Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 429]

Oostrum

De dorpsterp is met een maximale hoogte van 4,5 meter boven n.a.p. een van de hoogste uit de gemeente. De terp wordt voor een gedeelte omgeven door een ringweg; het cirkelvormige beloop is voor het overige te herkennen in enkele perceelscheidingen. Van de voet van de terp lopen enkele paden straalsgewijs naar de kerk die op de kruin van de woonheuvel gelegen is. Op het kadastrale minuutplan staan drie van dergelijke paden aangegeven. Later is een van deze drie, alsook een nieuw aangelegd pad verhard; zij vormen nu de belangrijkste toegangen tot de kerk.

De opbouw van de dorpsplattegrond vóór 1830 is onduidelijk, aangezien Schotanus het wegen- en padenbeloop van dit dorp bij uitzondering niet weergeeft. Blijkens het kadastrale minuutplan is het terpterrein radiaal ingedeeld, een patroon dat zich buiten de woonheuvel nog over enige afstand voordoet.

Omstreeks 1830 blijkt de dorpskom te bestaan uit een tiental gebouwen, vrijwel alle op de terp gelegen. Nadien neemt de bebouwing toe, vooral langs de ringweg, die voor het grootste deel is opgenomen in de doorgaande verbinding tussen Dokkum en Ee.

De terp is gedeeltelijk onbebouwd gebleven. Rond de eeuwwisseling zijn delen van de heuvel afgegraven; duidelijk is dit zichtbaar ter plaatse van de voormalige state Rinthjema.

Ten zuidwesten van het dorp ligt aan het Grootdiep het complex bedrijfsgebouwen van de in 1873 gebouwde steenbakkerij. Deze fabriek is in 1968 gesloten.

[p. 430]



illustratie

Afb. 669. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.


[p. 431]



illustratie

Afb. 670. Luchtfoto, schaal 1:6000. Opname 1971.




illustratie

Afb. 671. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832, van de terp Sjukma. Schaal 1:7500.


[p. 432]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk is in een door een haag omgeven kerkhof gelegen. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente, de toren van de burgerlijke gemeente (akte van 1877; afb. 672-676).

Litteratuur

r.v.a. i, 166; Benef. 154; r.v.g.o. 129; Wumkes ii, 134; Versl. en Meded. Rijksarchieven 1893, 332; Kok, Patrocinia 90; Van den Berg, Oostdongeradeel, 126; P.B. Offringa, W.T. Keune, H.S.J. Zandt, De kerk te Oostrum, Publicatieband a.f.t. 1974, 187.

Bronnen

Kerkvoogdijrekeningen 1644-1829, r.a. Leeuwarden; inventaris en uittreksel door streekarchief Dokkum; Schoolmeestersaantekeningen 1856, p.b. Leeuwarden; h.s. Andreae-Tuinman, gemeentearchief Oostdongeradeel.

Afbeeldingen

Tekeningen door J. Stellingwerf 1723, coll. Fries Museum Leeuwarden.

Geschiedenis

De zonder bronvermelding gestelde suggestie van Reitsma, dat de kerk aan S. Vitus gewijd zou zijn, wordt door Kok overgenomen. Op de klok van 1457 komen echter naast een serie van acht vrouwelijke heiligen Maria en S. Nicolaas voor. Mogelijk is de laatste de patroon geweest; de ligging van Oostrum aan een voormalige zeearm zou daaraan niet vreemd geweest kunnen zijn. In 1580 wordt verklaard, dat de kelk en het liturgisch linnengoed van de kerk door ‘ruters’ is gestolen uit het gewelf van de kerk. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er toen nog een stenen gewelf aanwezig zou zijn geweest; men zal aan een houten gewelf moeten denken.

