Noordelijk Oostergo. Dongeradelen


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dongeradelen. Staatsuitgeverij, Den Haag 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 445]

Paesens

Het dorp Paesens draagt dezelfde naam als het riviertje dat de grens vormt tussen Oost- en Westdongeradeel en waarvan de monding door middel van een zijl (sluis) in de zeedijk ten westen van het dorp lag. Door Schotanus wordt aangegeven dat deze monding ‘verstopt’ is. Deze demping zou omstreeks 1449 hebben plaatsgevonden (Rienks en Walther, 84).

De plattegrond van dit dorp is blijkens het kaartmateriaal in opzet altijd gelijk gebleven en verschilt van de meeste andere dorpen in de gemeente door het ontbreken van een dorpsterp en door de groepering van de bebouwing, die hier bestaat uit enkele rijen min of meer naast elkaar gelegen huizen. Het ontbreken van een terp wijst op het ontstaan van de nederzetting in of na de 11e eeuw. De bouw van de kerk, die gedateerd wordt op circa 1200, geeft aan dat de vorming van het dorp spoedig na de aanleg van de eerste zeedijken op gang moet zijn gekomen. Het ontstaan van een nederzetting bij de monding van de Paesens langs de zeedijk zal hebben samengehangen met de kustvisserij die van deze plaats af kon worden bedreven.

De kerk van het dorp heeft in 1511 een pastoor en een vicaris, wat op een zekere welstand wijst (r.v.a. i, 145). De Tegenwoordige Staat (217) noemt Paesens twee en een halve eeuw later een ‘arm vissersdorp’.

Aan het begin van de 18e eeuw bevond de meeste bebouwing zich blijkens de Schotanuskaart ten oosten van de kerk; nadien is de evenwijdig aan de dijk lopende weg in westelijke richting doorgetrokken en is ook daar bebouwing ontstaan. In de tweede helft van de 18e eeuw breidde het dorp zich verder in westelijke richting uit op Westdongeradeels grondgebied, waar onder de naam Moddergat een nieuwe nederzetting ontstond.

Deze verplaatsing in westelijke richting hing samen met een omvangrijke bedijking uit 1592 die ten oosten van Paesens was gelegen en onder invloed waarvan inmiddels hoog opgeslibd buitendijks land bij dit dorp was ontstaan, waardoor de Wadgeulen slecht bereikbaar waren geworden. In westelijke richting liepen deze geulen tot dichter onder de wal en waren derhalve beter bereikbaar.

Door de verplaatsing naar Moddergat van een deel van de visserij is de oude functie in het westelijk deel van dit dorp beter in de bebouwing zichtbaar gebleven dan te Paesens, dat zich nadien meer op de landbouw heeft gericht getuige de boerderijen in het dorp.

De visserij van beide dorpen is na de stormramp van 1883, waarbij een deel van de vloot verging, snel achteruit gegaan en in de loop van de 20e eeuw geheel verdwenen.

[p. 446]



illustratie

Afb. 699. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1832. Schaal 1:7500.




illustratie

Afb. 700. Luchtfoto, schaal 1:6000. Opname 1971.


[p. 447]

Kerkelijke gebouwen

Hervormde kerk

De Hervormde kerk ligt op een omheind kerkhof. Zij is eigendom van de Hervormde gemeente met uitzondering van de voorgevel en de toren met de gedeelten van de zijmuur ‘tot aan de schutting achter 't bintwerk van de toren’ (akte van 1877; afb. 701, 703-707).

Litteratuur

r.v.a. i, 145; Benef. 166; r.v.g.o., 115; Van den Berg, Oostdongeradeel, 120.

Afbeelding

Tekening door J. Stellingwerf 1722, coll. Fries Museum, Leeuwarden (afb. 704).

Geschiedenis

In 1511 wordt naast de pastoor een vicaris genoemd, hetgeen wijst op een meer dan gewone betekenis van de kerk.

Naamheilige

Blijkens de afbeeldingen op de klok is waarschijnlijk de abt S. Antonius de naamheilige van de kerk geweest.

Beschrijving

Het eenbeukige schip dat in een halfrond gesloten koorruimte overgaat, is aan de westzijde verlengd en in 1792 van een houten torentje op het dak voorzien.

