Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 115]

Rinsumageest

Het dorp is gelegen op de noordwestelijke rand van de Dokkumer Wouden, waar dit gebied overgaat in het kleilandschap. In het verleden was Rinsumageest het belangrijkste dorp van de grietenij. De oudste uit de bronnen bekende grietman (1242) was uit ‘Gaast’ afkomstig (v. Buijtenen, Leppa, 13). Door de Tegenwoordige Staat (243) wordt Rinsumageest het grootste en aanzienlijkste dorp van de grietenij genoemd. Van 1593 tot 1880 was het de hoofdplaats van Dantumadeel.

In de goederenlijsten van het klooster Fulda, daterend uit de tweede helft van de 8e eeuw en het jaar 945, komt de naam Ringesheim voor (Dronke, c. 7, c. 37). Deze vermelding heeft aanleiding gegeven tot verschillende opvattingen over de oudste geschiedenis van de nederzetting. Gysseling identificeert deze naam met Rinsumageest (Gysseling, 847). Volgens Halbertsma slaat de 8e-eeuwse vermelding niet op het tegenwoordige dorp, maar op de terp twee kilometer ten noorden van het dorp waar het klooster Klaarkamp zich in de 12e eeuw vestigde (Halbertsma, Terpen, 117, 193). De naam zou in een later stadium op het tegenwoordige dorp zijn overgegaan. De overweging voor deze opvatting is dat in de 8e-eeuwse naam het element ‘geest’ niet aanwezig is, maar het onderdeel ‘-heim’. De heemnamen zijn in deze streek vooral aan het terpengebied verbonden. ‘Geest’ is een aanduiding voor zandgrond, tegenover of temidden van veen- en kleigrond (Moerman, 70).

Meer in het bijzonder vormen geesten complexen akkerland die met name bekend zijn uit de Westnederlandse kuststrook waar ze op de strandwallen waren gelegen. Aldaar was dit element in de plaatsnaamgeving in de 9e eeuw bekend (Moerman, 71).

De opvatting dat Ringesheim op de Klaarkamper terp gevonden moet worden valt niet zonder meer aan te tonen. Weliswaar is in de terp archeologisch materiaal uit de Romeinse tijd aangetroffen, maar van bewoningssporen voorafgaand aan de bouw van het klooster in de 12e eeuw wordt geen melding gemaakt (Praamstra/ Boersma, 174, 175).

De Schotanus- en Eekhoffkaarten laten zien dat in de omgeving van het dorp opmerkelijk veel terpen en wieren lagen die uitgangspunt voor de bewoning van het noordwestelijk deel van de Dokkumer Wouden kunnen hebben gevormd. Het meest opvallend daarbij is een tweetal terpen die slechts 500 meter noordelijk van de kerk lagen. Deze terpen lagen op de rand van het kleigebied en de Wouden en vormden daarmee een voor de hand liggend uitgangspunt voor de occupatie van dit gebied. Het kaartmateriaal laat voorts zien dat direct ten oosten van de woonheuvels een weg liep die van de dorpskom via de kerk naar het klooster leidde.

De Schotanuskaart van 1718 en de eerste militair-topografische kaart van 1854 geven aan dat op en rond deze terpen een complex akkerland lag dat door weiland was omgeven. De ligging van deze akkers op de rand van hoger gelegen gronden komt onder soortgelijke landschappelijke omstandigheden overeen met de ligging van Westergeest en de Wijgeest onder Oudwoude in Kollumerland. Het terrein ten noordwesten van de kerk te Rinsumageest zou op die gronden als de geest in aanmerking komen en tevens het gebied zijn waarop de vermelding Ringesheim betrekking had. Deze opvatting betekent dat het element geest in de 8e-eeuwse

[p. 116]



illustratie

Afb. 161. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1820.


