Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 357]

Metslawier

Evenals bij de meeste andere ‘wier’-dorpen ligt ook de woonheuvel van dit dorp slechts weinig hoger dan de omgeving. De ringweg die het langwerpige wierterrein omgeeft is op de oude kaarten van de grietenij duidelijk te herkennen. Op de Schotanuskaart is nog sprake van een zeer schaarse bebouwing, die met name gelegen is aan beide zijden van het noordelijke gedeelte van de ringweg, dat deel uitmaakt van een doorgaande verbinding.

Het kadastrale minuutplan van omstreeks 1830 en de Eekhoff-kaart van 25 jaar later geven aan dat sindsdien de bebouwing vooral binnen de ringweg is toegenomen. Tevens lijken de soorten bebouwing en de bebouwingsdichtheid die nu kenmerkend zijn voor de dorpskom dan al voor te komen: het westelijk deel van het wierterrein is bebouwd met dicht bijeen gelegen woonhuizen, terwijl de ligging van de paden naar de kerk, waaraan een deel van de huizen gebouwd is, een radiaal patroon vertoont.

Het oostelijk deel van het wierterrein is veel minder dicht bebouwd. Ten tijde van het kadastrale minuutplan lagen hier enkele boerderijen, het gedeeltelijk omgrachte terrein van de Unia-state en de herberg, tevens grietenijhuis (Wumkes, ii, 152). De oudst bekende vermelding van het gerecht van Oostdongeradeel waarmee dit dorp de hoofdplaats van de grietenij vormt, komt voor in de Tegenwoordige Staat (217). Het oostelijk deel van het wierterrein wordt tegenwoordig gekenmerkt door een bebouwing bestaande uit het gemeentehuis, enkele grote los van elkaar staande huizen en het omgrachte voormalige stateterrein.

In de loop van de 20e eeuw heeft het dorp zich in westelijke en zuidwestelijke richting met enkele woonwijken uitgebreid.

Aan de noordzijde van het dorp ligt het voormalig stationnetje van Metslawier, dat aangesloten was op de spoorlijn Dokkum-Anjum die van 1912 tot 1936 heeft bestaan. Door de verwijdering van rails en biels is het tracé van de lijn nauwelijks meer in het landschap herkenbaar.

[p. 358]



illustratie

Afb. 555. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 359]



illustratie

Afb. 556. Luchtfoto, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 360]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk ligt te midden van de onregelmatige dorpsbebouwing op een enigszins verhoogd omheind kerkhof. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (akte van 1877; afb. 557, 559-563).

Litteratuur

r.v.a. i, 141; Benef. 153; r.v.g.o. 126; Wumkes i, 296, 298; Van den Berg, Oostdongeradeel, 128; Nieuwsbulletin k.n.o.b. 1971, 95.

Bronnen

h.s. Andreae-Tuinman, gemeente-archief Oostdongeradeel; kerkvoogdijrekeningen 1658-1959 in streekarchief te Dokkum; schoolmeestersaantekeningen 1856, p.b. Leeuwarden.

Afbeelding

Tekening J. Stellingwerf in coll. Fries Museum, Leeuwarden.

Geschiedenis

Uit de vermelding van vicarie-goederen naast personaats- en pastoriegoederen blijkt dat de kerk van Metslawier tot de belangrijke kerken van de grietenij behoorde. De middeleeuwse kerk is in 1776 afgebroken; volgens het contract van aanbesteding van de afbraak was de kerk 90 voet lang en 28 voet breed (Wumkes). Stellingwerf tekent de kerk zes traveeën lang en in het bezit van een forse zadeldaktoren. Enige resten van middeleeuwse vloeren zijn in 1970 tijdens restauratiewerkzaamheden aan het licht geweest. In 1925 is de toren gerestaureerd. In 1962 is de toegang tot de kerk van de noordzijde verplaatst naar de westzijde en is in de twee meest westelijke traveeën een consistoriekamer gebouwd. In 1970 is het interieur hersteld.

Beschrijving

Het gebouw is door lisenen in zes traveeën gedeeld en is aan de oostzijde driezijdig gesloten. In de lange wanden staat per travee een rondboogvenster.

In de westelijke travee is een toren ingebouwd, die aan elke zijde een galmgat bevat en door een scherpe spits bekroond wordt. De toegang was oorspronkelijk in de tweede travee van het westen aan de noordzijde. In een segmentbogig gesloten nis erboven stond een grote steen met geschilderd opschrift betreffende de stichting, bekroond door een wapenschild gehouden door twee leeuwen. In 1962 is de toegang tot de kerk naar de westzijde van de toren verplaatst en is de steen mede verplaatst. Het opschrift is destijds, daar het slecht te lezen was, niet weer aangebracht.

In 1856 noteerde de Schoolmeester aldus: ‘En zoo vindt men een grooten steen boven den ingang (de kerk heeft één ingang, en wel op het westeinde aan de noordzijde). Boven op deze steen rust een kroon, ter weerszijden gesteund door twee leeuwen, waartusschen twee velden met eenen verschoten kleur, en hieronder een gedeelte van een rood fluwelen kleed, met gouden boord, hetwelk een weinig over een voetstuk hangt, dat op den steen rust. Aan de zijden van den steen neerhangend loofwerk. 't Geschrift op dezen steen is als volgt:

In den jare 1776 op den 13 Junij is de eerste steen gelegd aan deze kerk in den naam van den Hoog-Welgeboren Heer J.H. Goeddaeus, regter in civile en criminele zaken Dijkgraaf en Vendumeester van Bourtange, Wedde, Nieuwe Pekel A en verdere onderhorige dorpen en Fortressen in Westwoldingerland, etc. etc. in derzelver Echtgenoote, de Hoog Welgeboren Vrouwe J.A. van Burmania, bezitterse der Fideicommissaire goederen van wijlen Zijne Excellentie J.G.C. van Burmania in leven Generaal van de Infanterie, Generaal Quartiermeester, Kolonel van een Regiment te voet, Gouverneur van Sluis in Vlaanderen, Intendant van den staat, etc. etc. alsmede Opperhofmeester van wijlen Hare Koninklijke Hoogheid Mevrouw Anna Prinsesse Douariere van Oranje en Nassau etc./door/Gosling Lourens Kamerbewaarder van de Edelmogende Heeren Staten van Vriesland en Administrateur van de voormelde vastigheden;/ten overstaan van:/den Hoog Welgeboren Heer Jr. J.H.U. van Burmania Grietman en Oostdongeradeel/ besteed en opgebouwd/onder besturing van den Wel Geboren Heer H.H. van Wijckel, Secretaris van het collegie der Edel Mogende Heeren Gedeputeerden Staten van Vriesland; Gosling Lourens. Dom: J.J. Florison waardig leeraar in de Gemeente/Jezu Christi te Metslawier en Niawier, Hans Meinarda Not:Publ: Fiscaal en Collecteur Generaal van Oostdongeradeel en Dirk Jacobs, Kerkvoogden van Metslawier tot deze kerkbouw Speciaal gecommiteerd/1834’.

