Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 411]

Nijkerk

Tot 18 maart 1977 werd dit dorp officieel Oosternijkerk genoemd, ter onderscheiding van het in Ferwerderadeel gelegen Westernijkerk.

Het dorp vormt een van de schaarse voorbeelden in dit gebied waarbij de fase van terpbewoning voorafgaand aan de dorpsvorming lijkt te ontbreken; Halbertsma geeft hier geen terp aan (Terpen, kaart 6 west). Het ontbreken van een kunstmatige woonheuvel duidt op een relatief jonge nederzetting die is ontstaan nadat de aanleg van zeewerende dijken in de 11e eeuw op gang was gekomen. Ook de naam Nijkerk geeft door het bestanddeel ‘nij’ aan dat hier sprake is van een latere ontwikkeling, die echter nog wel in de Middeleeuwen plaatsvindt: de naam komt voor in een overlevering uit de tweede helft van de 12e eeuw in het 13e-eeuwse Vita Fretherici (Gesta Abbatum Orti S. Marie, 71).

Er bestaat een suggestie dat deze kerk ‘nij’ zou zijn ten opzichte van die te Bollingwier, een gehucht ten westen van het dorp (Algra, iii, 20, 21). Momenteel is daar geen kerk, maar ook voor de vroegere aanwezigheid van een dergelijk gebouw ontbreekt elke aanwijzing. Ook de mening dat het dorp zou zijn ontstaan na ruzies tussen adellijke families te Lioessens valt moeilijk te bewijzen (h.s. Andreae-Tuinman, 39). Een andere opvatting heeft betrekking op de ligging van het dorp die zou zijn beïnvloed door de aanleg van een zeedijk. Het ook nu nog belangrijkste kenmerk uit de plattegrond, de langgerekte lintbebouwing, zou oorspronkelijk aan de voet van die dijk hebben gelegen (Buwalda e.a., 56). De vroegere aanwezigheid van een dijktracé ter plaatse van het dorp wordt door anderen echter in twijfel getrokken (Rienks en Walther, 115, 116).

De lintbebouwing aan een landweg vormt de oudst bekende dorpsplattegrond, die door Schotanus voor het eerst is afgebeeld. In de 19e en 20e eeuw vindt uitbreiding van de bebouwing langs enkele bestaande landwegen plaats en langs enkele nieuw aangelegde straatjes.

Ten westen van het dorp ligt het reeds genoemde Bollingwier, een gehucht bestaande uit enkele huizen en boerderijen; deze situatie wordt al door Schotanus weergegeven. Enkele van de gebouwen zijn op duidelijk zichtbare woonheuvels gelegen; in de ligging van deze elementen is verder weinig systematiek te bespeuren. De Tegenwoordige Staat (217) vermeldt dat hier weleer een adellijke state was gelegen, waar de wier nog van overgebleven is. Schotanus geeft bij deze nederzetting een stinswier aan; ongeveer anderhalve eeuw later komt deze bij Eekhoff niet meer voor.

[p. 412]



illustratie

Afb. 639. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 413]



illustratie

Afb. 640. Luchtfoto, Schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 414]



illustratie

Afb. 641. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1832 van de terp Bollingwier. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 642. Luchtfoto van de terp Bollingwier, Schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 415]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk en toren staan op een ruim, verhoogd kerkhof, dat echter geen deel van een terp uitmaakt. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (akte van 1877, afb. 643, 648-653).

Litteratuur

r.v.a. i, 143; Benef. 157; r.v.g.o. 113; Van den Berg, Oostdongeradeel, 122 e.v.; W.T. Keune, Kerk en gemeente van Ooster-Nijkerk (stencil), Metslawier 1970; Buwalda e.a. 11-39; Mol, Grootgrondbezit, 97.

Bronnen

Sipma i, 54 (= Charterb. i, 495); Gesta Abbatum Orti S. Marie, 71, 123; Kerkvoogdijarchief 1825-1921 ter plaatse.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf 1722, in coll. Fries Museum Leeuwarden.

