Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 101]

Janum

Janum is een van de drie in het kleigebied van de gemeente gelegen dorpen en voorts een van de twee waarvan de kerk op een terp is gelegen. Opvallend is, dat dit tot Dantumadeel behorend dorp noordelijk van de Ee ligt, terwijl elders veelal de grens tussen deze gemeente en Ferwerderadeel door dit water gevormd wordt. In de litteratuur wordt dit verklaard door te wijzen op het feit dat Janum oorspronkelijk een uithof vormde van het klooster Klaarkamp, gelegen onder Rinsumageest (Glazema, Gewijde plaatsen, 202; Van Buijtenen, Dorp 65).

De hieronder beschreven bouwgeschiedenis van de kerk geeft geen duidelijke aanleiding tot een dergelijke veronderstelling. Wel blijkt het klooster hier in 1511 veel grondbezit te hebben, wat van invloed zal zijn geweest bij de vaststelling van de begrenzing van de grietenij (r.v.a. 1, 200).

De Tegenwoordige Staat (249) vermeldt in 1786 dat Janum het kleinste dorp van de grietenij is, gerekend naar het aantal stemmen. De omvang van de dorpsbebouwing blijkt aan de hand van het 18e- tot 20e-eeuwse kaartmateriaal altijd zeer gering te zijn geweest. De bebouwing op de kleine kerkterp heeft nooit uit meer dan enkele gebouwen bestaan.

[p. 102]



illustratie

Afb. 139. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


[p. 103]



illustratie

Afb. 140. Luchtfoto. Schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 104]



illustratie

Afb. 141a. Plattegrond, doorsneden en details van het kerkgebouw van Janum. Getekend 1983 naar opmetingen 1976.




illustratie

Afb. 141b. Details aan het gebouw: a. profiel van de vensters (links) en siernissen (rechts); b. gevonden gewelfrib; c. profiel van de ingang noordzijde; d. profiel van de ingang zuidzijde; e. profiel van de muraal van de noordwestelijke hoekpilaster. Getekend 1982.




illustratie

Afb. 141c. Links: gevonden zandstenen zerk en altaarblad; de dubbele lijn onderaan geeft de portaalwand aan, die voor de restauratie aanwezig was. Tekening 1944. Rechts: Gevonden baksteen met ingestempeld strooipatroon. Tekening 1944.


[p. 105]



illustratie

Afb. 141d. Reconstructie van de koorsluiting van de kerk van Janum voor de restauratie. Links detail kolonnet. Getekend 1976 naar opmeting in dat jaar.


Kerkgebouw

+ Het kerkgebouw ligt op een hoge terprest, waarop voorts nog slechts enige opstallen en een grote boerderij staan. Het kerkhof is omheind door een heg. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente en in gebruik afgestaan aan het Fries Museum te Leeuwarden als uithof (afb. 141-154).

 

+ r.v.a. i, 200; Benef. 204; r.v.g.o. 162; Charterb. ii, 724; Botke 195; Van Buijtenen, Dorp, 65 en afb. 17; P. Glazema in: Een kwart eeuw, 409-420; Kerkmuseum Janum, gids Leeuwarden 1967; R. Steensma en W.J. Berghuis, De kerk van Janum, in: Bulletin k.n.o.b. 1970, 53.

+ Tekening door J. Stellingwerf (afb. 144); twee tekeningen door A. Martin en een anoniem, xix, collectie Fries Museum, Leeuwarden (afb. 142, 148).