plaatsnaamgeving hier nog niet van invloed is geweest. Het tijdstip waarop de bewoning zich vervolgens ten zuidoosten van het aan deze terpen grenzend Woudgebied uitstrekte, wordt globaal aangegeven door de ouderdom van de op de zandgrond gebouwde kerk. De bouwgeschiedenis geeft hier het einde van de 11e of het begin van de 12e eeuw voor aan. Het vermoeden van een voorganger van de kerk en sporen van een grafveld daaronder vervroegen dit tijdstip nog enigszins (Glazema, in: Een kwart eeuw, 414, 415). Na de vermelding in de goederenlijsten van het klooster Fulda komt de plaats sinds het midden van de 13e eeuw opnieuw in de bronnen voor. Daarbij wordt het eerste deel van de naam meestal weggelaten en is er sprake van Gast of Gaast. Slechts een enkele maal, bij aanduiding van de persona, wordt gesproken van Renisma Gaest of Rinismagast (Sipma i, 34, 221). Overigens is de lokale benaming van het dorp als De Geest tot op heden gebruikelijk. Het kaartmateriaal laat zien dat aan het begin van de 18e eeuw het zwaartepunt

[p. 117]



illustratie

Afb. 162a. Luchtfoto schaal 1:6250 van de dorpskom (boven) en het gebied ten oosten daarvan (beneden, iets overlappend) met de terreinen van de voormalige Eijsinga State en Melkema State. Opname 1977.




illustratie
Afb. 162b. Luchtfoto schaal 1:6250 van de dorpskom (boven) en het gebied ten oosten daarvan (beneden, iets overlappend) met de terreinen van de voormalige Eijsinga State en Melkema State. Opname 1977.


van de bebouwing ten oosten van de kerk lag. Aan beide zijden van het water, gevormd door de Murk en de Trekvaart, wordt een aaneengesloten lintbebouwing aangegeven. In 1648 kreeg het dorp octrooi tot het graven van deze vaart naar de Ee (Charterb., v, 508). De aanleg van de vaart en de oriëntatie van de bebouwing daarop wijst op het bestaan van scheepvaart- en handelsactiviteiten. Uit het midden van de vorige eeuw zijn een jaarmarkt en paardenmarkt bekend (Van der Aa, iv, 546). De aanwezigheid van een hooghout over de Murk in het dorp geeft nog aan dat hier vroeger vrachtvaart bestond. Blijkens het kaartmateriaal lagen in de directe omgeving van de kerk twee states, terwijl ten oosten van de dorpskom een tweetal andere omvangrijke stateterreinen lag. De nabije situering van de kerk en de Tjaardastate doen vermoeden dat de kerkstichting mede door toedoen van de statebewoners tot stand is gekomen. Van dergelijke relaties en overeenkomstige ligging is ook elders in noordoost-Friesland sprake.

[p. 118]



illustratie

Afb. 163. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1820 van het terrein van het voormalige klooster Klaarkamp. Schaal 1:7500.


De Tjaarda's vormden in de late middeleeuwen een zeer invloedrijk geslacht. Voor het dorp zelf betekende dit onder meer dat alle bewoners aan de noordzijde van het dorp, ongeacht of zij pachter waren of niet, hofhulp aan Tjaarda verschuldigd waren, blijkens het huurboek van Tjaardastate (Algra, Ein, 107, 108). De plattegrond van het dorp is sinds de bij Schotanus weergegeven situatie niet wezenlijk veranderd. Het aanzienlijke karakter van het dorp waarover de Tegenwoordige Staat sprak, zal met het verdwijnen van de states in de 18e en 19e eeuw sterk zijn verminderd. In 1880 raakte het dorp voorts de bestuurszetel van de gemeente kwijt aan het meer centraal gelegen Murmerwoude. Van 1901 tot 1976 was de in de dorpskom aan de Murk gelegen zuivelfabriek ‘De Toekomst’ in bedrijf. De bedrijfsgebouwen hebben sindsdien een andere bedrijfsbestemming. In 1971 werd een gedeelte van de vaart door het dorp ter plaatse van de vroegere verkeersbrug gedempt, waarmee een betere verbinding op de nieuwe verkeersweg naar Dokkum ten noorden van het dorp werd verkregen.

[p. 119]



illustratie

Afb. 164. Luchtfoto van het terrein van Klaaramp. Schaal 1:6250.