Uit de kerkvoogdijrekeningen valt op te maken, dat in 1658 de steunberen vernieuwd en gerepareerd zijn en in 1676 een steunbeer tegen de toren is gemaakt. In 1731 zijn volgens dezelfde bron nieuwe banken gemaakt, in 1766 een nieuwe klokkestoel en in 1768 een nieuwe preekstoel en borden. In 1813 ten slotte zijn de muren rond het kerkhof vernieuwd en in 1821 zijn er nieuwe ramen gemaakt, terwijl tevens een nieuw houten gewelf werd aangebracht. Een venster in de noordoosthoek werd bij die gelegenheid aangebracht, waarna het venster aan de noordzijde gedicht werd en de vloer werd opgehoogd. Ook de gracht om het kerkhof kreeg nieuwe muren en een nieuwe homei. Een dekzerk van een grafkelder werd in 1824 verlegd, kennelijk omdat de preekstoel naar het kooreinde overgebracht werd, waarbij een nieuwe lambrisering, ‘vierkant’ (lees doophek), banken en beschot werden gemaakt.

In 1937 zijn twee zware beren tegen de westgevel van de toren verwijderd, waarna deze tot de eerste versnijding bemetseld werd. In 1969 is de toren door gemeentewerken hersteld met rijkssubsidie, in 1973 werd de kerk gerestaureerd onder leiding van ir. P.B. Offringa te Groningen, bij welke gelegenheid de steunberen herbouwd werden.

Beschrijving

De eenbeukige kerk is zes traveeën diep en is aan de oostzijde driezijdig gesloten. Zij is opgetrokken tegen een lage vierkante en vrijwel gesloten toren.

Materiaal

De baksteen van de toren meet 29,5-31 × 8,5 cm, 10 lagen 94 cm, in onregelmatig verband met om de andere laag bij de hoeken klezoren. Tot de restauratie van 1969 was de zuidoosthoek met kleine steen bemetseld. De kerk bestaat uit opnieuw gebruikte moppen van 30-33 × 8-9,5 cm, 10 lagen 102 cm.

Toren

De toren gaat in twee weinig versnijdende geledingen op. Inwendig was in de westgevel een toegang te zien. Thans is daar een venster gemaakt. Over de begane grond waren de aanzetten van een ribgewelf aanwezig; het is in 1969 ingemetseld. Op de verdieping zijn segmentbogig gesloten lichtspleten, waarvan de binnenhoek versierd is door toepassing van een om de laag verspringend profiel, dat ontstaat door de hoek van de dagkantsteen met het muurwerk. Ook op de verdieping is dit motief toegepast. De lichtspleten zijn daar echter door twee bakstenen kepersgewijs gedekt. De galmgaten zijn inwendig segmentbogig gedekt en waren uitwendig voor de restauratie gewijzigd. Het oostelijke is eerst in 1823 gedicht.

Op de oostelijke gevel is de moet van een tongewelf te zien, 50 cm hoger dan het tegenwoordige houten gewelf.

Schip

Het muurwerk is geschoord door eenmaal versneden steunberen met roodzandstenen afdekking. Alleen de zuidwestelijke en twee exemplaren aan het koor waren bij de aanvang van de restauratie nog aanwezig. Ter plaatse van de moeten op het muurwerk zijn alle beren weer opgemetseld. De waterlijsten van de nieuwe beren zijn uit beton nagegoten. Aan de zuidzijde staat in elke travee en in de koorsluiting een breed spitsbogig venster met geprofileerde zijmontant in de enkelvoudige dagkanten. De

[p. 433]



illustratie



illustratie

Afb. 672. Hervormde kerk. Plattegrond, doorsneden en details van de tongewelfconstructie boven het tegenwoordige. Getekend 1981 naar opmeting 1945; details 1977 naar opmeting P.B. Offringa.


[p. 434]

aanzet van de middenstijl is bij sommige vensters te zien op de roodzandstenen dorpel. In de noordoostelijke koorzijde is het venster in 1824 ingebroken.

Aan de noordzijde is slechts één venster geweest in de vierde travee; het is blijkens de kerkvoogdijrekening in 1824 gedicht. De toegang aan de zuidzijde is door een korfboog gedekt en gevat binnen een spitsbogige nis; in het veld is een venster geweest.

Boven langs het muurwerk loopt een hollijst waarop de pannen rusten; aan de zuidzijde zijn dit holle-bolle pannen.

