Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 339]

Jouswier

De Tegenwoordige Staat (214) noemt dit dorp het kleinste van de grietenij. De Schotanuskaart, de kadastrale minuut en de Eekhoffkaart bevestigen dit beeld voor de 18e en 19e eeuw en wijzen uit dat het dorp uit nooit meer dan een op een terp gelegen kerk met enkele direct daaromheen gelegen huizen en boerderijen heeft bestaan, een situatie die ook tegenwoordig nog aanwezig is.

Van een bepaalde systematiek in wegenstructuur en percelering is bij deze zeer kleine nederzetting niets te bemerken. De toegangsweg tot het dorp heeft blijkens het oude kaartmateriaal altijd over de terp heen gelopen.

De omvang van de dorpsterp, voor zover die aan de westzijde door de afgraving nog herkenbaar is, lijkt de kleinste van geheel Noordelijk Oostergo te zijn. Het is voorts opvallend dat het dorp, vergeleken met de overige ‘wier’-dorpen in Oostdongeradeel, een relatief hoge woonheuvel bezit.

[p. 340]



illustratie

Afb. 527. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 528. Luchtfoto schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 341]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk, volgens een klokopschrift mogelijk aan S. Petrus gewijd, ligt op een terprest in een ruim kerkhof, slechts door enkele boerderijen en woningen omgeven. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (akte van 1877; afb. 529-534).

Litteratuur

r.v.a. 1, 165; Benef. 167; r.v.g.o. 124; Van den Berg, Oostdongeradeel, 128-129.

Bronnen

Rekeningboeken Hervormde gemeente Jouswier 1750-1845, in streekarchief Dokkum, uittreksel archiefdienst N.O. Friesland; notulen kerkeraad 1817-1965 (Oostrum-Jouswier), ib.; h.s. Andreae-Tuinman, archief Oostdongeradeel; Historisch-bouwtechnisch rapport W.J. Berghuis 1975, archief r.d.m.z. Zeist; rapport bepleistering door W.F. Denslagen, 1979, ib.

Geschiedenis

Bij de opgave van de kerkegoederen in 1580 had A. Martensz land in bezit ‘waarop hij Ao 1557 als de kerke nije gebouwet is geleent heeft 100 gg.’. We mogen daaruit een bouwjaar van het bestaande kerkje lezen. Opgravingen tijdens de laatste restauratie hebben aangetoond, dat de kerk inderdaad vernieuwd is op de oude grondslag. De fundering bestond uit kloostermoppen in eerste toepassing. In de noordelijke hoek bij de aanzet van de koorsluiting was een steen overhoeks gelegd, waardoor de aanzet voor een overwelving gesuggereerd wordt. Deze zou gelopen kunnen hebben tot de triomfboog, waarvan de fundering 4 meter westwaarts gevonden werd aan de noordzijde. Voor de triomfboog werden nog aan weerszijden vlijlagen gevonden, waarop een altaar kan hebben gestaan. In het westen van de kerk is niet gegraven, omdat de betonlaag daar reeds gestort was.

De oudst bewaarde rekening van 1752 spreekt van bintwerk in de toren en van vergulden van de haan. Volgens dezelfde bron werd in 1772 een nieuw gewelf over het schip aangebracht. In 1823 kreeg de kerk ‘geheel nieuwe glazen’. Volgens de kerkeraadsnotulen werden kerk en toren in 1876 wit gepleisterd met aan de voet een rand blauw-zwart. De kerk is in 1978 gerestaureerd onder leiding van het bureau ir. P.B. Offringa te Groningen.

Beschrijving

Het kerkje bestaat uit een ondiep schip, dat aan de oostzijde op ongebruikelijke wijze vierzijdig gesloten is. Aan de westzijde staat een vrijwel gesloten toren die in 1915 uitwendig met machinale steen is beklampt, met uitzondering van de oostzijde, die bepleisterd is. Ook het schip was tot 1978 bepleisterd.