Geschiedenis

In een akte uit 1431, die landruil bevestigt, in 1415 aangegaan tussen Popke Tjessing uit Britsum en het klooster Klaarkamp, wordt gesproken van een hofstede der Sint Cecilia(kerk), behorend onder Jarringahuis, dat aan Klaarkamp komt. Dat Jarringahuis onder Oosternijkerk ligt en niet eventueel onder Westernijkerk blijkt uit het Register van 1511, waar Jow to Jaringhehuisen voorkomt als pachter van goed van het klooster Sion. Dit was een stichting van Klaarkamp. Daaruit volgt, dat de kerk van Oosternijkerk aan Sint Cecilia was gewijd.

Ook Mariëngaarde bezat in 1511 veel land te Nijkerk, te weten 107 pondemaat, verpacht aan Wijger Fockama, waarnaar Fockma-sate genoemd is (zie onder boerderijen), en nog eens 100 pondemaat. Vóór 1511 moet er te Oosternijkerk een uithof geweest zijn van Mariëngaarde, die vermeld wordt in een verhaal van een reis van abt Siardus in de Gesta. De uithof bestond uit goederen ‘Apud Novam Ecclesiam’ geschonken door Vrouwe Siburgis, waarschijnlijk kort na 1214 (Mol). S. Cecilia was een geliefde heilige van Mariëngaarde's stichter, eerste abt Frederik van Hallum en het is niet onmogelijk dat de kerk van Oosternijkerk herbouwd is of zelfs gesticht is door Mariëngaarde. In 1825-33 is de toren hersteld onder leiding van W.J. Booijenga, meester-metselaar en destijds grietenij-architect te Metslawier; het dak van de kerk werd tevens van nieuwe pannen voorzien. Het is in 1938-39 vernieuwd; de toren is in 1969-70 met overheidssteun gerestaureerd onder leiding van architect A. Baart jr. te Leeuwarden. De topgevels werden bij die gelegenheid herbouwd, aan de westzijde van beneden het galmgat af; aan de oostzijde werden spaarvelden aangebracht naar analogie van de westzijde.

Beschrijving

Het eenbeukige schip is blijkens een bouwnaad bij de denkbeeldige scheiding van schip en koor in twee gedeelten opgetrokken.

Materiaal

De baksteen van de toren meet 31-33 × 9-9,5 cm, 10 lagen 99 cm; ten westen van de bouwnaad meet de baksteen van het schip 29,5-30,5 × 8-9 cm, 10 lagen 97 cm, ten oosten daarvan 28-30 × 8,5-9,5 cm, 10 lagen 100 cm. De steen van het schip en het koor is opnieuw gebruikt.

Toren

De toren gaat onversneden en vrijwel gesloten op tot de klokkeverdieping, die door een zaagtandlijst wordt aangeduid. De smalle lichtspleten verbreden zich inwendig en zijn daar segmentvormig afgedekt. De dagstenen vormen inwendig een profiel met het muurwerk. Aan de noord- en zuidzijde staan twee gekoppelde galmgaten binnen een segmentbogig gesloten nis; de deelzuil tussen de galmgaten is aan de buitenzijde afgeschuind. De boog van de nis bestaat uit een kopse laag met daarboven een uitgemetselde platte laag. Boven de enkelvoudige galmgaten aan de oost- en westzijde lopen twee evenwijdige uitgemetselde platte lagen, gescheiden door een steensboog. In het metselverband van de klokkeverdieping zijn op de hoeken soms klezoren toegepast. In de westelijke topgevel staan ongeveer ellipsvormig gesloten spaarnissen en in de top staat een spaarveldje gesloten door gekoppelde rondboogjes. De oostelijke topgevel is bij de restauratie van gelijkvormige velden voorzien; aanzetten waren als loodvoegen in het metselwerk aanwezig.