Materiaal

Het oude metselwerk bestaat uit baksteen van 28,5-29,5 × 9,5 cm, 10 lagen 108 cm, in verband van ongeveer drie strekken afgewisseld met een kop. Aan het koor is beneden grotere en dunnere steen verwerkt van 30-31 × 8-8,5 cm, 10 lagen 95 cm, in verband van ongeveer twee strekken een kop. De westelijke verlenging bestaat uit afbraakmateriaal, de westelijke muur uit kleine steen, 20-21 × 4,3 cm, 10 lagen 50,5 cm.

Beschrijving

De absis sluit met een sprong van 15 en 20 cm respectievelijk aan noord- en zuidzijde aan op het muurwerk van het schip. Het muurwerk is overal ongeveer 65 cm dik. In de bovenste vier lagen van de absis gaat de ronding over in vier hoeken ten behoeve van de kapspanten. Ten oosten van het derde venster is aan de noordzijde een bouwnaad in het metselwerk te onderscheiden. In de noordmuur staan vrij jonge ingehakte rechthoekige vensters, die waarschijnlijk oorspronkelijke vensters vervangen.

In de zuidermuur is in de koortravee een hooggeplaatst rondbogig venster over. Door zware klimopbegroeiing zijn eventuele overige sporen niet te zien. De hoge smalle vensters aan deze zijde zijn duidelijk niet oorspronkelijk. In de absis staan twee kleine rondbogige vensters. In de as van de absis is een groter venster ingebroken en weer gedicht. Ten oosten van het tweede venster aan de noordzijde is een rondbogig poortje geweest.

Het met leien beklede klokketorentje staat in de kerk op houten staanders. Een steen in de westgevel vermeldt: ‘Anno 1792 is deese Tooren gestigt Predikant Th.C.K. Beilanus Kerkvoogden Sybe Jans Visser Dirk Willems’.

Inwendig

De noordmuur vertoont over de gehele lengte van het metselwerk een versnijding ter hoogte van de dorpel van de later ingebroken vensters. Daar de ingang er niet in te onderscheiden is, zal het een jongere beklamping betreffen. De vensters van de absis zijn inwendig spitsbogig verhoogd.

De kerkruimte is overdekt door een korfbogig houten gewelf op een verbrede voorlijst. De muren zijn verankerd door ijzeren trekstangen. De kap is van rondhout en waarschijnlijk tegelijkertijd met het gewelf vernieuwd.

Bouwgeschiedenis

De kerk is in twee fasen in de laat-romaanse periode, dat wil zeggen omstreeks 1200 ontstaan, in die zin, dat het koor tegen het schip gebouwd is. Na afbraak van de toren is het schip in 1792 westwaarts verlengd en van een daktorentje voorzien.

Inventaris

De kerk bezit:

Preekstoel

een 19e-eeuwse preekstoel met trap, achterschot en klankbord, opgesteld tegen de koorwand. Op de kansel een statenbijbel uitgegeven in 1702 bij H.J. en P. Keur te Dordrecht en te Amsterdam door M. Doorninck en P. Rotterdam.

Een gesmeed ijzeren standaard van een doopbekken.

Orgel

Blijkens een bijdrage, verantwoord in de voogdijrekeningen van Rinsumageest, is het orgel in 1908 gekocht; het rugpositief zou afkomstig zijn uit een r.k.-kerk in Noord-Holland en in 1913 zijn toegevoegd.

Zilver

Beker, hoog 13,8 cm, diam. 10,4 cm, op standring met spiraalband (afb. 718). In gegraveerd lofwerk allegorische figuren van Geloof, Hoop en Liefde.

Inscriptie: ‘De kerke beeker van Paesens 1692’. Merken Dokkum, e van 1677, meesterteken Thomas Sibrand Hicht.

Beker, kopie van bovenstaande uit 1903.

Tinnen kan met zilveren deksel en duimrust, hoog 29,5 cm (afb. 710). Op de deksels is

[p. 448]



illustratie

Afb. 701. Hervormde kerk. Plattegrond.


een afbeelding van de kerk gegraveerd. Een onduidelijk merk in een schild.