Deze tekst is in 1981 op de steen geschilderd.

Aan de koorsluiting is een steen herplaatst met opschrift: ‘Ao 1570 op Alderheilige dach s avens is het water hier in der kerkcke hoech west 1 voet en sijn fardronken in deze grietenije 1801 mensken’ (afb. 561).

[p. 361]



illustratie

Afb. 557. Hervormde kerk en toren. Plattegrond. Getekend 1981 naar opmeting 1974.


Inwendig

De torenwanden zijn beganegronds door drie rondbogen op de schipruimte geopend geweest. De ruimte wordt overdekt door een tongewelf op smalle voorlijst boven de trekbalken. In 1886 waren gewelf en balken blauw geschilderd; bij de restauratie van 1970 is deze kleur weer aangebracht.

Inventaris

Preekstoel

De kerk bezit een preekstoel uit de bouwtijd, met trap, achterschot en klankbord; in 1926 is deze afgeloogd. Elk paneel van de kuip is versierd met een sober gesneden festoen en vaasornament. Bijbehorend doophek van paneelwerk (afb. 563).

Orgeltribune

Orgel in kas op een eenvoudige tribune van paneelwerk. Het orgel dateert van 1908 (afb. 563); in 1856 vermeldt de Schoolmeester dat er geen orgel is in Metslawier.

Bank

Aan de oostzijde staat een herenbank met gesneden kuifstuk waarin wapenschilden (afb. 565). Tijdens de restauratie in 1970 kwam een briefje te voorschijn waarop stond ‘S (monogram m.v.?) I 1777 den 26 mayus’. Op de bank was een koperen plaatje bevestigd met inschrift: ‘jkvr. Sjoukje Oldersma Heringa van Haersma de With 1828-1887’.

Zerken

Ten westen van de preekstoel in het middenpad ligt een zerk voor Fokko van Ropta. In de hoeken wapenmedaillons met uitgekapte wapens. Op de zerk is een veld gevormd, waarvan de zijden uit kolommen met François-I-kapitelen bestaan. In het veld alliantiewapens onder helmteken met wrong; helmteken uitkomende leeuw. Het mannelijk wapen gehouden door een vrouw is gedeeld; rechts een halve adelaar, links onleesbaar. Het vrouwelijk wapen wordt gehouden door een hond of leeuw en draagt drie rozen, twee en een; onder de wapens een liefdesknoop; onder het veld ‘1543’. Randschrift: ‘Ao .5.2 den 4 iulii/sterf dē...en̄... Focko vā... Ropta/Ao... den 24 junij sterf... Graets Ropta dochter va Eysingha’.

Voor de preekstoel grote zerk voor Worp van Ropta en Wick van Abinga (afb. 568). In een aedicula gedragen door hermen zijn de alliantiewapens Ropta-Eysinga en Aebinga-Iepma afgebeeld geweest; op de kroonlijst nissen met in het midden Caritas, geflankeerd door putti met doodshoofden. In de hoeken cirkels met alliantiewapenschilden.

Randschrift: ‘Ao 1551 de 28 novēb/ sterf de (edel en̄ vest) Worp v Ropta Keyer mat oldermā(in) Dockum/Grietmā ī Dōgerdel zc Ao/1534 de 3 iulij/sterf (iuff) Wyvc vā Abinga/’.

Onder de alliantiewapens ‘Anno. 57’. Onder de hermen de letters h en g. Bij de kwartierwapens de namen: ‘Ropta-Bolta’, ‘A(ebinga)-Iepama’, ‘Ey(sin) ga-...’, ‘Me... Uma...’.

Onder de aedicula het opschrift: ‘Anno 15(35?) de 10 martij sterf die... Siouck Tiarda vā Starckēburch haers olderdōs 31 dhuisfrō vā Pibo de Meckemas Hovelinck (zu) Collū/sterf Ao 1549 dē 1 Martij zȳs olderdō 54 tot Brussel... Goelcke/Kercke begrawe nalatende (2) zoen(s) Sippio en̄ Feyo’. Daaronder twee stel alliantiewapens opgehangen aan ringen met daarboven de namen: ‘Meckema’, ‘(E)risma zu iusme... Bolta... zu Collū’.

Voor de preekstoel grote portretzerk voor Christ. van Sternsee en Kunera van Ropta (afb. 566). Zij zijn afgebeeld liggend met gevouwen handen binnen een half-cirkelvormige schelpnis; erboven de afgekapte alliantie- en kwartierwapens. In de hoeken leeftijdskoppen. Boven de kwartierwapens de namen: ‘Dolocher, Hagen, Eisinga, Mokema’; ‘Sternsee, Sigesdorf, Ropta, Abinga’. Randschrift: ‘Hier ist dbegronus der... (ed le) und (Gestreng her) Christof v̄ Sternsee (K.M. Hauptmā u. Dros) zu Harli/gē starf Ao 1560

[p. 362]

dē 1 febru: Hie ist die Begro/nus der (edle? F)rau Kunera v̄ Sternsee en dochter v̄ Ropta starf Ao 1555 d̄ 5 martz’.

Onder de liggende figuren opschrift: ‘Anno 1637 den 4 january is gesturven den/... Bocke van/Sternsee out 64 iaer en leit alhier begraven / Anno 1641 den 20 aprilis sterf de... / ... Catharina van Heerma syn huis/frou out in haer 63 jaer en leit hier begraven’.

Tekstborden

Vier tekstborden met gesneden ornament, xviii.

Rouwbord

Classicistisch rouwbord, segmentvormig beëindigd en bekroond door twee flambouwen en een vaas; op de hoeken zandloper en doodshoofd (afb. 564). Op de lijst opschrift: ‘mdcclxxxxiii Obiit den 26 Juny’. Op het veld het wapen Bergsma, door ornament omlijst. Opschrift: ‘Den Hoog Edele gestrenge Heer en Maester Johannes Casparus Bergsma in leven Grietman over Franekeradeel. Gecommiteerde Staat van Friesland en het Mindergetal Dijkgraaf en Ontfanger Generaal van Oostdongeradeel Geboren den 16 october 1716 en Overleeden den 25 Juny 1793’.

Een tekening van A. Martin in het Fries Museum geeft een andere tekst. De Schoolmeester van 1856 vermeldt boven weergegeven tekst. De lijkkist van mr. J.C. Bergsma bleek bij opening van het Sternseegraf in 1915 aldaar te zijn bijgezet.

Zilver

Avondmaalsbeker, 13,5 cm hoog, diam. 10,3 cm, op standring met touwband. Opschrift: ‘De Diakenie van Metselwier 1668’, en gegraveerde voorstelling van de verdeling der broden. Merken: Dokkum, r van 1668, meesterteken Hendrik Jansen Sypma. Zie Voet, 120 (afb. 567).