Over de begane grond is het koepelgewelf, waarvan de hoeken nog aanwezig waren (afb. 651), weer aangebracht. De toegang kon door een sluitboom vergrendeld worden; de gaten daarvoor zijn echter bij de restauratie dichtgezet. Op de verdieping is deze sluiting wel aangebracht; van een gewelf zijn daar slechts aanwijzingen aanwezig. Tegen de oostmuur zijn de moet van een lagere schipkap en de rondbogige aftekening van een tongewelf te zien.

Schip

De muren van schip en koor zijn in traveeën gedeeld door ondiepe eenmaal versneden

[p. 416]



illustratie

Afb. 643. Hervormde kerk en toren. Plattegronden en doorsnede toren. Getekend 1981 naar opmetingen 1944, 1966 en 1974.


steunberen. Behoudens waar zij gewijzigd zijn, loopt de waterlijst over de beren.

De vierde beer is aan beide zijden gesloopt ten behoeve van later ingehakte vensters. De overige vier vensters aan de zuidzijde zijn gaaf behoudens jongere houten ramen. Zij hebben een rollaag aan de koppen van een volle steenlengte. Alleen in de eerste travee is het venster kennelijk ingehakt. De koorvensters zijn kleiner en worden door een rollaag van een steen breed omlijst. De noordzijde is aanvankelijk blind geweest; ook in de koorsluiting zijn de vensters later ingebroken, evenals een nog latere toegang. Geheel westelijk in de eerste travee noordelijk staat de ingang binnen een dubbel geprofileerde spitsboog in een uitgemetseld rechthoekig veld.

Inwendig

De ruimte wordt overdekt door een segmentvormig houten gewelf op profiellijst. Onder de trekbalken zijn flauw geprofileerde sleutelstukken.

Bouwgeschiedenis

De toren is blijkens het materiaal, de gesloten vorm en de overwelfde benedenruimte, in de 13e eeuw ontstaan. Op de oostwand is de moet te zien van een ouder, mogelijk ook 13e-eeuws schip, dat van het oosten uit in twee fasen gedurende de 16e eeuw door het tegenwoordige is vervangen.

[p. 417]

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een preekstoel met achterschot, klankbord en trap en bijpassende lezenaar (afb. 658, 659); op de kuip goed gesneden rococo lofwerk van vogels en bloemen; aan de voet van elk paneel een thans blinde banderolle. Het snijwerk is mogelijk van IJge Rintjes (S. ten Hoeve, Preekstoelen, 40). Bijbehorend doophek met balusters en zes hoekvazen, waarvan die bij de doorgang jonger zijn (empire); lezenaar op het doophek met in het voetstuk voorstelling van een geopend boek.

Doopbekkenarm

Aan de preekstoel koperen hand met doopbekken.

Orgelbalustrade

Aan de westzijde van de kerk onder het orgelbalkon scheidingswand van paneelwerk, xviii.

Orgel

Het orgel is blijkens een briefje in de windlade in 1813 gemaakt door I.A. Hillebrand te Leeuwarden. In een van de pijpen staat: ‘Den 2. Februarij 1814 Heeft Aaltje Eennes Rijpma de eerste pijp in het nieuwe orgel geplaatst oud 21 jaar’. Hoewel er in 1829 plannen en bestek zijn gemaakt door Van Dam te Leeuwarden is de wijziging en reparatie uitgevoerd door W. van Gruizen in 1831 (Buwalda, 18). De beelden op de kas dateren van 1890 en zijn door G.H. Mamer in Groningen geleverd (Keune).

Herenbanken

Tegenover de preekstoel een dubbele bank met spijlenfries in het achterschot en bekroond door een opzetstuk van lofwerk waarin gekroond, thans blind wapenschild. Tussen de spijlen rococo alliantiewapenschilden. Het vrouwelijk wapen is gedeeld, rechts halve friese adelaar, links drie klaverbladen, twee en een; het mannelijk wapen draagt als teken een man met knots bij een boom; boven het helmteken uitkomend dezelfde figuur.