Klok

In het torentje hangt een klok, grootste diam. 103 cm (afb. 707). Opschrift: ‘Anno dn̄i mcccccvii Maria bin ick gheheten dat Kerspel to der pasen hebben my laten geten Johan my ghegoten haet’. Aan het einde van het opschrift is een reliëfje van S. Catherina. Op de mantel twee reliëfs met opschrift ‘S. Maria en S. Antonius’.

Pastorie

Aan de Achterweg 2 staat de voormalige Hervormde pastorie, volgens het handschrift Andreae-Tuinman in 1848 gesticht blijkens een eerste steen. Het is een blokvormig huis onder omgaand zadeldak met vier hoekschoorstenen en omlijste ingang in het midden, geflankeerd door pilasters met forse Korintische kapitelen; erboven een halfrond gesloten dakkapel. De vensters hadden tot voor kort nog zes ruiten, doch zijn in 1981 van een kleinere roedenverdeling voorzien. Tegen de achterzijde staat een leergebouw.

Overige bebouwing in het dorp

Achterwei 4 (Achterweg)

Gardenierswoning bestaande uit een vrij lang voorhuis gedekt door een zadeldak, dat ononderbroken overgaat in het dak over het schuurgedeelte. Het voorhuis heeft aan een zijde een lage aanbouw (later verhoogd) onder aankapping, waarin zich een keldertje en de bedsteden hebben bevonden; aan de andere zijde was de ingang. De vensters waren tot de jaren zeventig nog van zes ruiten voorzien.

Achterwei 8

Vrij gaaf bewaard vissershuisje onder zadeldak tussen topgevels, ± 1800.

Buorren 2 (Buurt)

Boerderij waarvan het brede voorhuis door een dwars schilddak met hoekschoorstenen gedekt is (afb. 712). Zesruitsvensters. In de achtergevel van de rietgedekte schuur ankers, die het jaartal 1821 vormen.

Buorren 11

Dwars gebouwd woonhuis met de ingang in het midden, waarboven een grote dakkapel met pilasters en afhangend snijwerk versierd, xixa. Tentdak met hoekschoorstenen en overgekraagde goot op klossen. De vensters waren tot de jaren zeventig nog van zes ruiten voorzien.

Buorren 13

Dwars gebouwd woonhuis met ingang in het midden onder schilddak met hoekschoorstenen, doch soberder uitgevoerd en op kleiner schaal dan het belendend pand, xix.

Buorren 19

Een van de weinige overgebleven eenvoudige woningen onder zadeldak tegen topgevel met vlechtingen en eindigend in een schoorsteen, xixa. De oude indeling aan de voorgevel is in zoverre verstoord dat men een toegangsdeur heeft aangebracht, die oorspronkelijk in de zijgevel gestaan heeft. Daar staat nu een tweede toegang naar een woning in het achterhuis, dat oorspronkelijk als werkruimte zal hebben dienstgedaan.

Eastein 10-12 (Oosteinde)

Aan het oosteinde van het dorp staan twee woningen naast elkaar onder een zadeldak tussen topgevels. Waarschijnlijk is ook dit aanvankelijk een woning geweest met een werkruimte erachter. Aan de oostelijke achtergevel is afbraakmopsteen toegepast voor het muurwerk van de begane grond. De topgevel bestaat uit kleine steen en heeft vlechtingen langs de zijden en twee kleine licht- en luchttoevoeren op de zolder. De aanbouw waarin de oorspronkelijke toegang geweest zal zijn, is aan de achterzijde.

De Wiel 10 (Het Waal)

Eenvoudige visserswoning uit omstreeks 1800, onder zadeldak tegen topgevel met vlechtingen langs de zijden en topschoorsteen. In de topgevel zeer kleine luchtopeningen. De ingang is nog in de zijgevel, doch is later in een stenen aanbouw gevat. Aan de andere zijde is de gevel naar beneden toe verlengd en is plaats voor de bedsteden onder

[p. 449]



illustratie

Afb. 702. 18e-eeuwse visserswoning, in zijn geheel in 1972 overgebracht naar het Zuiderzee-museum te Enkhuizen.
Tekening Openlucht-museum Enkhuizen.


een aankapping. De vensters staan zo dicht opeen dat er nauwelijks een schouw gestaan kan hebben. Het pandje is in 1981 afgebroken.