Het al ter sprake gekomen klooster Klaarkamp lag sinds xiic op een terp ten noorden van het dorp. Tot aan de opheffing in 1580 speelde het een grote rol in waterstaatkundige aangelegenheden en bij de vervening in het gebied. Het klooster droeg in de 14e eeuw de zorg over de Domzijl en sinds 1478 over de Leppazijl die noordoostelijk van Klaarkamp aan de Ee lagen (Rienks en Walther, 80-82).

Het klooster had voorts grote belangen in de veenexploitatie, die, in tegenstelling tot de turfgraverij van de dorpsbewoners, gericht was op verkoop op de markt.

Door ruiling, koop en verkoop had het klooster aanzienlijke oppervlakten veenland in Dantumadeel en noordelijk Tietjerksteradeel verworven (Van der Molen, Turf, 32-38). Het centrum van de vervening vormde Veenwouden, sinds 1436 een uithof van het klooster toen de stins aan het klooster kwam.

[p. 120]

Kerkgebouw

+ De Hervormde kerk staat op een ruim omgracht kerkhof van ongeveer ronde vorm. Langs de omgang ligt een aantal kleine zwerfstenen, waarvan sommige een uitholling hebben (afb. 165-167, 172-200).

 

+ r.v.a. 1, 193; Benef. 195; r.v.g.o. 174; F.N.M. Eijck van Zuijlichem, ‘Kort overzicht van den bouwtrant der middeleeuwsche kerken in Friesland en Groningen’, in: Kroniek Historisch Genootschap 1851, 20; Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven xxv, 1902, 338; Wumkes i, 175; Sipma i, 384; P. Glazema in: Een kwart eeuw, 412-416; dez., Gewijde plaatsen in Friesland, Meppel 1948, 303 e.v.; W. Dolk, ‘Decretale verkopingen van kerkelijke goederen in de 16e eeuw’, in: It Beaken, 1965, 124, 140; H. van der Wal, ‘Houten ramen in vensters van romaanse kerken’, in: Bulletin k.n.o.b. 1968, 1; W. Duinkerken, Van onder de klokslag van Rinsumageest en Sijbrandahuis, z. pl. 1978 (typoscript).

+ Kerkvoogdijrekeningen 1634-1825, streekarchief Dokkum met uittreksel door archiefdienst Noordoost Friesland, Dokkum 1976; Historisch-bouwtechnisch rapport door W.J. Berghuis, in archief r.d.m.z. Zeist; veldschetsen opgravingen, archief r.o.b.

+ Gewassen pentekening door F.N.M. Eijck van Zuijlichem voorstellende de crypt in coll. Bodel Nijenhuis u.b. Leiden; opmetingsschetsen door Ad. Mulder 1886, archief r.d.m.z. Zeist.

 

+ In 1511 waren er te Rinsumageest een pastoor en een vicaris; de voornaamste grondbezitter was Schelte Tjaarda, terwijl ook het klooster Klaarkamp er veel landerijen in bezit had. In 1543 wordt naast de pastoor en de prebende, waarvan Heer Cornelius de landerijen opgeeft, een capellanie vermeld, door Sijds Tjaarda ingesteld om een kapelaan te onderhouden naast de pastoor, daar deze oud en blind was geworden. Er wordt uitdrukkelijk gesteld, dat deze goederen geen beneficie vormen en dat de inkomsten later bijvoorbeeld ‘voor timmeringe’ aan de kerk gebruikt mogen worden. In het testament van Sijds Tjaarda uit 1546 (Theissen, 292) wordt de capellanie tot de goederen gerekend die bij het Huis behoren. In 1580 worden patroons-, pastorie- en vicariegoederen opgegeven. Voor de bouwgeschiedenis van belang lijkt een charter uit 1525, waarin Johannes van den Heetvelde, bisschop van Hieropolis, verklaart het altaar van de nieuw gebouwde kapel te Rinsumageest gewijd te hebben, de kort tevoren opgerichte broederschap goed te keuren en een aflaat te verbinden aan bezoek aan de kapel en het altaar (Versl. 's Rijks Oude Archieven 1902). Het bezit van de broederschap wordt in de opgave van geestelijke goederen van 1543 en 1580 niet vermeld; zij behoorde kennelijk niet tot de kerkelijke goederen. Als naamheilige wordt door E.M. van Burmania in 1796 Johannes genoemd; Reitsma zegt Johannes de Doper. Een en ander zal teruggaan op de vermelding van de jaarmarkt op de dag van Johannes Onthoofding bij Winsemius en Schotanus' Beschrijving. Het testament van Jouck Tirdama uit omstreeks 1490 vermeldt, dat zij wil worden begraven naast haar eerste echtgenoot Worp (van Tjaarda) ‘bij Sinte Alexander’ in de kerk van Rinsumageest (Sipma i, 384).