Kannetje van wit aardewerk, 26 cm hoog, met zilveren deksel waarop gegraveerd: ‘Diaconie Kantie van Metselwier 1677’. Geen merken te vinden (afb. 570, 571). Doopschaal, diam. 25,2 cm. In de rand gekroond alliantiewapen. Op de onderzijde is gegraveerd: ‘Cornelis Bosman Secretaris ende ontfanger van Oostdongeradeel Schriever van een Compagnie Caveleri ende juffrouw Aurelia van Wykel echte luiden 1677’.

Merken: Dokkum, e van 1677, meesterteken Hendrik Janssen Sypma. Zie Voet, 120 (afb. 569).

Klok

In de toren hangt een klok, diam. 100 cm. Opschrift: ‘Petrus Overney me fecit Leoverdiae aan des Heeren Segen ist al gelegen 1711; Theodorus Crans Predicant tot Metzelwier Dirk van Tuinen Secretarius van Oostdongeradeel’; en: ‘Ulbe Baron van Aylva Grietman over Oostdonger’ als randschrift rond wapen Aylva.

Windvaan

Op de oostelijke nok is een windvaan waarin het wapen van Oostdongeradeel is uitgezaagd.

Pastorie

Het gebouw ten westen van het raadhuis is in 1835 als pastorie gebouwd, blijkens een stichtingssteen in de zijgevel: ‘Frederik van Haersma/de With/oud 3 jaar heeft op 17 mei 1835 den Eersten/steen aan deze Pastorij/gelegd’. De kadastrale minuut geeft hier nog een lang, smal gebouw weer. Thans heeft het huis de klassieke 19e-eeuwse pastorieplattegrond met ingang in het midden, vertrekken aan weerszijden en een dakkapel boven de ingang.

School en schoolhuis

De ‘Schoolmeester’ deelt in 1856 mede, dat de school ‘luchtig en doelmatig’ is, doordat er een gewelf in het gebouw is (vgl. schoolgebouw Ferwerd, Ferwerderadeel, 98). De onderwijzerswoning was ‘niet onaanzienlijk’ en dateerde uit 1770. Blijkens de kadastrale minuutkaart en de bijbehorende Aanwijzende Tafels stond de school tegenover de kerktoren op de oostelijke zijde van het pad, dat naar de ringweg voert, thans Master fan Loanstrjitte genaamd. De school staat niet meer ter plaatse; het schoolhuis aan de overzijde van het pad is nog aanwezig en draagt in de noordelijke topgevel een jaartalsteentje 1770 (vgl. Kerkbuurt).

Armhuis

Van der Aa (vii, 854) vermeldt, dat men in 1837 een huis heeft ‘aangeschaft’ om in te richten tot opneming en verpleging van behoeftigen. Het moet aan het Skipfaertsein gestaan hebben.

Gemeentehuis

Ten noordoosten van de kerk staat het gemeentehuis van Oostdongeradeel (afb. 576).

Litteratuur

Wumkes ii, 152, 408.

Bronnen

Schoolmeesteraantekeningen 1856, p.b. Leeuwarden; Gemeenteverslag over 1876, gemeente-archief Oostdongeradeel.

Geschiedenis

In 1876 wordt het afbreken van het bestaande en het bouwen van een nieuw gemeentehuis

[p. 363]

met herberg te Metslawier aanbesteed (Wumkes 408). De Schoolmeester vermeldde in 1856 al dat het gemeentehuis, tevens logement, ‘oudachtig’ was. Het lag volgens hem aan het oosteinde van de buurt met een plein ervoor en had drie vertrekken en slechts één verdieping, dat wil zeggen slechts een begane grond. Dit gebouw staat aangegeven op de kadasterminuut. De situatie met een plein, begroeid met hoog hout, is nog aanwezig. Het gebouw had in het midden twee ingangen naast elkaar; deze werden in 1904 verenigd tot een grote dubbele deur onder een rondboog.

Het gebouw werd ontworpen door bouwkundige E. Helder te Aalsum en gebouwd onder opzicht van gemeente-architect D.W. Booijenga door aannemer J.K. Kals uit Ureterp. De stalling van het afgebroken pand werd gespaard en grenst met de achtergevel aan de Kerkbuurt.

Gebouw

Het blokvormige pand is zes traveeën breed en heeft een lage, deels vlak gedekte kap. De gevel, die in het midden zeer weinig vooruitspringt, is gevat tussen gepleisterde hoeklisenen en horizontaal verdeeld door een forse gepleisterde lijst tussen de verdiepingen en één onder de goot. De vensters van de begane grond zijn alle halfrond gesloten; langs deze sluiting loopt een gepleisterde lijst, die de vensters onderling verbindt. De verdiepingsvensters zijn geheel omlijst door een gepleisterde lijst en bekroond door ‘architraven’. Deze vensterdetails maken een oudere indruk dan 1876 en lijken geïnspireerd op de stijl van Th. Romein in de jaren veertig (vergelijk de ‘architraven’ die in het bestek van het huis Witteveen worden beschreven). Wel eigentijds is de tegenstelling van pleisterwerk met bakstenen muren.

Overige bebouwing in het dorp

Tsjerkebuorren (Kerkebuurt)

Rond de kerk van Metslawier is een ‘kleinschalige’ bebouwing gegroepeerd. In de jaren 1967-69 is een begin gemaakt met herstel van de individuele panden onder leiding van het architectenbureau A. Baart jr. te Leeuwarden; later is dit werk overgenomen door gemeentewerken van Metslawier.

Wanneer men de kadastrale minuutkaart vergelijkt met de tegenwoordige, blijkt dat de indeling van de buurt en de grootte van de panden ongeveer gelijk gebleven zijn. Toch is slechts een zevental nummers onveranderd, te weten de westelijke bebouwing van het pad van de toren naar de Master fan Loanstrjitte en dezelfde zijde van het pad dat van het koor van de kerk naar die straat loopt (afb. 578). De noordelijke topgevel van de eerstgenoemde serie woningen draagt een jaartalsteen 1770. Dit pand was in 1832 een schoolhuis (zie hierboven; afb. 580).

Het gave karakter van het dorp wordt voornamelijk bepaald door het feit, dat bijna alle woningen in de kern een zadeldak tussen topgevels hebben; aan de buitenste straat hebben zij veelal de ingang in het midden van de lange gevel en een dakkapel daarboven. In de Kerkbuurt is de ingang minder benadrukt. De venster- en deurpartijen zijn bij de restauratie merendeels vernieuwd; verscheidene huizen hadden ook voordien de zesruitsvensterindeling behouden (afb. 588).