 

+ Blijkens het register van den Aanbreng had Klaarkamp te Janum grondeigendom, dat op de derde plaats komt van Klaarkamp uit gerekend na het eigendom te Rinsumageest en te Sybrandahuis. Volgens een ongedateerd handschrift omstreeks 1576 (archief Klaarkamp nr. 37) kwam Janum zelfs op de eerste plaats wat floreenaanslag betreft (daar de goederen te Rinsumageest door het klooster zelf gebruikt werden en geen floreen opbrachten). Dit is de aanleiding geweest voor de onderstelling dat Janum een uithof zou zijn geweest. Een stuk uit 1538 in het archief-Tjaarda (Charterb. ii, 724) geeft voorts een kijk op de situatie; de Stadhouder weigert daarin de benoeming van een nieuwe pastoor goed te keuren, daar Syds Tjaarda daarover alleen heeft beslist en voorheen ook de gemeente en de abt van Klaarkamp daar recht toe hadden. Dit recht zal samenhangen met het grote grondeigendom, dat Klaarkamp in 1511 te Janum had. Ook Schelte Tjaarda wordt daar enige malen als landheer genoemd. Hoe het recht van de drie eigenaren ontstaan is valt slechts te gissen. Mogelijk heeft een Tjaarda land geschonken aan Klaarkamp en vinden we die schenking in 1543 vermeld als ‘'t corpus van het leen’.

De kerk is in 1942-1944 gerestaureerd onder leiding van ir. J.J.M. Vegter te Leeuwarden. Bij die gelegenheid werd het koor vrijwel vernieuwd en op beton gefundeerd, en werd de westgevel met een topgevel bekroond. Waar zij gevonden werden zijn de oude vensters hersteld; twee jongere aan de zuidzijde zijn weggewerkt.

Tijdens de restauratie is een bodemkundig onderzoek ingesteld. Het koor was toen reeds grotendeels vergraven ten behoeve van de betonfundering. Wel kon worden vastgesteld dat daar in het grondprofiel een brandlaag van riet en leem aanwezig was, die naar Glazema in 1947 schrijft, niet in het schip werd aangetroffen. In de westelijke helft van het schip werden brandsporen vermengd met leem en bronssintels gevonden, zodat men moet aannemen dat daar een klok gegoten is. De fundering bestond in het schip uit grondverbetering van door elkaar grond, schelpen en baksteenpuin.

[p. 106]

Oostelijk van de ingang vond Glazema een lichte fundering van een dwarsmuur, althans gedeelten daarvan en tussen de ingang en het middelste vensterpaar een altaarfundering (afb. 150). Daar de funderingsrest van de dwarsmuur juist voor het altaar ligt, kunnen ons inziens dwarsmuur en altaar niet gelijktijdig in gebruik geweest zijn. Men moet dan wel concluderen, dat de dwarsafscheiding uit de reformatorische tijd dateert en deze later westwaarts verplaatst is, toen ook de ingang meer westelijk werd ingebroken.

+ Het gebouw bestaat uit een eenbeukig schip met een inwendig halfrond, uitwendig flauw achtzijdig koor.

+ De baksteen meet aan het schip 31 × 9,3 cm, 10 lagen 98 cm, dus met zeer dunne voegen verwerkt. Aan het koor meet de steen 28 × 7,5, 10 lagen 90 cm in vrijwel uitsluitend strekken in halfsteensverband. De binnenzijde was veel onregelmatiger gemetseld dan de buitenzijde.