Een tweede dubbele bank: op het lambris achter de bank is een opzetstuk geplaatst van rococo lofwerk waarin alliantiewapens. Het vrouwelijk wapen is gedeeld met rechts halve adelaar en links gehalveerd; boven drie klaverbladen twee en een, onder drie vissen (Botma); mannelijk gedeeld met rechts halve adelaar en links gehalveerd, boven snoer en klaverblad, onder een zwaan. Op het helmteken de zwaan.

Koper

Op de herenbanken tien koperen blakers van hetzelfde model als te Metslawier, xviii. Drie twaalfarms koperen kronen, xviii.

Zerken

Onder de houten vloer moet volgens opgave uit 1939 een aantal zerken liggen, waarvan de oudste 1582 is gedateerd (opgave in Buwalda e.a., 255).

Zilver

Avondmaalsbeker op standring met touwband, 14,1 cm hoog, diam. 10,3 cm (afb. 654). In een cartouche staat een inscriptie: ‘Vereerdt door Ittie Lieuwes/Amminga Pastoorske tot Nijkerk/Aen de dyacony Aldaar 1714/De kerk te OosterNijkerk 1842’. Merken: Leeuwarden groot keur, jaarletter v van 1714, meesterteken een gekroonde vis.

Zie Voet, 579.

Kopie van deze beker met 19e-eeuwse merken, jaarletter H en opschrift ‘De kerk te Oosternijkerk 1842’.

Twee tinnen kannen, met duimsteun 26,5 cm hoog (afb. 655). Onderop gemerkt, met engel en ‘Gerrit van...’.

Klok

In de toren hangt een in 1909 hergoten klok met opschrift: ‘Jurjen Balthasar heeft mij gegoten ... 1668/Georg Wilco Freiheer toe Shwatzenberg/en Hogenlantsberg Grijtman over Oostdongeradeel Joannes Hilarius/Pastor in Nijkerk Wybe Annes/mede bizitter van t Gerecht Oostdongeradeel’. Wapen Schwartzenberg. En: ‘Ten tijde dat Burgemeester van Oostdongeradeel/was Syds Lieuwes Sytsma Secretaris Geert/Ybeles van der Veen wethouders Douwe Johan/nes Beintema en Oeble Ypes Viersen ben/ik omdat ik gescheurd was in 1909 op/nieuw vergoten door gebr. van Bergen/te Midwolda’. Wapen Oostdongeradeel.

Uurwerk

Het oude uurwerk in een gesmeed ijzeren raamwerk is elektrisch gangbaar gemaakt.

Schoolhuis

Het schoolhuis, waar onder anderen de als historieschrijver bekend geworden Foeke Sjoerds van 1742 tot 1770 heeft gewoond, stond op de noordoostelijke hoek van de Buorren en is in 1820 vernieuwd (Buwalda 143).

Overige bebouwing in het dorp

De Terp nr. 1

Aan de weg achter de Buorren, thans De Terp geheten, staat een boerderijvormig huis, dat volgens de stichtingssteen, althans wat betreft het voorhuis, in 1794 is gebouwd: ‘1794 den 11 april heeft/Johanna Manja dochter van/Douwes Pieter Kindskind van Sake Jacobs den eersten/steen van dit gebouw gelegd oud 2/Jaren en 35 weken’ (afb. 663).

[p. 418]



illustratie

Afb. 644. Plattegrond, doorsneden en situatie van de boerderij Donia Sathe uit 1803. Gemeten en getekend door J. Draisma in 1957 voor de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem.


[p. 419]



illustratie

Afb. 645. Plattegrond, doorsneden en situatie van de boerderij Donia Sathe uit 1803. Gemeten en getekend door J. Draisma in 1957 voor de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem.


Fookma Sate

Aan de zuidzijde van het dorp ligt op een omgracht terrein de boerderij Fookma of Fokma, die in 1879 is herbouwd.