Inwendig

De muren zijn verankerd door trekbalken op sleutelstukken met laatgotisch profiel. Die onder de derde en vierde balk van het westen uit gerekend zijn echter later vernieuwd. Bij sommige is het tandlijstornament aan de onderzijde op een apart plankje gesneden en tegen de sleutelstukken getimmerd. Een en ander is bij de restauratie intact gelaten, doordat de balkkoppen hersteld zijn door het inspuiten met kunsthars. De kap bestaat uit een spantconstructie met een ingelaten geprofileerde middenrib en ribben voor een gotisch tongewelf, dat van de aanvang af op een lijst binnen de binnenmuurplaat moet zijn neergekomen. De tegenwoordige bebording en ribben staan los onder de oude constructie.

Tegen de wanden waren voorts sporen te onderscheiden van stenen gewelven, die per travee de ruimte zouden overspannen. Mogelijk zijn zij nimmer uitgevoerd en is men terstond overgegaan tot het maken van de gotische houten kap met tongewelf.

Bouwgeschiedenis

De toren is, blijkens de aard van het muurwerk waarin ook vóór de restauratie veel strekken voorkwamen en blijkens zijn gesloten vorm en gewelf over de begane grond, in de 13e eeuw ontstaan. De kerk van hergebruikt materiaal en met grote vensters, omlijst door brede rollagen, zal eind 15e of begin 16e eeuw ontstaan zijn ter vervanging van een oudere. De overwelving waarvan sporen te zien zijn die tot een reconstructie van ster- of netgewelven leiden, is waarschijnlijk nimmer uitgevoerd geweest. Het gotisch tongewelf is in 1821 vervangen door het tegenwoordige.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

Een in 1822 tegen de koorsluiting geplaatste eiken preekstoel met achterschot, klankbord en bijbehorende lezenaar (afb. 677). Op de panelen zijn allegorische figuren gesneden van Geloof, Hoop en Liefde met als attributen respectievelijk fakkel met boek en wetstafel, anker- en klaverblad, hoorn met bloemen en drie kinderen. De preekstoel is uitwendig volgens de rekening ‘geglansd’ en blijkens de kerkvoogdijrekeningen in 1762 gemaakt door Tjeerd Dirks; voor de panelen wordt D. Emderveld te Leeuwarden betaald.

Doophek

Doophek met grof gesneden fries en vazen, 1822.

Orgel

In 1963 is een éénklaviers orgel aangekocht, afkomstig uit een kerk te Heiligerlee, xix. Het is gerestaureerd door de firma Van Vulpen te Utrecht.

Banken

Dubbele herenbank met 17e-eeuws opzetstuk waarin gekroond alliantiewapen: heraldisch rechts twee rozen, links gevierendeeld, in de rechter helft boven een halve adelaar en beneden een klimmende leeuw, in de linker helft boven een ramskop en beneden drie leeuwekoppen twee en een. Boven de kroon uitkomend een roos (afb. 684). Dubbele herenbank met 17e-eeuws hoekornament en jongere knoppen.

Tiental eenvoudige banken met gezwenkte wangstukken, blijkens de kerkerekeningen in 1731 gemaakt.

Zerken

De naamopschriften op de eenvoudige bij de restauratie gevonden zerken zijn uitvoerig vermeld in Publicatieband a.f.t., 1974, 187.

Muurschildering

De muurschildering, die het handschrift Tuinman-Andreae vermeldt als gevonden en weer overgewit, is tijdens de restauratie grotendeels aan het licht gebracht (afb. 683, 685, 686). Behalve de op een aftekening uit 1882 in het kerkarchief voorgestelde kerk zijn aan weerszijden van het gedichte venster meer voorstellingen van kerken gevonden. Zij zijn met bruinrode verf op de pleisterlaag getekend in aanzicht of als een soort doorsnede of doorzicht. De meest westelijke kerk met de hoge toren lijkt op de voormalige toren van de abdij van Dokkum. De kerk ervoor zou dan de zogenaamde Kleine Kerk van Dokkum kunnen voorstellen, mogelijk tijdens een verbouwing; van het koor weten we dat het in de 15e eeuw is ingewelfd. De beide andere torens hebben een hoge naaldspits; de ene is bovendien voorgesteld met een kleine spits midden op het dak van het schip of op een aanbouw aan de noordzijde. Op de 16e-eeuwse provinciekaart van Van Deventer hebben de kerken van Kollum, Hantum en Wetzens spitsen. Mogelijk is Kollum voorgesteld, na Dokkum de belangrijkste kerk in de buurt. Ook Holwerd komt