+ Schip en koor zijn van elkaar gescheiden door een bouwnaad, die ook vóór de restauratie uitwendig en tijdens de restauratie inwendig duidelijk aan het licht getreden is (afb. 151). Aan de nog gave noordzijde was het muurwerk van het schip versierd door een groep van drie rondboognissen oostelijk van de gedichte ingang en een dergelijke nis westelijk daarvan. Van de groep van drie bleek de middelste een gedicht venster te zijn. De twee nissen, die gevuld zijn met baksteenvlechtwerk, zijn omlijst door een bakstenen kraal in de rechte dagkant. Het venster is omlijst door een profiel op de buitenhoek van dagkant en muurvlak, bestaande uit een kraal begeleid door twee groeven aan weerszijden; de dagkant is bovendien geprofileerd door een soort accolade-profiel. Dit werd ook aangetroffen aan een laagstaand venster oostelijk van de trits, aan de rondboognis van de noordelijke ingang en aan de westgevel. De westelijke nis is behandeld als de flankerende nissen van het venster. Aan de zuidelijke gevel was een gelijke indeling als aan de noordzijde; alleen was het venster daar naar beneden vergroot en was het lage venster verstoord door een later ingebroken en segmentbogig gesloten venster. De ingang stond aan deze zijde in een spitsbogige nis met een eenvoudig profiel van een afschuining. De westelijke nis was niet zichtbaar en in de westelijke travee was een jongere toegang gebroken. Het muurwerk was afgesloten door een hollijst, die aan de absis overging in een bolprofiel dat zich voortzette langs de noordzijde, te zamen de oorspronkelijke profiellijst vormend. De westgevel was bij de aanvang van de restauratie geleed door een liseen aan de zuidelijke hoek en een in het midden van de gevel; deze had ter hoogte van de vensters een kraalprofiel langs de zijden. Aan weerszijden daarvan staan kleine vensters die grotendeels nog aanwezig waren en wier dagkanten gedetailleerd zijn als aan de vensters in de noord- en zuidgevel.

+ De absis springt uitwendig ter dikte van een halve steen in. De noordzijde van de koortravee was ook voor de restauratie gesloten. Aan de zuidzijde was in de koortravee een soortgelijk venster gebroken als wij reeds bij het schip vermeldden; het oversneed een ouder lager staand venster. Aan de zuidoostzijde van de absis was een evengroot venster ingebroken, dat alleen in de bovenste helft met kleine steen was omlijst. In de eerste sluitingszijden aan de noord- en zuidzijde waren laagstaande vensters gedicht; het zuidelijke was voordien vergroot en korfbogig gesloten. Daar het koor achtzijdig gesloten is, werd een laagstaand middenvenster zuidelijk van de middenhoek geplaatst. Naar oude foto's te oordelen was het niet tegelijk met het metselwerk aangebracht.

Tegen de noordoostelijke hoek van de absis stond een zware steunbeer. Het bovenste gedeelte van het muurwerk van de absis bestond volgens oude foto's uit iets dikkere steen en had op de hoeken uitgemetselde kralen opgaand van een console bestaande uit een liggende en een staande kop.

+ Het koormuurwerk bleek aan de westzijde afgewerkt te zijn, waartegen het schipmuurwerk ‘koud’ was opgemetseld (afb. 151). De westelijke hoeken van de kerk bleken doorgaand gemetseld te zijn en vertonen de aanzet van een overwelving (afb. 154); aan de voet van de muren zijn voorts de voetingen gevonden van gordelbogen, waartegen gewelven gerust hebben. Tegen de noord-, zuid- en westmuur zijn de flauw spitsbogige muralen te zien van deze gewelfkappen en boven het oostelijke laaggeplaatste venster nog een lage aanzet. In de zijmuren van het koor zijn rondbogige nissen uitgespaard. Daarboven loopt een rondgaande versnijding. De meest westelijke gedeelten van de muren van de koortravee waren aan de binnenzijde afgekloofd. Uit de opgraving bleek, dat hier noord-zuid lopende gedeelten muur waren weggehakt. Ook bij de aanzet van de absis was in het muurwerk mogelijk een afgekapte gordelboog te zien. Bij de aanvang van het

[p. 107]

bodemonderzoek was daar het beton van de fundering reeds gestort. De ingang kon door een sluitbalk vergrendeld worden. De grenen kap, waarin zeer veel hout was gebruikt, was 17e-eeuws of jonger; nu is een open kap met strowissen onder de pannen aangebracht, bestaande uit de helft van de aangetroffen spanten.