B. Bekkerstrjitte 17 (B. Bekkerstraat)

Ten oosten van het gemeentehuis staat de grote stelphoeve Oldersma Sate, waarvan het woongedeelte onderkelderd is (afb. 585-587). In de vleugelmuren naast het woongedeelte is een stichtingssteen geplaatst met opschrift: ‘Sjoukje Oldersma/Heringa van Haersma/de With oud ii jaren/heeft den 17 junij 1839/den eersten steen/aan/dit gebouw gelegd’. Boven de geblokte kroonlijst was voorheen een dakkapel met fronton (Voorl. Lijst); deze kapel is nog zichtbaar in het verloop van het grote met pannen gedekte voorschild. De ingang, langs een stoep bereikbaar, is omlijst; in het bovenlicht een paard en een koe. De achtergevel aan de Kerkbuurt heeft twee door roeden in kleine ruiten gedeelde vensters en het jaartalanker 1839. Deze boerderij vervangt, zoals de kadastrale minuut aangeeft, een kop-hals-rompboerderij, die met het vooreind naar het zuiden, richting Wibalda State was gericht.

B. Bekkerstrjitte

Westelijk van het raadhuis en de voormalige pastorie staat eerst een serie van drie aaneengebouwde woningen, die op de kadastrale minuut reeds voorkomen, en waarvoor een uit de rooilijn springend terrein lag. De begrenzing van dit terrein geeft de oorspronkelijke rooilijn aan, die mede bepaald is door de begrenzing van het terrein van het huis Bosman (zie aldaar).

B. Bekkerstrjitte 5

Westelijk daarvan ziet men op de kadastrale minuut een pand met een voorgebouwd gedeelte, dat volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel van het kadaster aan de

[p. 364]

kastelein toebehoorde. Dit was dus ook een herberg in vorm vergelijkbaar met het pand van de Gouden Klok te Holwerd. Op een tekening van D.H. Andreae (later door I. Wiersma hertekend, verblijfplaats onbekend) (afb. 578), is het pand afgebeeld. Het thans aanwezige lage witgepleisterde gebouw kan een overblijfsel daarvan zijn (afb. 577). De topgevels terzijde zouden dan vervangen zijn door het lage schilddak en de uitgebouwde middenbouw, die door Wiersma-Andreae te groot wordt weergegeven, zou gereduceerd zijn tot de grote dakkapel en de tweemaal twee dunne pilasters aan weerszijden van de voorgevel. Blijkens de vormgeving heeft de wijziging of de herbouw rond 1840 plaatsgevonden.

B. Bekkerstrjitte 9

Oostelijk van het raadhuis staat een gepleisterde villa met verhoogde middenpartij, die voor de eerste burgemeester na 1848 gebouwd zou zijn, Jan Heringa van Haersma de With. Het pand komt nog niet voor op de kadastrale minuutkaart en zou in concurrentie met het plan van mr. Witteveen ontstaan kunnen zijn.

Master fan Loanstrjitte 25 (Meester van Loonstraat) voorheen Wibaldastate

In de bocht van de Meester van Loonstraat staat thans als woonhuis het vooreind van de op de kadastrale minuut getekende kop-hals-rompboerderij, toen eigendom van J. Reiding, landbouwer te Wierum. De boerderij werd in 1846 verkocht aan Rijpstra, afkomstig van Buwaldastate. De schuur werd in 1906 afgebroken. De boerderij zou op de plaats staan van de voormalige Wibaldastate. Het overgebleven gedeelte betreft het klassieke type van lang voorhuis met een kelder in het midden, waarboven oorspronkelijk de bedsteden waren.

In de voortopgevel staan evenals in de langsgevel zesruitsvensters (afb. 582).

Geschiedenis Wibalda

In de 15e eeuw was Jucke Wibalda te Metslawier een van de ondertekenaars van de zoenbrief tussen Vetkopers en Schieringers (Worp van Thabor iv, 68, naar Charterb. i, 450). Jonge Juck speelt een rol in de strijd tegen Jongema van Rinsumageest en wordt aldaar in 1474 op Tijaardahuis opgesloten. In 1511 is volgens het Register van Aanbreng Sijbren Wijbaldus pachter van 108 pondemaat land waarvan Sippe Meckema eigenaar is. Nog in 1582 waren de Meckema's eigenaar van een sate bewoond door een Wijbalda (Berns 54, ji, 49). De stins die hier denkelijk gestaan heeft, werd in 1511 al niet meer bewoond door een edelman of was toen reeds afgebroken.

Master fan Loanstrjitte 33, voorheen Aldhuistra

Voorbij de bocht staat aan de oostzijde een grote boerderij van het kop-hals-romptype met lang voorhuis waarin zesruitsvensters. De boerderij komt in deze vorm reeds voor op de kadastrale minuut van 1832 en is dan eigendom van U. van Burmania te Anjum.

Geschiedenis Aldhuistra

Als eerste vermelding in het Register van den Aanbreng van 1511 is vermeld Aeltije Auld Hustma die 80 pondemaat pacht van Onna Aesgama, uit welk land de priesters een rente ontvangen (r.v.a. 141). In 1580 wordt die rente opnieuw vermeld: ‘Uut Oldehustra sate’ (r.v.g.o. 126). In 1543 was Gerrit Wijtsma eigenaar en in 1640 wordt de sate door de eigenaar Pijbe van Wijtsma bewoond. De Wijtsma's waren katholiek gebleven en komen dus niet in het stemkohier voor. Zij waren geparenteerd aan de Unia's, Carel van Unia was gehuwd met Allegonda Roelantsdr. van Achelen, zodat mogelijk de in 1590 te Metslawier genoemde Roeland van Achelen, gehuwd met Womck van Mockema, op Aldhuistra gewoond heeft (Berns 18, yy 18,80). Ook Eelcke van Mockema, die in 1578 in het Register van de Personele Impositie genoemd wordt te Metslawier, zal hier gewoond hebben.

Roptawei (Roptaweg)

Aan de noordzijde van het dorp staan aan de Roptaweg twee in een ruim terrein vrijstaande panden, het notarishuis uit omstreeks 1860 (afb. 583) en een boerderij met dwars voorhuis.

Roptawei 10

Dit pand vormt de laatste uitloper van de bebouwing van het type van die in de Kerkbuurt en B. Bekkerstraat (afb. 583). Evenals enige panden langs de laatste straat heeft ook dit pand een zadeldak tussen topgevels met schoorstenen en de ingang in het midden van de langsgevel, met daarboven een kleine dakkapel.

Tussen de B. Bekkerstraat en de Meester van Loonstraat ziet men op de tekening van Andreae nog de grote stelpboerderij, waarvan het voorhuis in de 20e eeuw als café herbouwd is en waarvan de deel nog als eetzaal gebruikt wordt.

Skipfaersein (Einde van de opvaart)

Deze straat heet naar het einde van de opvaart, dat zich in de knik van deze straat bevond en waarbij enige schippers woonden.

Skipfaersein 9

Ook het pand nr. 9 komt op de kadastrale minuut reeds voor als een kleine boerderij van het kop-hals-romptype. Het voorhuis is met de verhoging van de weg meegebouwd, waardoor de vensters van het voorste vertrek hoger staan dan die van het achterste; daartussen een laag venster van de huishoudkelder (afb. 589).