[p. 435]

dan in aanmerking. De schilderingen zijn aangebracht over de plaatsen waar de gewelven opgegaan zouden zijn en moeten dus aangebracht zijn nadat de gewelven verdwenen waren of het plan de ruimte in te welven opgegeven was. Op dezelfde muur is een geschilderd jaartal ‘1582’ aangetroffen, dat ons inziens echter niet noodzakelijk uit dezelfde tijd behoeft te zijn als de schilderingen en eerder tot een epitaaf of reformatorisch opschrift behoord zal hebben.

De wijze van voorstelling van de kerken met een ‘arcering’ in de daken komt sterk overeen met die op de zogenaamde ‘oudste kaart van Friesland’ van omstreeks 1524 in de Universiteitsbibliotheek te Leiden (afb. 687). Op deze houtsnedekaart zijn de daken merendeels geruit weergegeven. Het vermoeden rijst dat de wandschilderingen gemaakt zijn naar voorbeeld van houtsneden, die immers in de 16e eeuw populair werden. Ook op de kaart van omstreeks 1524 zijn de kerken van Holwerd, Dokkum, Kollum en ‘Dongerdeel’, dat mogelijk voor Anjum staat, met een spits weergegeven. De laatste lijkt wat minder hoog dan de andere spitsen (afb. 687).

Rouwborden

Vier ruitvormige 17e-eeuwse rouwborden met opschriften: ‘Monsr. Johannes van Elcama obiit den 30 april 1645; Obiit 25 Maius D.E. Haio Elcama I.U.D.; Obiit den 23 april Gerbran Elke..; Juffrou Maria van Tiboult obiit den 15 april Ao 1645’ (afb. 679-682).

Zilver

Avondmaalsbeker op standring met spiraalband, hoog 14,1 cm, diam. 10,3 cm (afb. 688-692). In de voet van de beker is een munt uit 1617 gesmolten van aartshertog Maximiliaan iii van Oostenrijk. Omschrift: ‘Maximil(ianus) D(ei) G(ratia) AR(chidux) AU(striae) Dux Bur(gundiae) Stir(iae) C(arinthiae)’, en rond het wapen aan de andere zijde ‘Et Carn(iolae) Mag(isterii) Pruss(iae) Ad(ministrator) Com(es) H(absburgensis) et Tirol(ensis)’. De munt is een zilveren daalder, geslagen in Tirols Hall (vgl. J.S. Davenport, European Crowns 1600-1700, nrs. 3323C en 3324; vriendelijke mededeling drs. H.W. Jacobi, Kon. Kabinet van Munten etc. te 's-Gravenhage). In de voet van de beker is rond de munt gegraveerd: ‘Anne Kornelis Ouderling, Jan Pytters Diaken Domeni Brantsma tot Oostrum’. Langs de bovenrand van de beker gegraveerd rolwerk ornament met genrefiguren van vogels. Merken: Dokkum, jaarletter v van 1628, meesterteken onduidelijk: i of schaal op voet?

In de kerk ligt de grafsteen voor ds. Brantsma, die in 1775 overleed na 50 jaar te Oostrum gestaan te hebben. Ook het graf van Anne Kornelis is door een zerk gedekt, waarop men leest dat hij in 1743 stierf op 52-jarige leeftijd. De beker is dus als familiebeker gemaakt en tussen ongeveer 1725 en 1743 aan de kerk geschonken.

Doopschaal, diam. 18,5 cm (afb. 694). Gegraveerde wapens met omschrift: ‘Piter Minnes Deyaken Franciskus Bransma Predikant tot Oosterom. Anno 1726 Tecke Eelkes Ouderling’. Merken: Leeuwarden groot keur l van 1726, meesterteken van Klaas Heixan te Dokkum. Zie Voet, 131.

