boerderijen; eendenkooien

Greate Tor

Op het eiland tussen het oude Dokkumerdiep en het in 1857 gegraven Nieuw Dokkumerdiep ligt aan het oude vaarwater de boerderij Greate Tor. De naam wordt verklaard als een verbastering van het oudfriese For, dat veer betekent. Men zou hier een veer gehad hebben richting Kollum. De boerderij komt dan ook als de Vor voor in het floreenkohier. De grote boerderij van het kop-hals-romptype met één groot venster in de topgevel van het binhús (als Donia State te Oosternijkerk) is op de schuurgevel gedateerd 1791. In de gevel van het voorhuis staat een gevelsteen met opschrift: ‘Op den 7 augustus 1823/heeft H.J. Sickema/Alhier den eersten steen/gelegd oud 2 Jaren’. De ouders waren J.G. Siccama en D.H. Blom, die in 1815 waren gehuwd.

Engwierumer Nieuwland

Buiten de noord-zuid lopende oude zeedijk is in 1752 volgens de kaart van Eekhoff een groot gebied ingepolderd, het Engwierumer Nieuwland. Aan de binnenzijde van de dijk zijn de boerderijen gebouwd. De tegenwoordige gebouwen zijn echter blijkens de gevelstenen ongeveer een eeuw jonger.

Nijlân 16 (Nieuwland)

De zogenaamde Kloostermanplaats is in 1869 gebouwd: ‘gesticht door Jan Goffes Jensma en Jan Klaasses Jensma’.

Nijlân 28

De Cooypleats, een boerderij met dwarsgebouwd woongedeelte, is blijkens een gevelsteen in de schuurgevel in 1848 gebouwd: ‘Duco Anthon van Eichstorff Talma aan deze plaats geboren heeft op 20 april 1848 den eerste steen gelegd’.

Eendenkooien

De boerderij ontleent zijn naam aan de eendenkooi, die er bij hoort en in de onmiddellijke nabijheid ligt (afb. 525). De gevel van het wagenhuis heeft duivengaten, want de boerderij had ook recht van duivenvlucht. Ten noorden van deze kooi ligt nog een eendenkooi.

[p. 328]



illustratie

Afb. 500. De Hervormde kerk, in 1746 herbouwd bij de middeleeuwse toren. Opname 1972.




illustratie

Afb. 501. Kerk en toren van de noordzijde. Opname 1972.




illustratie

Afb. 502. De middeleeuwse kerk getekend door J. Stellingwerf in 1722. Indien de weergave juist is, heeft ook de kerk van Engwierum in de middeleeuwen in ieder geval aan de noordzijde een aanbouw gehad voor het koor. Repro 1981.


[p. 329]



illustratie

Afb. 503. Het inwendige van het 18e-eeuwse schip naar het westen. Opname 1972.




illustratie

Afb. 504. De preekstoel na de schoonmaakbeurt van 1955. Opname 1982.




illustratie

Afb. 505. De preekstoel uit 1746, beschilderd met zeer donkergroen, goud en wit. Opname circa 1935.


[p. 330]



illustratie

Afb. 506. De twee gebrandschilderde glazen door Ype Staak, geschonken door de Staten van Friesland. Opname 1972.




illustratie

Afb. 507. De twee gebrandschilderde glazen door Ype Staak, geschonken door de Staten van Friesland. Opname 1972.




illustratie

Afb. 508. De boerderij Boutsma Zathe uit 1842 aan de oostelijke rand van het dorp. Opname 1965.




illustratie

Afb. 509. De overblijfselen van de korenmolen van Engwierum uit 1866. Opname 1981.


[p. 331]



illustratie

Afb. 510. De korenmolen in bedrijf. Naar oude opname.




illustratie

Afb. 511. De later met een haaks erop staande aanbouw uitgebreide gardenierswoning, thans Dobbe 2-4, in anker gedateerd 1744. Opname 1965.




illustratie

Afb. 512. De later met een haaks erop staande aanbouw uitgebreide gardenierswoning, thans Dobbe 2-4, in anker gedateerd 1744. Opname 1965.


[p. 332-333]



illustratie



illustratie



illustratie

Afb. 513. Ingedijkte landerijen bij het Dokkumerdiep door R.W. Bockma en C. Tadema, 1729. Repro 1976.




illustratie



illustratie



illustratie

Afb. 514. Kaart van de ‘Ee-slattingen’ door Willem Loré, 1735. Repro 1976.


[p. 334]



illustratie

Afb. 515. De Dokkumer Nieuwe Zijlen gezien van de landzijde met de lieren ten behoeve van het manoeuvreren van de deuren. Opname 1973.




illustratie

Afb. 516. De sluizen van de zeezijde gezien. Opname 1972.


[p. 335]



illustratie

Afb. 517. Ontwerptekening voor de Dokkumer Nieuwe Zijlen door Mellema. Repro 1976.




illustratie

Afb. 518. Ontwerptekening voor de Dokkumer Nieuwe Zijlen door ‘Meester Bosmans’. Repro 1976.


[p. 336]



illustratie

Afb. 519. Steen ter herinnering aan verbeteringswerkzaamheden aan het complex in 1834. Opname 1973.




illustratie

Afb. 520. De obelisk, die oorspronkelijk op de dam tussen de sluizen was opgericht ter herinnering aan het voltooien van het werk in 1729. Opname 1973.




illustratie

Afb. 521. Boven op het ongeveer twee meter hoge voetstuk staat de naam van bouwmeester Claas Balk uit Leeuwarden. Opname 1973.


[p. 337]



illustratie

Afb. 522. Het voetstuk draagt aan weerszijden de wapens van Michael Onuphrius van Schwartzenberg en Philip Frederik Vegelin van Claerbergen namens Gedeputeerde Staten van Friesland. Opname 1982.




illustratie

Afb. 523. Het voetstuk draagt aan weerszijden de wapens van Michael Onuphrius van Schwartzenberg en Philip Frederik Vegelin van Claerbergen namens Gedeputeerde Staten van Friesland. Opname 1982.




illustratie

Afb. 524. Boerderij de Greate Tor ten zuiden van Engwierum aan het Oude Dokkumer Grootdiep, waarvan het voorhuis 1823 is gedateerd. Opname 1982.


[p. 338]



illustratie

Afb. 525. Boerderij uit 1869 in Nieuwland. Opname 1982.




illustratie

Afb. 526. Het inwendige van de eendenkooi bij de Kooiplaats, de noordelijkste boerderij van Nieuwland. Opname 1982.