Litteratuur

Mol, Grootgrondbezit, 97; Buwalda e.a., 83.

Bronnen

Gesta Abb. Orti S. Marie 71 en 123; r.v.a. i, 144.

Geschiedenis

In 1511 pacht Wieger Fockama 107 pondemaat land van Mariëngaarde. Het betreft hier een uithof van Mariëngaarde, die gevormd moet zijn uit goederen geschonken door Vrouwe Siburgis (zie Herv. Kerk, Geschiedenis). Na de Reformatie huurde Cornelis Michiels de boerderij van de Staten. Hij kocht het goed in 1644. Michiels was bijzitter van Oostdongeradeel en ontvanger van Nijkerk. Na zijn dood in 1661 werd zijn zoon Joucke eigenaar. Op zijn grafsteen in de kerk heet hij Joucke Cornelis Foochma. In 1758 kwam de boerderij in handen van de familie Bergsma, die haar kennelijk kocht vanwege de stem, die erop rustte, want het bijbehorende land werd verkocht. In 1700 blijken er niettemin volgens Buwalda minstens tien percelen land bij te horen. Fookma bleef de eerste stemdragende boerderij van de floreenkohieren.

Boerderij

De boerderij van het kop-hals-romptype is blijkens een moeilijk leesbare gevelsteen in 1879 herbouwd; zij is ten behoeve van bewoning nogal gewijzigd en thans weer zonder land eigendom van de Friese Maatschappij voor Landbouw.

Dona of Donia Sathe

Ten zuiden van Fookma ligt Donia Sathe, sedert 1977 als woonboerderij in gebruik (afb. 664-666). Volgens Buwalda zou deze boerderij in 1511 vermeld zijn als pachtboerderij van het klooster Bethlehem (r.v.a. i, 144). De sate was toen 101 pondemaat groot. In 1640 werd de boerderij gekocht door dijkgraaf Tiete Tietes; rond 1700 was Upt Cornelis eigenaar, die zich Doma noemde en ook in de kerk begraven ligt. In de tweede helft van de 18e eeuw is het weer een pachtboerderij. In 1768 werd Jan Harmens eigenaar en zijn weduwe liet blijkens een gevelsteen in de achtergevel de boerderij in 1803 vernieuwen: ‘Deze huizinge is gebouwd/door Maayke Hendriks van der Meij/laatste weduwe van wijlen/Jan Harmens Rintjema/woonachtig te Nes/in den jaren/1803’.

Gebouw

De in 1803 herbouwde boerderij heeft een vrij kort binhús onder zadeldak tegen een voortopgevel, waarin op de verdieping een groot venster staat, sedert de restauratie opnieuw door roeden in kleine ruiten verdeeld. Het achterste gedeelte van het binhús is onderkelderd. Naast de hals is tegen de schuur een kamer uitgebouwd tegen de topgevel, waarin beganegronds twee smalle vensters zitten. In de ‘binnenhoek’ van de boerderij staat een stookhut (afb. 644-645).

De achtergevel, die in ankers eveneens 1803 is gedateerd, is gaaf met naast elkaar twee ingangen, een voor de koestal en een voor de paardestal en de inrit bij de langste schuurgevel; aan die zijde is bovendien een bijschuur gebouwd voor kleinvee en pluimvee. De vensters zijn bij de restauratie opnieuw van roeden voorzien. De inwendige betegeling werd grotendeels hersteld en aangevuld; de indeling is enigszins gewijzigd (restauratietekeningen en foto's in A.A.C. Maaskant en K. Post, Woonboerderijen,

[p. 420]



illustratie

Afb. 646. Plattegrond, doorsnede en situatie van de boerderij Bollingwier 2. Gemeten en getekend door H. Hettema, voor de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem.


Zwolle 1980). Een tegeltableau uit de schouw is elders in het huis aangebracht (afb. 666). In de hals zijn kapitelen toegepast die afkomstig waren van de achtergevel van de afgebroken boerderij op Tilburen, Oostrum; elders in het huis is een eenvoudig bedschot uit Headamsterwei i te Morra.