Tinwerk

Twee kleine tinnen borden met roosmerk, twee grote tinnen kannen, hoog 24,5 cm (afb. 693).

Klok

In de toren hangt een klok, grootste diameter 75 cm, waarop tussen de tekst de afbeelding ten halven lijve staat van acht heilige vrouwen: S. Katherina, S. Margareta, S. Agneta, S. Dorethea, S. Barbera, S. Ghertrut, S. Urcula, S. Anplonia, ‘Anno dm. moccccolvii Maria bin ik ghehete dat kerspel to Aestrem heft mi laten gheten’.

De heiligen dragen als attributen: Catherina een rad en zwaard; Margaretha een draak aan de voeten; Agneta een lam op de arm; Dorothea een korfje aan de hand; Barbara een toren op de hand; Geertruida een kerk op de hand; Ursula een pijl naast zich; Appolonia een tang en een boek (tang ook als kromstaf geduid). Bovendien afbeeldingen van Maria met kind en van S. Nicolaas met geheven hand en staf in de linkerhand.

In de aureolen staat respectievelijk ‘Ave Maria’ en ‘S. Nicolaus’. Op de benedenrand: ‘Dominus Wibo + Mello Ripkama + Sapko Rinkama + Henricus Kokenbacker fecit me + defunctos plango + vivos voco fulgura frango + vox + mea + vox + vite voco + vos + ad + sacra + venite + help + God’.

Pastorie

Ten westen van de kerk staat de pastorie, een gebouw zonder verdieping met oorspronkelijk de ingang in het midden, waarboven een steen met het volgende opschrift: ‘1818 is dit huis in plaats van het oude dat/in 1659 was gesticht gebouwd onder bestuur/van Klaas Gerryts Buwalda en Boote Jacobs de/Vries Kerkvoogden en Wiebe Watses Bosma/Johannes Sjoerds de Vries en Albert Jans/Douma gecommitteerden zijnde de eerste steen ge/legt door Anne Sybrens en Ide Minnes Mellema/op den 18

[p. 436]

Mei/Bewoner zoo gij ooit Uw pligten mogt vergeten/Koom hier lees dit en gij zult Uw pligten/weten/Verstand en harten te beschaven/Wijs en deugdzaam als de braaven/'t Leven door het doen te tonen/Is pligt van hem die hier zal wonen’.

Volgens de Schoolmeester van 1856 was de pastorie toen kort geleden vergroot (h.s. Schoolmeester, p.b. Leeuwarden).

Overige bebouwing in het dorp

Voormalige industriemolen

De korenmolen, waartoe in 1717 vergunning werd gegeven ‘onder de clockslag van Oostrum’ stond aan het Verlaat van de Zuider Ee; dit gebied valt thans onder Dokkum.

Rintjema State

Aan de voet van de terp aan de zuidzijde tekent Eekhoff buiten de rondweg Rintjema State, dat in de 16e eeuw enige malen genoemd wordt en omstreeks 1498 door de Saksers zou zijn ingenomen, waarbij Galt Jaerla gevangen werd genomen. Op de kadastrale minuut ziet men inderdaad een inbreuk op het ontginningspatroon, dat rond Oostrum zeer regelmatig straalsgewijs verloopt. Van een poortgebouw, waarvan de ‘schoolmeester’ rept, is op de kaart niets meer te zien. Er zou volgens dezelfde bron een D.S. Mellema gewoond hebben.

Overige terpen en de bebouwing daarop

Mellema State

Ten noorden van de dorpsterp ligt de beschermde stinsterp Mellema, die in de 15e eeuw ontstaan kan zijn.

Litteratuur

r.v.a.i., 166; S. Wendelaer Bonga, Oer Eastrum ald en nij. Dokkum 1942; H. Heeringa-Seepma, Bij ús yn Eastrum, Bolsward 1982.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf met onderschrift: ‘behoort den Ed. Heere Feie van Heemstra’, in coll. Fries Museum Leeuwarden (afb. 695).