Voormalig L 114

Vissershuis, dat zo volledig mogelijk is overgebracht naar het openlucht-Zuiderzeemuseum te Enkhuizen (afb. 702).

Gevelsteen in voormalig L 14

In pand l 14 stond tot de afbraak een gevelsteen met het wapen van Dokkum onder een kroon en de letters s.p.q.d. Het zal dezelfde steen zijn, die Andreae-Tuinman vermeldt in de boerderij Meinsma en die volgens hem afkomstig was van ‘het huis van Douma aan de zeedijk’. De wapensteen is overgebracht naar Dokkum, waar hij in het stadhuis zal worden toegepast. Voordien reeds was de steen ‘schoongemaakt’, zodat alle verfsporen verdwenen zijn.

Industriemolen

Zuidelijk van Paesens staat aan Mounewei 4 een achtkante molen met stelling, genaamd ‘De Hond’ en gebouwd in 1861 (afb. 711).

[p. 450]

Litteratuur

Keune, Molens 35-37, afb. p. 36; Molens van Friesland, 89, 102 en 124; Wijnja, i.v. Paesens; Fries molenboek, 116-117.

Geschiedenis

Nadat de molen op het Roptaterrein ten noorden van Metslawier een rendabel bedrijf was gebleken, vroegen in 1861 H.F. Ritzema uit Surhuisterveen en R.G. Sijtsema uit Rottevalle vergunning te Paesens een koren- en pelmolen te bouwen. Nog in hetzelfde jaar kon de molen in gebruik gesteld worden door W. en L. Stuivinga uit Leeuwarden. Na ruim 20 jaar gemalen te hebben, vertrok de molenaar naar Blija en werd zijn werk overgenomen door J.F. Dam uit Burum, die de molen tot 1925 bemaalde. Zijn weduwe en zoon zetten het bedrijf voort tot na 1945, waarna de molen in verval raakte. In 1953 werd sloopvergunning verleend, doch daarvan werd geen gebruik gemaakt totdat ten slotte de molen in 1968 gekocht werd door de vereniging ‘De Hollandse Molen’, die een restauratie tot stand bracht. Hierbij werden onder andere de gehele basis en de opbouw van de kap, de staart en de stelling vernieuwd. Voorts van het staande werk een groot deel van de kruisen, een deel van het boventafelment, het gehele ondertafelment (van eiken), de balklaag van de stellingzolder en de draagbalk van de koningsstijl, terwijl bij twee stijlen een eiken las werd aangebracht. Van het gaande werk het bovenwiel, een deel van de bovenbonkelaar en van het spoorwiel, één koppel stenen en de roeden, waarbij een oudhollandse ophekking de zelfzwichting verving.

In 1977 vond opnieuw een restauratie plaats. Hierbij werd onder meer een bintbalk (van de onderste bintlaag) vernieuwd, terwijl bij nogmaals twee stijlen naaldhouten laseinden aan de onderzijde werden aangebracht.

Het staande werk

De gemetselde voet is gefundeerd op stiepen; hier tussen bevinden zich de veldmuren. De stiepen blijven zowel in- als uitwendig als pilasters zichtbaar. Boven de toegang bevindt zich een steen met een afbeelding van een hond en het jaartal 1861. In de voet bevinden zich, de stellingzolder inbegrepen, twee zolders. Het onderachtkant is bekleed met gepotdekselde delen.

Het met riet gedekte grenen achtkant is gebouwd volgens het algemene systeem, maar bezit op noordelijke wijze drie bintlagen. Tussen de tafelmenten bevinden zich ter hoogte van de bintlagen de veldregels, waardoor de velden in vier vakken worden verdeeld. Terwijl in het bovenste van deze vakken de hondsoren zijn aangebracht en in dat daaronder een enkel kruis is geplaatst, worden de beide onderste vakken gezamenlijk versterkt door een de regel snijdend kruis. In latere tijd heeft men bij de bovenste twee vakken een extra kruis aan de binnenkant aangebracht, terwijl men hetzelfde heeft gedaan in het vak op de steenzolder; de molen is dus verkruist.