[p. 365]

Voormalige states in het dorp

Unia State

Direct ten oosten van de kerk bevindt zich op de kadastrale kaart een vierkant omgracht terrein, waarop een rechthoekige opstal staat, die dan eigendom is van Ulbo van Burmania te Anjum.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf in coll. Fries Museum te Leeuwarden (afb. 572).

 

Van Burmania bezat in 1832 ook de oostelijk van het omgrachte terrein, binnen de ringweg gelegen boerderij en verder oostwaarts de nu nog bestaande boerderij van het kop-hals-romptype buiten de ringweg, die daar thans Meester van Loonstraat heet. Verder oostwaarts is in 1832 bovendien veel land in handen van Van Burmania, tot ongeveer de knik in de weg naar Jouswier-Ee. Te Metslawier heeft dus een situatie bestaan van een state in de onmiddellijke nabijheid van de kerk en binnen de ringweg van de terp (vgl. Engwierum, Hallum, Ternaard). De kaart van Schotanus geeft bij het centrum van Metslawier de naam Wibalda; Eekhoff plaatst deze ook dicht bij het centrum en geeft bij de meeste oostelijke boerderij de naam Aldhuistra. De Schoolmeester van 1856 spreekt van Uniastate ten oosten van het kerkhof, door een gracht omringd en met een stenen poort naar de schipvaart; schuin daartegenover had men volgens hem Wibalda ‘met een heerlijk plantage’ en bewoond door Dirk Jacobs. De laatste komt niet voor in de ‘Aanwijzende Tafels’ van 1832 en is dus pachter of huurder geweest.

Stellingwerf tekent in 1723 een state met een houten brug over de gracht, die volgens hem behoorde aan Julius van Unia. Het door Stellingwerf getekende huis kan overeenkomen met hetgeen de kadastrale minuutkaart weergeeft op het omgrachte terrein ten oosten van de kerk. Onder de stenen poort, waarover de Schoolmeester spreekt moeten dan hekpalen verstaan worden.

De dochter van Julius van Unia verkocht in 1739 een huis waarin zij zelf woonde aan Jarich Georg van Burmania op Holdinga State te Anjum. Jarig Georg testeert in 1745 aan Gemme Onuphrius van Burmania (Berns 20, eee 9 f 145vo), in wiens nalatenschap (ib. f 176) voorkomt een ‘hornleger en Oud Heeren Huijs te Metslawier, mitsgaders een schuur, twee hoven en een hoveniershuisje’. Dit huis kan het door Stellingwerf afgebeelde zijn, dat er met zijn twee evenwijdige daken, trapgevel en aan een zijde nog een pinakel, vroeg 17e-eeuws uitziet. Het huis zal in 1771 afgebroken zijn, toen er boelgoed gehouden werd van de bouwmaterialen van het afgebroken huis van freule Van Burmania te Metslawier (Wumkes i, 263).

Overige voormalige states in het dorp

Jaarsma

Een Jarich Jarixma, woonachtig te Metslawier, is arbiter in een geschil in 1417 (Sipma i, 23). Mogelijk is hij verwant aan R. Jarichsma, die in 1390 grietman in Dongeradeel is (ib. 1, 5). In 1468 wordt Pybo Jaddez. genoemd (ib. i, 196), die dezelfde zal zijn als ‘Pibo Jaddesoen hoveling to Mitzlewier’, die in 1491 het verbond met de stad Groningen ondertekent (Pax Gron. 43, 47, 48). Jaarsma-hornleger komt dan in de 17e eeuw eerst weer in de stukken voor als de kinderen van Douwe van Aylva het goed verhuren. Ook in 1698 komt het onder deze benaming voor, als de kinderen van Hobbe Esaias van Aylva ditzelfde doen. De laatste is gehuwd geweest met Juliana Dorothea van Unia, die in 1739 haar huis, waarop zij woonde, verkocht aan Jarich Georg van Burmania. Naar haar wordt het huis dan later genoemd (zie Unia-state).

De Aylva's waren door koop in 1639 eigenaar geworden. Verkoper was de secretaris van de grietenij, de in de geschiedenis van de Friese schilderkunst bekende Marcus Verspeeck, die zich als eerste door de sinds kort uit Italië en Frankrijk teruggekeerde Wijbrand de Geest in 1621 heeft laten portretteren (A. Wassenbergh, De portretkunst in Friesland in de 17e eeuw, Lochem 1967, afb. iii en afb. op stofomslag). Hoe Verspeeck, over wiens als een meteoor stijgende en snel weer vergane welstand A. van der Minne schreef (Vrije Fries 1941, 44-51), aan het huis kwam, is niet bekend. Hij was gehuwd met Elisabeth Gilbertsdr Forbes uit Dokkum, die mogelijk erfgename van het huis was. Bij de koop in 1639 wordt het goed omschreven als Jaarsma-sate of -state met een ‘cleijn huijs ende twe hiemingen’ (Berns 56, m 2 f.208). De bijzondere ligging van Jaarsma-state op de terp (zie Unia-state) legt nadruk op de functies van de Jarichsma's en maakt het waarschijnlijk dat ook Riurd, de grietman uit 1390 er gewoond heeft. De zuidelijk van Wibalda gelegen boerderij, die op de kadastrale minuut de vorm van

[p. 366]

een kop-hals-rompboerderij heeft, moet later Jaarsma geheten hebben; mogelijk was zij gebouwd op een der boven vermelde hiemingen. In 1832 was de boerderij tevens bezit van U. van Burmania.

Huis Bosman

Tegenover het gemeentehuis stond het huis Bosman, in 1674 gebouwd voor secretaris Bosman.

Litteratuur

Van der Aa, vii, 854.

Bronnen

h.s. Andreae-Tuinman; aantekeningen schoolmeester 1856, p.b. Leeuwarden.

Geschiedenis

De Aanwijzende Tafels bij de kadasterminuut van 1832 geven aan dat het omgrachte terrein aan de noordzijde van het dorp ‘plaisierwater, tuin, gracht en singel’ vormt in eigendom van grietman Daniel de Blocq van Haarsma de With. De twee gebouwen aan de weg zijn een woonhuis en een wagenhuis. Tegen de zuidelijke begrenzing van de gracht en over de weg die evenwijdig aan die gracht noordwaarts leidt, staan huis en broeibakken van de heer De Blocq. Ook het latere raadhuis staat daarin aangegeven als eigendom van grietman De Blocq. Volgens Andreae werd het huis in 1839 door De Blocq verkocht aan de opvolgende grietman S. Baron van Heemstra; deze werd later Commissaris in Zeeland en wegens familieveten werd het huis spoedig daarop afgebroken. De Schoolmeester vermeldt dan ook ‘het voor korte jaren afgebroken slot’. Mogelijk heeft hierop de advertentie van 1850 betrekking, waarin verkoop op afbraak wordt aangekondigd van een buitenplaats te Metslawier (Wumkes ii, 237). In 1818 was korte tijd Joh. Casp. Bergsma eigenaar.