+ Niettegenstaande Glazema's argumentering dat het koor jonger zou zijn dan het overwelfde schip, menen wij met W.J. Berghuis, dat het koor het oudste gedeelte van de kerk is. Het steenverband van vrijwel louter strekken is alleen in het begin van de baksteenverwerking toegepast; de details van het schip zijn duidelijk laatromaans. De westzijde van het koormuurwerk was bovendien afgewerkt. De versnijding inwendig in het koor wijst op een overwelving; ook de laaggeplaatste koorvensters wijzen daarop.

Het absisgewelf zal tegen een absisboog gerust hebben. Aan de westzijde was het koor begrensd door een noord-zuidlopende muur met een opening in het midden, waarover een triomfboog geslagen zal zijn geweest. De door Glazema onderkende brandsporen kunnen dateren uit de periode dat het gewelf nog niet ingemetseld was of van een rietdekking van de koortravee. Het schip vertoont late kenmerken aan de vensterprofielen, van rond 1300, en was overwelfd met twee koepelgewelven; het verving blijkens baksteenpuin in de fundering een vroeger, eveneens bakstenen schip. De afsluitende muur van het koor werd gesloopt en een derde gewelfvak moet zich uitgestrekt hebben over de koortravee en het aangrenzende gedeelte van het nieuwe schip. De lage boog in de noordermuur die tegen de voormalige triomfboog loopt kan ons inziens niet anders verklaard worden dan als een decoratieve spaarboog die het veld onder het gewelf deelde (evenals het westelijke gewelf te Genum). Het muurwerk van de absis werd in het grotere materiaal van het schip verhoogd om een doorlopende dakvoet te krijgen. Profielstenen die in het muurwerk en rond de kerk gevonden zijn, moeten uit deze bouwperiode stammen. In een baksteen vrij hoog in de muur is het jaartal 1620 gekrast, mogelijk duidend op wijziging van de kap.

+ Voor de restauratie was een 17e-eeuwse houten preekstoelkuip met getoogde panelen aanwezig; deze zou in de omgeving van Leeuwarden nog ergens in een evangelisatielokaal aanwezig moeten zijn (afb. 153).

Op de noordwand is een fragment van een decoratieve wandbeschildering gevonden.

In de kerkruimte is een aantal voorwerpen opgesteld, deels uit de kerk, grotendeels van elders in Friesland afkomstig en eigendom of bruikleen van het Fries Museum.

Uit de kerk en van het kerkhof is het volgende afkomstig:

+ Een altaarsteen van rode zandsteen waarop vijf wijdingskruisen, 126 × 74 cm. Martin 69.

Fragment van een altaarsteen van rode zandsteen met drie wijdingskruisen, 102 × 75 cm. Martin 71.

+ Trapeziumvormige sarcofaagdeksel van rode zandsteen versierd met twee levensbomen, 148 × 87-68 cm; xii. Martin 65. (vgl. Kiesow, Ostfriesische Kunst, 21-27) (afb- 141c).

+ In de hangende klokkestoel tegen de westgevel een klok, diam. 80,5 cm met opschrift ‘Anno Dni mcccclxxxix dn̄s Hinricus Sidse Bottinge Capitanius in der Gest (Rinsumageest) Katrina (?) ent Claus Maria (?)’. Op de mantel kleine reliëfs van de Madonna met kind en duif, H. Bisschop met staf en mijter (S. Nicolaas?) en vrouwelijke heilige met zwaard (Catharina).

+ Bij een der kerktoegangen liggen twee granietkeien met een kleine uitholling in het bovenvlak.

Woningen en boerderijen

Op de terp staan ten westen en noorden van de kerk drie opstallen, aanvankelijk ieder waarschijnlijk als keuterij gebruikt. De pandjes ten westen van de kerk zijn de laatste jaren gerestaureerd als woning. Zij hebben alle een zadeldak tussen topgevels. Aan nr. 6 is deze bij de restauratie van hout aangevuld (afb. 155), nr. 10 is het meest gaaf en draagt in de voorgevel ankers 1628 (afb. 159). De inwendige details aan het bedschot dateren echter niet uit de 17e eeuw. De in kruisverband opgetrokken top van de voorgevel zou 17e-eeuws kunnen zijn; beneden is herbruikte mopsteen toegepast.