De basis van de kap en de spanten zijn van eiken, het voor- en achterkeuvelens van grenen. De eiken lange spruit wordt als middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. Op de baard, vernieuwd bij een restauratie met een ander profiel, de naam van de molen, ‘De Hond’, met de jaartallen 1861 en 1970. De kap is kruibaar op de voor het noorden typische kruiring; de staart heeft een kruilier.

Het gaande werk

Wieksysteem: oudhollands, voorheen op de buitenroe zelfzwichting, stalen roeden, vlucht 19 meter. Gietijzeren doorboorde bovenas, gegoten in 1904 door de firma H.J. Koning te Foxham. Bovenwiel met Vlaamse vang, luiwerk, één koppel koren- en twee koppels pelstenen.

Molenaarshuis

Bij de molen staat een eenvoudig breed woonhuis onder schilddak, als dwarshuis voor een deels met riet gedekte schuur gebouwd. Het zal ook uit 1861 dateren.

Terpen en de bebouwing daarop

Ten zuidoosten van het dorp zijn drie terpen beschermd die 11e-eeuwse woonplaatsen geweest kunnen zijn.

Meinsma

Bij een daarvan geeft Eekhoff de naam Meinsma. Meinsma komt in 1511 voor als pachtboerderij, eigendom van Gerbet Mockema en bewoond door Dowe Mensema, groot 41 pondemaat binnendijks en 13½ pondemaat buitendijks (r.v.a. i, 145).

Volgens Andreae-Tuinman stond in een zijgevel van het huis een gevelsteen met ‘s.p.q.d.’ (zie voormalig L 14).

Overige boerderijen

Ornia-state

Recht ten zuiden daarvan ligt bij de grens met Lioessens Ornia-state op een omgracht terrein.

[p. 451]

In 1511 komt Tierck Oetnije voor (r.v.a. i, 147) die 33 pondemaat land pacht. In 1640 is de boerderij 64 pondemaat groot. Te Paesens worden voorts in 1582 genoemd Anna Oenije (Berns 54, j, 29), in 1583 en 1597 Sijuck Upkesz op Ornija (ib. 288 en j 2, 8) en in 1599 Hessel Onnija (ib, j 2, 331). In 1640 is Ornia-sathe eigendom van Jancke Ornia, die mogelijk identiek is aan ‘Jannetje Ornia, weduwe Heero van Hottinga’ te Harlingen (Berns 89, q 4, 171). Gosewinus Ornia, koopman te Amsterdam, bezit in 1638 twee boerderijen te Paesens (Berns 49, d 2a, 21). De Ornia's waren r.k., wat mogelijk de oorzaak van zijn beroep en verblijfplaats was. Thans staat er een boerderij in stelpvorm.

Heemstra

Heemstra aan de Langgrouwsterweg wordt bij Schotanus reeds als onbebouwd stemmend hornleger aangegeven. De Heemstra's worden nog vermeld in de Decretale Verkopingen van 1587 (Gen. Jierb. 1978 naar Berns 21, iii, 7).

[p. 452]



illustratie

Afb. 703. Het vroeg 13e-eeuwse muurwerk van het koor van de Hervormde kerk. Opname 1963.




illustratie

Afb. 704. De kerk en toren getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 705. De vroeg 13e-eeuwse noordgevel van de kerk waarin later enige vensters zijn gebroken. Dakruiter uit 1792. Opname 1972.


[p. 453]



illustratie

Afb. 706. Het inwendige van de kerk naar het oosten gezien. Opname 1981.




illustratie

Afb. 707. De klok met afbeelding van ‘Sanctus Antonius’. Opname 1943.




illustratie

Afb. 708. Zilveren avondmaalsbeker uit 1677. Opname 1976.




illustratie

Afb. 709. De zilveren deksel waarop een afbeelding van de kerk met zadeldaktoren, dus vóór 1792. Opname 1976.




illustratie

Afb. 710. Tinnen wijnkan waarop zilveren deksel is gemonteerd, mogelijk afkomstig van een aardewerken kan. Opname 1976.


[p. 454]



illustratie

Afb. 711. Korenmolen de Hond uit 1861. Opname 1981.




illustratie

Afb. 712. Boerderij Buurt 2, in de achtergevel gedateerd 1817. Opname 1965.