Over het uiterlijk van het huis worden we enigszins ingelicht door Van der Aa, die vermeldt dat het huis van de grietman groot en wit was en van verre zichtbaar. Dat moet dan het blokvormige pand geweest zijn dat volgens het kadastrale plan aan de weg tegenover het raadhuis stond. Dit zou in de 17e eeuw gebouwd zijn en verving blijkens de situatie een ouder pand binnen de gracht en singel.

Huis mr. Witteveen

In de litteratuur is een plan bekend voor een opvallend luxe ‘villa’ voor mr. F. Witteveen, notaris te Metslawier.

Litteratuur

C. Boschma, Thomas Romein, een classicistisch bouwmeester in het Friesland van de 19e eeuw, in: Opus Musivum, Assen 1964.

Tekeningen en bestek

Twee tekeningen en het bestek uit 1841 voor het te bouwen huis berusten in het Fries Museum (afb. 574-575).

Bron

h.s. schoolmeester, 1856, p.b. Leeuwarden.

Geschiedenis

De kadastrale minuut en de bijbehorende Aanwijzende Tafels geven aan dat een terrein westelijk van de tegenwoordige Meester van Loonstraat tot aan de Roptaweg aan mr. Witteveen behoorde. Aan deze weg stond een veelhoekige kleine opstal, ‘het zomerhuis van mr. Witteveen’. De tekening van D.H. Andreae geeft daar een tuinkoepel, waarachter een huis met een grote klokvormige Vlaamse gevel voor de kap, die tussen twee topgevels is gevat (afb. 578). De schoolmeester spreekt in 1856 van de boerderij van mr. Witteveen achter een fraai aangelegde tuin. Mr. F. Witteveen is dan echter reeds overleden (Wumkes ii, 211) en in 1845 opgevolgd door zijn zoon Jouwert. Gezien dit sluitende geheel moeten we aannemen, dat het huis voor mr. F. Witteveen nimmer is gebouwd en dat daarom de tekeningen en het bestek bewaard zijn gebleven. Het overlijden van de bouwheer zal hiervan de oorzaak geweest zijn.

Beschrijving

Op het uitzonderlijk plan met de halfronde ingangspartij, waarvoor een op zuilen rustend balkon van de verdieping bescherming gaf, is door Boschma reeds gewezen. Ook overigens had het huis diverse luxe details. De zijpartijen van de voorgevel waren ontworpen met dubbele pilasters op de hoeken en tegen het middenrisaliet. Boven de vele vensters van de voor- en zijgevels moesten architraven komen. De toegang tot het balkon werd gevormd door lichtkozijnen met boven het kalf halfronde lichtramen en eronder een deur. De gevels moesten aan drie zijden bekroond worden door een kroonlijst met tesamen zestien consoles. Boven de voorgevel kwam een balustrade. Alle gevels moesten gepleisterd worden. Inwendig gaf het ontwerp een lichtkoepel boven het trappehuis en bogen tussen de vestibule en de gang, dus op het bordes van de trap.

[p. 367]



illustratie

Afb. 558. Fundering van het poortgebouw en de walmuur van Ropta State. Getekend 1982 naar opmeting r.o.b. 1962.


Terp

Behoudens de dorpsterp kent het gebied van Metslawier slechts een andere terp te Halfweg aan de weg naar Niawier, een verhoogde woonplaats uit de 12e/13e eeuw.

Ropta state

Ruim een kilometer ten noorden van Metslawier lag Ropta State (afb. 590-595). Op het terrein staat sinds het einde van de 18e eeuw de korenmolen Ropta. Het terrein is eigendom van de Friesche Maatschappij voor Landbouw, die er sedert 1962 een aardappelveredelingsbedrijf exploiteert; op oudere foto's ziet men een boerderij met dwarsgebouwd voorhuis, die nog niet op de kadastrale minuut voorkomt.

Litteratuur

r.v.a. 1, 142; A.M. Wijbenga, Ropta, syn mounle, syn skiednis, Dokkum 1937; H. Halbertsma, De slotpoort van Ropta State te Metslawier Friesland, in: Berichten r.o.b. 1962-63, 336-345.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf 1722, coll. Fries Museum Leeuwarden.

Geschiedenis

Ropta State wordt als een van de weinige states aangeduid op de provinciekaart van J. van Deventer uit 1545.

Volgens het Stamboek zou Focke van Ropta omstreeks 1420 op Ropta te Metslawier gewoond hebben. Met verscheidene andere hoofdelingen sloot hij in 1444 een verdrag van vrede met de stad Groningen (Pax Groningana 10). Kensk, de vrouw van zijn zoon Sybren, wordt vermeld in het testament van Tyemck Wibren Boutsmadr. uit 1484 (Sipma i, 336). Sybren zal vóór 1511 overleden zijn, want in dat jaar geeft zijn zoon Focke de goederen aan, groot 185 pondemaat, met zijn twee pachters, waarvan Tiepka ‘op den burch’ heet te wonen. Focke was gehuwd met Graets van Eysinga. Worp Fockes werd grietman over Oostdongeradeel en was blijkens zijn portret uit 1542 in 1504 geboren (afb. 593). Kort nadat zijn beide ouders in 1512 overleden waren werd Ropta-huis door de Saksische troepen bezet. Bij zijn tweede vrouw Anna, een natuurlijke dochter van stadhouder Georg Schenk van Toutenburg, had Worp één dochter, Cunera, die huwde met Christoffel van Sternsee, drost van Harlingen en grietman van Barradeel (overl. 1560). Zij resideerden meestal te Harlingen, waar een grafzerk voor hen ligt, doch ook in de kerk van Metslawier ligt een zerk voor hen, waaronder ook haar ouders begraven zijn. In 1578 wordt hun zoon Carel van Sternsee als inwoner van Metslawier vermeld (Reg. van Personele Impositie). Hij was gehuwd met Luts van Camminga, en daar zij kinderloos bleven vermaakten zij Ropta State in 1615 aan Bocke van Humalda, mits deze zich Van Sternsee ging noemen. Diens zoon Carel van Sternsee is dan ook in 1640 eigenaar-bewoner van de state en van ‘Klein Ropta’, de noordelijk van de state gelegen boerderij. Na de dood van zijn weduwe Ava van Gramaye vererfde Ropta aan hun dochter Theodora Louisa, die er volgens het stemkohier in 1698 nog woonde met haar echtgenoot Johan de Wolf. Deze wordt door Stellingwerf dan ook als eigenaar genoemd. De Wolf was katholiek gebleven. Na zijn dood droegen de erfgenamen in 1731 een pakket hornlegers (en dus stemmen) over aan Jarich Georg van Burmania, grietman van Oostdongeradeel (Berns 56, q 15 f 297 vo). Een andere akte (Berns 55, i f 227) vermeldt, dat Jarich Georg de state verkreeg door ze te kopen van Juliana Dorothea van Unia.