Voormalige industriemolen

In 1847 kreeg L.W. de Vries uit Holwerd vergunning om op het door hem aangekochte terrein te Nijkerk een koren- en pelmolen te bouwen. Of dit inderdaad gebeurd is en zo ja, wanneer deze dan weer verdwenen is, is niet bekend. Op de kaart van Eekhoff uit 1855 is te Nijkerk geen molen aangegeven. In 1867 werd opnieuw vergunning gevraagd om te Oosternijkerk een windmolen te bouwen, doch de aanvrager W.J. Groenman zag van zijn plan af (vriendelijke mededeling S.J. van der Molen). In 1872 ten slotte werd er toch een rog- en pelmolen gebouwd door Kornelis Bruining. De molen stond aan de weg naar Dokkum en ging in 1893 in vlammen op (Keune, Molens, 37-38 en Buwalda, 131).

[p. 421]



illustratie

Afb. 647. Plattegrond, doorsnede en situatie van de boerderij Bollingwier 2. Gemeten en getekend door H. Hettema, voor de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem.


Terpen en de bebouwing daarop

Bollingwier

Het gehucht ontleent zijn naam aan de daar gelegen terp, die in de Middeleeuwen ontstaan is. Halbertsma geeft daar in navolging van Schotanus een stinswier aan. Wij kennen er nog slechts enkele boerderijen, waarvan de gaafste laat 18e-eeuws is. In 1511 stonden er vijf, waarvan één kloostereigendom was.

Sapema Sate

Dit is de enige boerderij te Bollingawier, waarvan een naam bekend is (zie Buwalda, 87). Het bescheiden gebouw heeft in de achtergevel een stichtingssteen uit 1856: ‘Trijntje Enneus Rijpma/heeft op den eersten April/1856 den eersten steen/aan dit gebouw gelegd’. Op de kadastrale minuut is het terrein onbehuisd.

Bollingwier 2

In de hoek van de weg naar Niawier staat een grote boerderij van het kop-hals-romptype, die blijkens de vorm van de voortopgevel en overige details omstreeks 1800 gebouwd moet zijn (afb. 668). Het binhús is lang en in het midden voorzien van een kleine kelder, waarboven oorspronkelijk de bedsteden getimmerd waren. Overigens heeft het gebouw een soortgelijke indeling als Donia-sate in het dorp.

Ten noorden van de wegsplitsing staat een omstreeks 1970 herbouwde boerderij nadat de voorgaande was afgebrand. Deze was van het kop-hals-romptype, waarschijnlijk uit het midden van de 19e eeuw (afb. 667).

Sjoorda

In het noorden van het dorpsgebied ligt de beschermde dubbelterp Sjoorda, waarvan het ontstaan in de 11e eeuw gedateerd wordt. De naam ontleent de terp aan de familie die er woonachtig was. Hessel Syerda, ‘Haudling to Nijatzharka’, is in 1487 arbiter in een geschil tussen Botto to Heerweij en Wibrant Roerda van Genum (Sipma iv, 77).

In hetzelfde jaar neemt hij deel aan het sluiten van een verbond van de Dongeradelen, Dantumadeel en Ferwerderadeel met de stad Dokkum (Sipma iv, 87) en in 1491 van een verbond met Groningen (Pax Groningana 47). Hij treedt dan op namens de ‘meente’ van Oosternijkerk. In 1511 gebruikte hij 5 pondemaat eigen land en voorts land onder Engwierum; ook komt hij in 1514 als ‘heerschap’ voor (r.v.a. iv, 71, 79).

In 1640 is de sate eigendom van Gerrit Wijtsma en wordt verpacht. De kinderen van Gerrits dochter Anna, gehuwd met Watse van Camminga te Wirdum, verkochten de boerderij in 1671, waarbij genoemd wordt ‘t Stins daerop staende’ (Berns, 56, q 10 f 1400).