Geschiedenis

In 1511 is Popke Mellema de belangrijkste grondbezitter in Oostrum; hij wordt direct na de pastoriegoederen genoemd met 165½ pondemaat grond, waarvan hij zelf ongeveer een derde bezit en het overige pacht van de abt van Dokkum. Poppe is in 1517 door de keizer tot grietman benoemd. Poppe zou eigenlijk een Riemersma zijn en de naam Mellema overgenomen hebben nadat deze uitgestorven was. In de 15e eeuw komen de Mellema's voor als grietman (1426) en als rechter in het Negental (1423); in 1438 is Poppe pro-Saksisch.

In 1543 wordt ‘in Mellema state’ Gerbrant Harkesz genoemd; een dochter van Poppe trouwde Hessel van Feitsma. In de 17e eeuw woonde de familie Eelckema op Mellema, van wie het goed in 1645 aan Marten Hania vererfde, maar reeds in 1651 kwam het aan de Van Scheltinga's waardoor Schelte van Heemstra, gehuwd met Catherina van Scheltinga er woonde. Hun zoon zou de state in 1735 hebben laten afbreken om Heemstra State te Oenkerk te bouwen. Ook hier zou de slotpoort nog enige tijd daarna zijn blijven staan. Later stond er een kop-hals-rompboerderij uit 1812. Volgens Wendelaer Bonga zou de boerderij over een voormalige gracht gebouwd zijn en wel met het voorhuis; de schuur zou op het eiland staan waarop het slot heeft gestaan.

De state

Stellingwerf tekent een kasteelachtig gebouw, dat in afmeting sloten als Holdinga en verder weg Terhorne bij Beetgum evenaarde. Het bestaat uit een lage ingangsvleugel, waarin de deur met een vroeg 17e-eeuwse omlijsting wordt getekend en haaks erop een hoofdvleugel. Deze heeft boven een vrij hoge kelder twee volledige verdiepingen en een hoog zadeldak tussen topgevels, die in forse schoorstenen eindigen. In het midden van de buitenste gevel, die uit het water oprijst, is over alle verdiepingen een erker uitgebouwd, die in een kleine topgevel eindigt waarvan de contour gezwenkt is.

De toren, die met een open koepeltje eindigt, waarop een bol, rijst achter de lage ingangsvleugel op. Het geheel zou eind 16e of begin 17e eeuw gebouwd kunnen zijn, mogelijk door de Feitsma's. Volgens het handschrift van de Schoolmeester uit 1856 zou er toen een kelder van Mellema State ontdekt zijn van 36 bij 20 voet en 5 voet diep; ook een ringmuur en een stenen ‘pijp’ (= brug) van het poortgebouw zijn toen gevonden. De boerderij van 1812 zou een oudere van 1672 vervangen hebben. De laatste verving wederom een behuizing met losse hooiberg. In 1672 zouden een afzonderlijke stalling en woning gebouwd zijn. Of de Schoolmeester hier interpreteert is niet duidelijk; in ieder geval vermeldt hij een kop-(hals?)-rompboerderij in 1672. Tot 1963 heeft er op het terrein van Mellema een kop-hals-rompboerderij gestaan met lang voorhuis en kleine

[p. 437]

kelder in het midden daarvan (afb. bij Heeringa-Seepma, 17). In dat jaar is de plaats afgebrand en door een nieuwe vervangen.

Tilbuorren (Tilbuurt)

Westelijk van Mellema ligt de als terp beschermde woonplaats Tilbuurt. Aan weerszijden van het terrein, dat op de kadastrale minuutkaart nog bebouwd was en door Eekhoff Heemstra genoemd wordt, ligt een omgracht terrein van een boerderij.