Materiaal

Het muurwerk bestaat uit opnieuw gebruikte kloostersteen van 8-8,5 cm dik, 10 lagen ongeveer 100 cm. De binnenzijde van de toren is tot halverhoogte eveneens uit afbraakmateriaal opgebouwd, dat ongeveer hetzelfde formaat vertoont. De bovenste torenhelft bestaat uit kleine rode steen van ongeveer 4 × 20 cm, 10 lagen 51 cm. Ook de vlechtingen in de westmuur van het schip bestaan uit deze rode steen; de westmuur is van afbraak grote steen. De oostelijke top bestaat uit machinale steen. Het gehele muurwerk van de kerk is in een kleine gladde steen verhoogd. Bij de restauratie is de dikke harde pleisterlaag afgenomen. Het bleek dat daaronder een laag witte pleister geweest was met ingekraste voegen en sporen van rode kleuring.

Toren

De toren gaat onversneden op, ook inwendig. Alleen aan de oostmuur is een versnijding waar te nemen van een kop, die zich voegt naar een vroeger aanwezig halfrond tongewelf, dat zich aftekent door de aanwezigheid van een witsellaag. Bij deze sprong valt tevens de overgang naar jonger materiaal waar te nemen. De doorgang naar de kerk beganegronds is halfrond. De halfrond gesloten galmgaten zijn door een kopse sprong omlijst.

Schip

Het ongeveer 67 cm zware muurwerk is aan de noordzijde geheel gesloten, maar bevat aan de zuidzijde en de zuidelijke sluitingszijde vrij brede spitsboogvensters. In de oostelijke sluitingszijden zijn jongere rechthoekige vensters gebroken. De spitsbogige vensters hebben een samengesteld profiel, dat beneden op een teenstukje eindigt, en holgeprofileerde dagstenen en middenstijl-aanzetten. De aangetroffen profielen zijn bij de restauratie gespaard en bepleisterd. De ingang is korfbogig binnen een halfrond gesloten nis en heeft rechte dagkanten.

Inwendig zijn de muren verankerd door trekbalken en muurstijlen, die tot de vloer bleken door te lopen. Onder de meest oostelijke trekbalk aan de noordzijde is het sleutelstuk nog aanwezig. Een gedrukt houten tongewelf op een verbrede voorlijst, rustend op kleine consoles, overspant het inwendige met uitzondering van de meest westelijke travee. De kap bestaat uit rondhout. Op de muurplaat komt het jaartal 1858 voor. In de zuidoostelijke sluitingszijde komt een piscinanis voor.

[p. 342]



illustratie

Afb. 529. Hervormde kerk en toren. Getekend 1981 naar opmeting in 1944 en vondsten tijdens de restauratie.


Bouwgeschiedenis

De gegevens voor de bouwgeschiedenis zijn uit de kerkrekeningen in die zin te lezen, dat bij het kerkje van 1557 in 1752 een nieuwe toren en westmuur moeten zijn gebouwd. De ingang aan de zuidzijde van de kerk zal bij die gelegenheid mede vernieuwd zijn. De in 1823 vernieuwde ramen zullen de nog aanwezige zijn. In 1813 en 1815 zijn grote bedragen verwerkt. De kap en de verhoging van het muurwerk dateren waarschijnlijk van 1858 (jaartal op de binnenmuurplaat).

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een eiken preekstoel met gesneden bladlijst aan de voet en getorste kralen langs de hoeken, xix; op de panelen gietijzeren ornamenten (afb. 534).

Doophek

Sober doophek met gesneden knoppen, xix.

Orgel

Sobere orgelbalustrade waarvan de borstwering in paneelwerk is uitgevoerd. Op de galerij staat een klein orgel in mahoniehouten kabinetvormige kast, xix.

Banken

De banken hebben gezwenkte wangstukken die op goed ambachtelijke wijze aansluiten bij de functie van de bank.

Rouwkassen

Tegen de noordwand drie zeer grote rouwkassen voor de familie Bergsma, uit 1774, 1781 en 1792 (afb. 535, 536, 537). Die van 1774 en 1792 voor het echtpaar Bergsma-Schik hebben een gezwenkte bekroning waarin een zandloper en zeisen zijn verwerkt. De omlijsting en het opschrift aan de voet worden door snijwerk in rococo-vormen omgeven. Opschrift van de eerste kas: ‘Den WelEdelGestrenge Heer Willem Bergsma in Leven Gecommiteerde Staat van Friesland Dijkgraaff ontvanger Generaal en Old Secretarius van Oostdongeradeel etc. Geboren den 7 October 1706 en Gestorven Den 22 Junij 1774 is in de Grafkelder alhier (die zijn Ed. in den Jare 1771 had laten maken) Geset Den 29 junij 1774’.