Berghuizen

Halbertsma geeft een stinswier bij Berghuizen. In 1511 lagen daar minstens vijf boerderijen, waarvan er twee eigendom van Sion waren (r.v.a. i, 143, 144).

Overige boerderijen

Ydskama-sate of Bosplaats (Bartensweg 2)

Ook Ydskama-sate was een boerderij van Sion. In 1618 mat de grond 136 pondemaat.

Ook na 1640 bleef deze boerderij een pachtboerderij. Een bekend koopmansgeslacht uit Dokkum, Idskema, was kennelijk van deze boerderij afkomstig. De boerderij van het kop-hals-romptype ligt op een omgracht terrein.

Lange Grousterweg 47

Boerderij van het kop-hals-romptype met aangebouwde ‘tweede-generatie’-kamer.

Lange Grousterweg 57

Boerderij van het kop-hals-romptype, in de achtergevel gedateerd: ‘Anno 1866 28 maart heeft Jantje Pieters van Eizinga op haar tweede verjaardag de eerste steen aan dit gebouw gelegd’.

[p. 422]



illustratie

Afb. 648. De 13e-eeuwse toren van Nijkerk van het noordwesten gezien. Opname 1972.




illustratie

Afb. 649. Kerk en toren van Nijkerk door J. Stellingwerf in 1722.


[p. 423]



illustratie

Afb. 650. Kerk en toren van het noordoosten gezien voor de restauratie van de toren. Opname 1963.




illustratie

Afb. 651. De aanzetten voor het gewelf over de begane grond van de toren vóór de restauratie daarvan in 1974. Opname 1943.




illustratie

Afb. 652. Kerk en toren na de restauratie van de toren uit het oosten gezien. Opname 1975.


[p. 424]



illustratie

Afb. 653. Het inwendige van de kerk naar het westen gezien. Opname 1963.




illustratie

Afb. 654. Twee tinnen avondmaalskannen van Nijkerk. Opname 1976.




illustratie

Afb. 656. Versierde rugleuningen van midden 18e-eeuwse herenbanken. Opname 1972.




illustratie

Afb. 655. Zilveren avondmaalsbeker uit 1714. Opname 1976.




illustratie

Afb. 657. Versierde rugleuningen van midden 18e-eeuwse herenbanken. Opname 1972.


[p. 425]



illustratie

Afb. 658. Preekstoel en doophek, 1775, mogelijk door Yge Rintjes uit Dokkum gesneden. Opname 1972.




illustratie

Afb. 659. Preekstoel en doophek, 1775, mogelijk door Yge Rintjes uit Dokkum gesneden. Opname 1972.




illustratie

Afb. 660. De eveneens 18e-eeuwse herenbanken tegen de noordzijde opgesteld. Opname 1972.


[p. 426]



illustratie

Afb. 661. Voormalig pand Buren 17 onder zadeldak evenwijdig aan de straat. Opname 1965.




illustratie

Afb. 662. Voormalig pand aan de Grote Buren direct noordelijk van het kerkhof. Opname 1965.




illustratie

Afb. 663. De boerderij in het dorp, Terp nr. 1 blijkens stichtingssteen uit 1794. Opname 1982.


[p. 427]



illustratie

Afb. 664. De boerderij Donia Sathe uit 1803 van het zuidwesten gezien. Opname 1965.




illustratie

Afb. 665. Tegeltableau uit Donia Sathe. Opname 1982.




illustratie

Afb. 666. Achtergevel van Donia Sathe, nog in gebruik als boerenbedrijf. Opname 1965.


[p. 428]



illustratie

Afb. 667. Boerderij aan de noordzijde van Bollingwier, in 1970 afgebrand, gezien van het zuidwesten. Opname 1967.




illustratie

Afb. 668. Boerderij Bollingwier 2, omstreeks 1800. Opname 1982.