Tadema-sate

De oostelijke boerderij, Tadema geheten, was in 1511 reeds een pachtboerderij van de Heemstra's, groot 119½ pondemaat (r.v.a. i, 166). Volgens het stemkohier was Gerck Syptsz. in 1640 eigenaar-bewoner; hij was blijkens een grafsteen in de kerk gehuwd met Ebeltje Reijfs, overleden als weduwe in 1676. De zeer grote boerderij van 1511 blijkt in de 16e of 17e eeuw gesplitst te zijn. De kadastrale minuutkaart geeft een kop-halsrompboerderij, die blijkens de pilasters die in de achtergevel stonden omstreeks 1800 gebouwd zal zijn. Na de brand, die in 1964 plaats had, zijn deze onderdelen verwijderd en hebben ze een plaats gevonden in de woonboerderij Donia-sathe te Oosternijkerk.

Het voorhuis was in 1868 als dwarshuis vernieuwd (afb. bij Heeringa-Seepma, 27). Bij de nieuwbouw in 1964 door het Meindert Doumaleen is een gevelsteen onthuld met opschrift: ‘Foar stúdze-stipe by 't Douma Lien kaem/waerd Tadema fiks ûnder hânnen naem/Forgreate en fornijde op 't âlde sté/Kaem der rom plak foar minske en fé’.

Douma-state

De westelijke, Douma-state, staat nog niet op de kadasterminuut van 1832 en is volgens Heeringa-Seepma in 1868 gebouwd. Het voorhuis is blokvormig en heeft de ingang in het midden van de voorgevel (afb. 698).

Sjukma of Sjuckama

Bij de tegenwoordige grens met de stad Dokkum ligt de beschermde terp Sjukma, die in de 13e tot de 16e eeuw ontstaan moet zijn en waarop een stins gestaan kan hebben. In 1511 pachtte ‘Sijwert to Sijoeckemahuijs’ 97 pondemaat land van de ‘keller to Dockum’, terwijl Sijwert ook eigenaar was van tien pondemaat. Daarnaast geeft ‘Lijwe to Sijoeckemahuijs’ nog 76½ pondemaat aan (r.v.a. i, 166). Schotanus en Eekhoff tekenen Sjuckmahuis als stemmende plaats. Waarschijnlijk hebben er steeds twee boerderijen op gestaan. Op de vrijwel vierkante terp staat thans een boerderij van het stelptype van niet zeer oude datum.

Overige terpen

Ten noorden van het dorp, waar de grens tussen Ee en Jouswier tegen het dorpsgebied van Oostrum te niet loopt, ligt de beschermde verhoogde woonplaats ‘Bijenkorf’, die 12e-13e-eeuws gedateerd wordt.

Halbertsma kent nog een terp aan de Oostrumer opvaart dicht bij de grens met Wetsens, mogelijk identiek met het terrein waarop de plaats de Weide ligt.

De Weide

In 1700 was volgens Heeringa-Seepma secretaris Cornelis Bosman eigenaar van De Weide, die hem verhuurde. Na 1758 verwisselt de boerderij enige malen van eigenaar maar het blijft een huurboerderij, waarop slecht geboerd wordt. In 1773 zou het gebouw afgebroken zijn en in 1774 weer opgebouwd door Lieuwe Clazes uit Ee. Het bleef een komen en gaan van pachters en in 1818 wordt het land verdeeld. Tot 1974 is er op geboerd, sindsdien is het een woonboerderij.

Afbeelding

Het Fries Museum bezit een tekening van de hand van S. Bonga, die volgens Santema (Nije saerje alde doarpsgesichten, Leeuwarden 1971). Mellema zou voorstellen (afb. 696). Het water op de voorgrond met bordje (waar ‘strijken’ op placht te staan) komt echter niet overeen met de situatie van Mellema. Eer is de boerderij De Weide weergegeven, die aan de opvaart bij de Zuider Ee ligt; de opvaart maakte daar een haakse bocht, waartoe vaart geminderd diende te worden.

Steenovens

Middeleeuwse steenoven

Aan de zuidelijke rand van de dorpsterp zijn in 1957 sporen gevonden van een middeleeuwse steenoven, waarin stenen gebakken werden van het formaat 32 × 8 cm (Bull. k.n.o.b. 1957, 213*).