Het opschrift van de rouwkas uit 1792 luidt: ‘De Wel Geboren Vrouwe Remelia Schik Wed. Wijlen den Wel Edele Gestrenge Heer Willem Bergsma In Leven Gecommitteerde Staat van Friesland Dijkgraaff ontfanger Generaal En Old secretarius van Oostdongeradeel Geboren Den 13 Julij 1714 Overleden Den 16 augustij 1792 En Alhier Bijgeset Den 22 dito’.

De derde kas is veel eenvoudiger en classicistisch van stijl: het halfrond getoogde paneel is gevat tussen pilasters die een kroonlijst met tympaan dragen. Onder de benedenlijst gesneden consoles en een masker tussen draperieën. Opschriften in de lijsten: ‘mdcccxxxi Obiit Den xvii Novem-r’. Onder het wapen Bergsma op een draperie het opschrift: ‘De Welgeboren Vrouwe Lucia Petronella Bergsma Huisvrouwe van den Weledelen Gestrenge Heer Ludolph Reinier Wentholt oldt Gecommitteerde Staat ten Landsdage En Collecteur Generaal der Provincie van Vriesland Oudt in het 31 Jaar’.

Zerken

In de koorsluiting liggen twee roodzandstenen altaarstenen met ingehakte wijdingskruisen.

Zilver

Avondmaalsbeker, 12,5 cm hoog, diam. 9,8 cm, op standring met spiraalband. In de bodem gegraveerd over het meesterteken heen: ‘gemaeckt den 28 april Ao 1687’ (afb. 538, 540). In cartouche gegraveerd: ‘Pieter Bootes Diacon tot Juwswier/Rins van Ripema Predikant tot Oostrum en Juwswier/Geert Pieters Ouderlingh tot Juwswier’. Merken: Dokkum, a van 1652, m in schild, meesterteken onbekend. De datering in de voet moet betrekking hebben op de gegraveerde cartouche.

[p. 343]

Doopschaal, diam. 17,1 cm. Gegraveerde wapens met onderschrift: ‘Sufridus Serenus a Sinnama Praedicant tot Juiswier/Pytter Dircks Oud. tot Juiswier/Jan Swetses Diak. tot Juiswier’ (afb. 539, 541a en b), Merken: Leeuwarden groot keur, jaarletter 1 van 1703, meesterteken Pieter Jilderda.

Bijbel

Op de kansel ligt een Statenbijbel, in 1637 gedrukt bij Paulus Aertsz van Ravensteyn te Leiden.

Klok

In de toren hangt een klok, diam. 80 cm. Opschrift bovenrand: ‘Ao di mocccoxocvo hermanus me fecit in honorē - Sti petri atque oillustratie sillustratierū (omnium sanctorum?) sub dno eliardo’ (vergelijk klokken te Hijlaard 1392 en Jorwerd uit 1404, Vrije Fries 1886).

Pastorie en armhuis

De Schoolmeester weet in 1856 te melden, dat de pastorie in 1818 was gebouwd en juist vergroot. In 1856 had men er een armhuis van drie vertrekken met 17 bewoners.

Overige terpen en de bebouwing daarop

Terpen

In het zuidelijk gebied van Jouswier liggen twee beschermde terpen, één westelijk van Janga State en het Marhiem; dit laatste wordt door Halbertsma als stinswier aangegeven.

Janga State

In 1511 bezit Tijepka Iwingen met Sytthie te zamen 63 pondemaat grond onder Jouswier (r.v.a. 1, 164). In 1543 wordt het goed Jaynge-staeden genoemd en sinds 1578 Janga. Volgens Schotanus-Halma ligt de state in de westelijke hoek van de weg naar Ee en de weg langs de bovengenoemde terp en Marhiem. In de stemkohieren is het goed steeds eigendom van adel en patriciaat geweest.