[p. 368]

De floreenkohieren noemen in 1738 Mevrouw Van Unia als eigenaresse en in 1748 als eigenaar-bewoner G.O. van Burmania, een broeder van Jarich Georg, generaal bij de infanterie en opperhofmeester van de stadhouder. Kort daarna zal het huis afgebroken zijn. De poort bleef volgens Wybenga tot 1769 in stand.

Het huis

De tekening van Stellingwerf geeft het huis weer als een blokvormig gebouw tussen trapgevels, bekroond door schoorstenen en gelegen op een door een vlakke brug bereikbaar terrein; op de brug staat nog wel een homei met een wapen geflankeerd door twee liggende leeuwen. De regelmatige indeling van het huis maakt een datering in de 17e eeuw aannemelijk, mogelijk na 1615, toen het huis door Van Humalda geërfd was. Overigens was deze reeds 42 jaar en komt Carel van Sternsee als machtig man in zijn tijd eerder in aanmerking als bouwheer. Achter het hoofdgebouw tekent Stellingwerf een laag gebouw onder schilddak, een wagenschuur of orangerie, die kennelijk later is toegevoegd. Het huis stond op een eiland omgeven door een singel, waarbuiten nog een gracht liep.

Poortgebouw

Op een landhoofd voor die singel stond een poortgebouw, zoals er sedert de tweede helft van de 16e eeuw talrijke gebouwd zijn (vergelijk Sjuxma te Waaxens). De gezwenkte contouren pleiten voor een datering eind 16e- vroeg 17e eeuw.

Fundering

In 1962 zijn bij de grondwerkzaamheden de funderingen van de poort aan het licht gebracht (afb. 558). Deze stond aan de westzijde van het terrein. Het muurwerk bestond uit opnieuw gebruikte rode baksteen van groot formaat (32 × 8 cm), hier en daar afgewisseld met wat tufsteen. Dit zou wijzen op een zeer oude nederzetting ter plaatse, tenzij men wil aannemen dat de tufsteen van elders zou zijn aangevoerd. De fundering was ingegraven in een reeds bestaande gracht, die aan de poortzijde een gemetselde waterkering kreeg met beren. In noordwaartse richting is deze later verlengd uit kleiner materiaal (28 × 7 cm), waarvan de fundering minder diep stak. Tegen verzakking zijn nog weer later ook daar beren toegevoegd uit baksteen van 24 × 6 cm.

Wapenleeuw

Tot de merkwaardige vondsten bij de graafwerkzaamheden behoort een schildhoudende leeuw uit hardsteen, hoog 52 cm, breed en diep 26 cm, met het gaaf bewaarde wapen van Ropta. Het stuk bevindt zich thans in de hal van het gemeentehuis, opgesteld op een eveneens ter plaatse gevonden hardstenen voetstuk met uitgegronde velden. Op nieuwe hekpalen bij de toegang van het terrein staan nagegoten kopieën (afb. 594-595). De naam Ropta is het laatst gevoerd door de in 1555 overleden Cunera, die gehuwd was met Van Sternsee. Niet haar naam, doch die van Van Sternsee werd met het huis overgedragen. Haar vader Worp is dan ook de laatste mannelijke Ropta die het wapen gevoerd heeft. Hij overleed in 1551.

De fraai gevormde leeuwemanen en de ronde kop wijzen op een datering in de middeleeuwen, waarbij naar de vorm van het wapenschild te oordelen niet verder terug moet worden gedacht dan de 15e eeuw. Mogelijk dateert de leeuw toch uit de 16e eeuw en is men archaïserend te werk gegaan om de oude glorie van de familie in herinnering te roepen. De 16e-eeuwse auteur Andreas Cornelius immers rept reeds van Ropta's in de 13e eeuw. Slechts het glad gebeeldhouwde gedeelte is origineel; het ruw gekapte gedeelte, waarbij een achterpoot ontbreekt, moet een recente wijziging zijn.

Pilasterfragment

Tijdens de opgraving is tevens een fragment gevonden van een pilaster met uitgegronde schacht en gebeeldhouwd kapiteel, xvii, dat van een binnenversiering afkomstig zal zijn, een schouw- of deuromlijsting (afb. 592). De verblijfplaats ervan is onbekend.

Klein Ropta

De boerderij Klein Ropta van het kop-hals-romptype heeft in de achtergevel ankers met ‘1789’.

Industriemolen

Op het terrein van Ropta-state staat een achtkante molen met stelling genaamd ‘Ropta’, eigendom van de gemeente Oostdongeradeel (afb. 596).

Litteratuur

A.M. Wybenga, Ropta, syn mounle syn skiednis. Dokkum 1937, met afb.; Keune, molens 33-35; Molens van Friesland, 57, 102 en 126; Fries molenboek, 118-119.

Geschiedenis

Een molen te Metslawier wordt genoemd in de lijst van niet rendabele en af te breken molens, gemaakt in opdracht van de Friese Staten in 1639. Kennelijk is dit besluit, in tegenstelling tot vele andere gevallen, hier wel uitgevoerd. Schotanus geeft namelijk geen molen aan op zijn kaarten van 1664 en 1718.

In 1836 bouwde molenmaker Romke van de Werf uit Betterwird een achtkante molen

[p. 369]

op het terrein van de voormalige state Ropta, in opdracht van de nieuwe eigenaar van een gedeelte van het terrein, D.J. Sluiter. In 1840 is de molen na een storm op dezelfde plaats herbouwd, thans als achtkante molen met stelling, zowel koren- als pelmolen. Boven de ingang is een sluitsteen aangebracht met erop afgebeeld een door een hand vastgehouden balans. Daarboven een gevelsteen met het opschrift: ‘Deze molen gesticht in den jare 1836 en 20 voet verhoogd in den jare 1840/Door D.J. Sluiter en Vrouwe/Jeltje J. Steenhuiszen/Voor vriend en vijand sta 'k geheel/Gods regt beslist een ieders deel’. In het riet van één van de velden van het achtkant is het bouwjaar (1836) van de molen uitgesneden.

Restauraties vonden plaats in 1952 en 1976-77. In de jaren 1962-69 werden herhaalde malen diverse reparaties en vernieuwingen uitgevoerd, waaronder in 1962-63 herstellingen aan de fundering en de stelling. In 1968 werden onder meer vernieuwd: de lange spruit, de vang, een pelsteen met kuip, de windpeluw en de pensteen. In 1976-77 werden de gehele staart en één koppel stenen met kuip vernieuwd; ook werd toen de stroomlijnneus op de buitenroe gesloopt en vervangen door een oudhollandse voorzoom.

Het staande werk

Vrij lage gemetselde achtkante voet met op de hoeken pilasters. In de voet bevinden zich, de stellingzolder meegeteld, twee verdiepingen. Op de begane grond twee tegenover elkaar geplaatste toegangen, waarvan er één is dichtgemetseld. Boven de toegangen staan op de verdieping rechthoekige vensters. In de veldmuren haaks erop zijn soortgelijke vensters geplaatst, zowel op de begane grond als op de verdieping. Op de voet ligt het ondertafelment met hierop het achtkant; het gepotdekselde onderachtkant gaat er buiten langs. In het onderachtkant geven twee haaks ten opzichte van elkaar geplaatste deuren toegang tot de stelling.