Steenfabriek

Ten zuidwesten van het dorp werd in 1873 aan het Dokkumer Grootdiep een stoomsteenfabriek opgericht door J. Helder Pzn. te Aalzum. Het daarbij te gebruiken ‘stoomwerktuig’ zou 12 paardekracht meten en voorzien worden van een ketel van 4,40 meter lang, diam. 1,60 meter, waartoe een schoorsteen van 9 meter hoogte gebouwd moest worden. In 1876 reeds werden de ovens uitgebreid tot 18 afzonderlijke onderdelen en werd de schoorsteen tot 35 meter opgebouwd (afb. 697). De schoorsteen staat nog op het fabrieksgebouw, dat overigens niet meer als steenfabriek in gebruik is. De schoorsteen is in twee reeksen van rondbogig gesloten nissen versierd en bekroond door een forse lijst; daarop is een in horizontale geledingen opgebouwde hogere pijp gemetseld.

[p. 438]



illustratie

Afb. 673. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1723.J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 674. De laatgotische kerk en toren na de restauratie. Opname 1974.




illustratie

Afb. 675. De kerk van het zuidwesten voor de restauratie van de toren. Opname 1937.




illustratie

Afb. 676. De noordzijde van de kerk voor de restauratie van 1973. Opname 1972.


[p. 439]



illustratie

Afb. 677. De mahonie geschilderde preekstoel uit 1762. Opname 1972.




illustratie

Afb. 678. Het inwendige van de kerk naar het oosten met de kanselopstelling uit 1822. Opname 1972.




illustratie

Afb. 679. Rouwbord voor Gerbrand Eelcama. Opname 1972.
Afb. 680. Rouwbord voor Haio Eelcama. Opname 1972.




illustratie

Afb. 681. Rouwbord voor Maria Tiboult, overleden 1645. Opname 1972.
Afb. 682. Rouwbord voor Johannes Eelcama, overleden 1645. Opname 1972.


[p. 440]



illustratie

Afb. 683. Op de noordmuur aan het licht gekomen wandschilderingen. Opname 1974.




illustratie

Afb. 684. Rugschot van de 18e-eeuwse herenbank. Opname 1981.


[p. 441]



illustratie

Afb. 685. Op de noordmuur aan het licht gekomen wandschilderingen. Opname 1974.




illustratie

Afb. 686. Op de noordmuur aan het licht gekomen wandschilderingen. Opname 1974.




illustratie

Afb. 687. Detail uit de houtsnedekaart van Friesland van circa 1524. Repro 1979.


[p. 442]



illustratie

Afb. 688. Zilveren beker uit 1628 met genrevoorstellingen in rolwerkornament, in de 18e eeuw als avondmaalsbeker aan de kerk geschonken. Opname 1976.




illustratie

Afb. 689. Zilveren beker uit 1628 met genrevoorstellingen in rolwerkornament, in de 18e eeuw als avondmaalsbeker aan de kerk geschonken. Opname 1976.




illustratie

Afb. 690. Zilveren beker uit 1628 met genrevoorstellingen in rolwerkornament, in de 18e eeuw als avondmaalsbeker aan de kerk geschonken. Opname 1976.




illustratie

Afb. 691. De in de bodem gesmolten Tiroler daalder met beeldenaar van Maximiliaan iii van Oostenrijk. Opname 1976.




illustratie

Afb. 692. De in de bodem gesmolten Tiroler daalder met beeldenaar van Maximiliaan iii van Oostenrijk. Opname 1976.




illustratie

Afb. 693. Tinnen avondmaalskan. Opname 1976.




illustratie

Afb. 694. Zilveren doopschaal uit 1726. Opname 1976.


[p. 443]



illustratie

Afb. 695. Mellema State door J. Stellingwerf getekend circa 1722.




illustratie

Afb. 696. Tekening door S. Bonga waarschijnlijk boerderij de Weide voorstellend.


[p. 444]



illustratie

Afb. 697. De steenfabriek aan het Dokkumer Grootdiep met schoorsteen uit 1873. Opname 1976.




illustratie

Afb. 698. De boerderij Douma State op Tilbuurt met woongedeelte uit 1868. Opname 1981.