State

Eernsma

Ten oosten van de weg van Metslawier naar Ee staat de boerderij Eernsma, die Eernsma State of Blauwhuis heeft vervangen (h.s. Andreae-Tuinman en Schoolmeester).

Geschiedenis

Pybe van Eernsma wordt in 1464 genoemd met enige andere grondbezitters, wanneer hij de abt van Gerkesklooster steunt in het terugverkrijgen van grond waarop zij recht hebben (Sipma 1, 173). In 1511 was zijn dochter eigenaresse; zij heet naar haar moeder Tieth Meckema. Het bezit was 110 pondemaat groot en werd bewoond door Juke Eernsma (r.v.a. i, 165). Haar zoon Pybe Feyesz. Meckema werd in 1515 ontslagen van de eed aan de Saksen (Charterb. ii, 318), maar niet van de eed van trouw aan Karel v. Hij ging toen in ballingschap en kreeg als Pybe Eernsma een uitkering van de Bourgondische rentmeester (Rentmeestersrekeningen 1517). In 1541 komt hij voor in de Quaclappen van het Hof van Friesland (Berns 18, yy 3, 169). Ook in het Beneficiaalboek van 1543 komt hij voor, in dit geval als eigenaar van land, eenmaal als Pybe Eernsma en eenmaal als Pybe Meckema. In 1578 blijkt op Eernsma een huurboer te wonen (Berns 54, j i, 189 en Reg. Pers. Impositie).

Pybe komt in 1580 nog wel voor als degene die mede de opgave doet voor Jouswier en het kerkzilver in ontvangst heeft genomen. Reitsma weet te melden dat deze Pybe Feyesz in 1606 gestorven is. Inmiddels moet het om een andere generatie gaan dan in 1515. De laatstbedoelde kan niettemin degene zijn, die hoogbejaard in 1588 Eernsma-sate te Juwswier, groot 85 pondemaat, legateerde aan zijn zoon Philippus van Meckema. Volgens de stemkohieren van 1640 en 1698 was de sate toen 95 pondemaat groot en door huurboeren bewoond. Schotanus noemt de plaats een ‘edele state’ in 1664, maar in 1718 slechts een stemmende plaats.

Thans staat er een 20e-eeuwse boerderij van het stelptype met een verdieping in het voorhuis, een type dat relatie vertoont met Groninger boerderijen.

[p. 344]



illustratie

Afb. 530. De kerk uit 1557 en de toren na de restauratie. Opname 1981.




illustratie

Afb. 531. De kerk en toren vóór de restauratie. Opname 1972.




illustratie

Afb. 532. Kerk en toren van de noordzijde vóór de restauratie. De noordzijde is geheel gesloten. Opname 1959.


[p. 345]



illustratie

Afb. 533. Het inwendige van de kerk naar het westen na de restauratie. Opname 1981.




illustratie

Afb. 534. De 19e-eeuwse preekstoel met gietijzeren ornamenten. Opname 1981.


[p. 346]



illustratie

Afb. 535. Rouwbord voor Willem Bergsma, overleden 1774. Opname 1981.




illustratie

Afb. 536. Rouwbord voor Lucia Petronella Bergsma, overleden 1831. Opname 1981.




illustratie

Afb. 537. Rouwbord voor Remelia Schik, overleden 1792. Opname 1981.




illustratie

Afb. 538. Avondmaalsbeker met jaarletter 1652, in 1687 aan de kerk vermaakt, blijkens onderschrift. Opname 1976.




illustratie

Afb. 539. Zilveren doopbekken uit 1703. Opname 1976.




illustratie

Afb. 540. Onderzijde van de avondmaalsbeker met inscriptie uit 1687. Opname 1976.




illustratie

Afb. 541a. Gegraveerde wapens van Pieter Dirks en Jan Swetses, beide drie klavers en de halve adelaar voerend. Opname 1976.




illustratie

Afb. 541b. Gegraveerde wapens van Pieter Dirks en Jan Swetses, beide drie klavers en de halve adelaar voerend. Opname 1976.