Het met riet gedekte grenen achtkant is gebouwd volgens het algemeen in het noorden van ons land toegepaste systeem met drie bintlagen. De basis en de opbouw (spanten en voor- en achterkeuvelens) van de kap zijn van eikehout. De lange spruit dient als middelbalk en tevens als ijzerbalk. De kap is kruibaar op slepers; de staart heeft een kruilier.

Het gaande werk

Wieksysteem: voorheen zelfzwichting, thans oudhollands, vlucht 20,30 meter. Stalen roeden; buitenroe fabrikaat Bremer (te Adorp) met eveneens een door Bremer gefabriceerde stroomlijnneus, gemaakt in 1949; binnenroe vervaardigd door ‘W.J. Wieringa, stoomsmederij, machine fabriek’ te Vierverlaten (Gr.). Gietijzeren doorboorde bovenas, in 1891 gegoten door de firma ‘De Prins van Oranje’ te 's-Gravenhage. Bovenwiel met grenen armen en een stalen vang. Verder een normale, bij een koren- en pelmolen behorende overbrenging. Twee koppels maal- en twee koppels pelstenen, waaierkast, schudzeven, gorthokken en twee elevatoren.

[p. 370]



illustratie

Afb. 559. De Hervormde kerk en toren uit 1776 van het zuidoosten gezien. Opname 1965.




illustratie

Afb. 560. De middeleeuwse kerk en toren getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 561. De steen ter herinnering aan de verdronkenen bij de Allerheiligenvloed van 1570, thans in de oostelijke muur van de kerk. Opname 1981.




illustratie

Afb. 562. Steen, thans boven de westelijke ingang, oorspronkelijk aan de noordzijde met geschilderd opschrift inzake de eerste steenlegging in 1776; herschilderd in 1834 en in 1981. Opname 1982.


[p. 371]



illustratie

Afb. 563. Het inwendige van de kerk naar het westen gezien. Opname 1972.




illustratie

Afb. 564. Rouwbord voor Johannes Casparus Bergsma, overleden 1983. Opname 1972.




illustratie

Afb. 565. Herenbank uit 1777. Opname 1972.


[p. 372]



illustratie

Afb. 566. Portretzerk voor Christoffel van Sternsee en Cunera van Ropta, overleden in resp. 1560 en 1555. Opname 1981.


[p. 373]



illustratie

Afb. 567. Avondmaalsbeker uit 1668. Opname 1976.




illustratie

Afb. 568. Renaissancezerk voor Worp van Ropta en Wick van A(e)binga, gestorven in resp. 1551 en 1534. Opname 1981.




illustratie

Afb. 569. Zilveren doopschaal, in 1677 geschonken door Secretaris Bosman en Aurelia van Wijckel. Opname 1976.




illustratie

Afb. 570. Wit aardewerk avondmaalskan met zilveren deksel uit 1677. Opname 1976.




illustratie

Afb. 571. Wit aardewerk avondmaalskan met zilveren deksel uit 1677. Opname 1976.


[p. 374]



illustratie

Afb. 572. Unia State getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 573. Het huis van de Heer Plettenburg te Metslawier volgens J. Stellingwerf in 1723, waarschijnlijk Heemstra State voorstellend, dat thans onder Morra gerekend wordt.


[p. 375]



illustratie

Afb. 574. Plattegronden van een villa door Th. Romein in 1841 ontworpen voor mr. F. Witteveen te Metslawier.




illustratie

Afb. 575. Plattegronden van een villa door Th. Romein in 1841 ontworpen voor mr. F. Witteveen te Metslawier.


[p. 376]



illustratie

Afb. 576. Het Raadhuis van Oostdongeradeel uit 1876. Opname 1979.




illustratie

Afb. 577. B. Bekkerstraat gezien in de richting van de Roptaweg. Links het pand nr. 5. Opname 1967.




illustratie

Afb. 578. Tekening door D.H. Andreae van het dorp; op de voorgrond de Roptaweg. Ter plaatse van het linkse pand staat nu B. Bekkerstraat 5; rechts het terrein met theekoepel van mr. F. Witteveen.


[p. 377]



illustratie

Afb. 579. Kerkebuurt tijdens restauratie van de woonhuizen. Opname 1973.




illustratie

Afb. 580. Het schoolmeestershuis anno 1770 in de Kerkebuurt. Opname 1979.


[p. 378]



illustratie

Afb. 581. Kerkebuurt oostzijde voor de restauratie. Opname 1967.




illustratie

Afb. 582. Kerkebuurt noordzijde na de restauratie. Opname 1973.




illustratie

Afb. 583. Mooi geproportioneerd 18e-eeuws dorpswoonhuis, Roptaweg 10. Opname 1974.




illustratie

Afb. 584. Na sloop van de schuur is het binhús van de boerderij Wibalda een vrijstaande woning geworden, Meester Van Loonstraat 25. Opname 1965.


[p. 379]



illustratie

Afb. 585. De voorgevel van de stelphoeve uit 1839, Oldersma State. Boven de kroonlijst stond oorspronkelijk een grote dakkapel. Opname 1981.




illustratie

Afb. 586. Achtergevel van Oldersma State aan de Kerkebuurt. Opname 1967.




illustratie

Afb. 587. Het bovenlicht van Oldersma State met voorstelling van een koe, een paard en een schaap. Opname 1981.




illustratie

Afb. 588. Kerkebuurt ten noorden van de kerk in 1965.




illustratie

Afb. 589. Woning aan de oplopende weg bij het einde van de opvaart, Skipfaertsein 9. Opname 1965.


[p. 380]



illustratie

Afb. 590. Luchtfoto van het terrein van Ropta State, schaal 1:6000. Opname 1971.




illustratie

Afb. 591. Ropta State in 1723 getekend door J. Stellingwerf.


[p. 381]



illustratie

Afb. 592. Portret van Worp van Ropta, laatste mannelijke telg uit dit geslacht, geschilderd in 1542 op 38-jarige leeftijd. Opname 1981.




illustratie

Afb. 593. Fragment van een pilaster met kapiteel gevonden bij de opgraving in 1962. Opname 1963.




illustratie

Afb. 594. Hardstenen wapenleeuw met het wapen Ropta, gevonden in 1962, mogelijk 16e-eeuws. Opname 1973.




illustratie

Afb. 595. Hardstenen wapenleeuw met het wapen Ropta, gevonden in 1962, mogelijk 16e-eeuws. Opname 1973.


[p. 382]



illustratie

Afb. 596. Korenmolen uit 1836, herbouwd in 1840 op het terrein van Ropta State. Opname 1981 (Zie pag. 382).