+ Aan de oprit van de terp staat een grote boerderij van het kop-hals-romptype met onderkelderd voorhuis (afb. 156, 157). Boven de zesruitsvensters zijn de strekken gebogen; forse schoorstenen met borden boven beide topgevels. Hoewel de boerderij reeds op de kadastrale minuut op deze plaats staat getekend, doch met een kort

[p. 108]

voorhuis, ziet het ernaar uit dat de boerderij in de tegenwoordige vorm omstreeks 1830 of iets later gebouwd is.

+ Aan de Eedijk stond tot in de jaren zeventig een boerderij van het kop-hals-romptype, waarvan echter het voorhuis toen is afgebrand. Hierna is de boerderij als menig andere in deze streek van het voorhuis ontdaan en als stelp hersteld (afb. 160). De kadastrale minuutkaart geeft de boerderij reeds met een lang voorhuis weer en hij zal in de 18e eeuw zo gebouwd zijn geweest.

Voormalige poldermolen

+ De in 1855 in de polder Tamsma ten zuiden van de kerkterp gebouwde achtkante zogenaamde boeremolen werd in 1970 afgebroken en overgebracht naar Jelsum bij Dekama State.

 

+ Molens van Friesland, 166; Fries molenboek 162; Molens in Friesland in oude ansichten, 11, 26.

[p. 109]



illustratie

De rondboogvensters in de westgevel van de kerk met het meervoudige kraalprofiel. Opname 1974.


[p. 110]



illustratie

Afb. 142. Gezicht op Janum door A. Martin midden 19e eeuw.




illustratie

Afb. 143. De terprest van Janum van het oosten gezien. Opname 1974.




illustratie

Afb. 144. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 145. De kerk van het zuidoosten gezien voor de restauratie. Opname 1944.


[p. 111]



illustratie

Afb. 146. De kerk na de restauratie van het noordoosten gezien. Opname 1974.




illustratie

Afb. 147. De kerk voor de restauratie van het noordoosten gezien. Opname 1944.


[p. 112]



illustratie

Afb. 148. De kerk van Janum omstreeks 1860 door A. Martin.




illustratie

Afb. 149. De zuidgevel na de restauratie met laaggeplaatst venster. Opname 1974.




illustratie

Afb. 150. De gevonden fundering midden in het schip. Opname 1944.




illustratie

Afb. 151. De aanhechting van het schip tegen een afgekloofde triomfboog van het koor. Opname 1944.




illustratie

Afb. 152. De gevonden stiepen in de voorkerk. Opname 1944.


[p. 113]



illustratie

Afb. 153. De verdwenen preekstoelkuip. Opname plm. 1939.




illustratie

Afb. 154. Het inwendige van de kerk naar het westen met in de hoeken de aanzetten voor de overwelving. Tentoongestelde voorwerpen van elders afkomstig. Opname 1974.




illustratie

Afb. 155. De herstelde woningen ten westen van het kerkgebouw. Opname 1983.


[p. 114]



illustratie

Afb. 156. De voorgevel van de 19e-eeuwse boerderij aan de terpvoet met onderkelderd voorhuis. Opname 1983.




illustratie

Afb. 157. De zijgevel van de boerderij nr. 1 aan de terpvoet. Opname 1983.




illustratie

Afb. 158. De gave keuterij ten noorden van de kerk. Opname 1983.




illustratie

Afb. 159. De keuterij ten westen van de kerk voor de restauratie; ankers in de voorgevel vormen het jaartal 1628. Opname 1965.




illustratie

Afb. 160. Grote boerderij van het kop-hals-romptype uit de 18e eeuw aan de Ee, voor de wijziging na brand omstreeks 1970. Opname 1965.