De decretale verkoping van 25 oktober 1565 (Dolk) vermeldt dat Worp van Tjaarda en Augustinus Dircxz, grietman van Dantumadeel, als kerkvoogden van Rinsumageest vijf roeden veen in Veenwouden verkocht hebben ‘vermits het gebreck van clocken in der kercken aldaer, vermits oeck het olde clockhuys was vergangen, zij supplianten alhier binne Leewaerden hadden doen gieten een nyeuwe clock, omtrent die tweeduysenten-devierhondert pondt wegende, daervoeren betaeldt soude moeten werden wel omtrent sestehalvehondert Carolus gulden, als zij oeck hadden doen maecken een nyeuw clockhuys, wel sullende costen hondert gouden gulden’. Men had daarvoor geen geld gehad ‘deurdien de kercke vermidts ouderdom jaerlijcx groete reparatien was eyschende’. Uit de kerkvoogdijrekeningen valt te lezen, dat er in 1644 een nieuwe avondmaalstafel en twee banken zijn gemaakt door Claes Lous, timmerman te Rinsumageest. In 1646 zijn nieuwe sleutelstukken onder de balken gemaakt, in 1645 verzette men de ‘Peideuren’ en de preekstoel. Een nieuw orgel komt sedert 1647 in betaling aan Willem Meijnerts. Er komt snijwerk aan van Eilingh Gerbres, meester-kistenmaker en timmerman te Rinsumageest. Na een onderhoudsbeurt in 1668 wordt de toren in 1704-05 gesteigerd en hersteld op last van Tjaard Aylva, waarna in 1709 pannen op het dak komen. Een

[p. 121]

oude balk van de kerk van Driesum wordt in 1714 in de kerk gebruikt. In 1721 krijgt het inwendige nieuwe ‘bogen’, dat wil zeggen een nieuw houten gewelf. Ook worden glazen verrekend voor 47 Carolusguldens, mogelijk zijn toen enige houten ramen gemaakt. Geregeld moet er aan de toren gewerkt worden. Een grote post noemt 18.000 stenen voor de kerk in 1777. In 1768 heeft men een nieuwe preekstoel gekocht bij Egbert van den Hoek, meester-timmerman te Leeuwarden. In 1785 levert de timmerman kozijnen. Wanneer Eijsinga State verkocht wordt in 1805 koopt men een poortomlijsting. Ook wordt er steen van het slot gehaald, zand en tufsteen van en naar de kerk gereden en kiezel en tufsteen geruimd. In 1826 wordt er een nieuw raam gemaakt en moet er zeil gekocht worden om een tijdelijk open raam te dichten. De toren wordt in 1843 afgeschrobd en schoongemaakt volgens bestek. Tenslotte komt er in 1894 een nieuw orgel van Bakker en Timmenga op een kraak die op pilaren komt te rusten. De klok wordt in 1904 nog hersteld.

+ In 1942 is onder leiding van P. Glazema een onderzoek ingesteld naar de toegang van de crypt onder het koor en in de vloer daarvan; tevens werd gezocht naar de fundering van een veronderstelde zijbeuk aan de noordzijde van het schip. In 1944 werd intensiever gezocht naar de fundering van deze zijbeuk en werd de bodem van het omliggende terrein van het koor mede in het onderzoek betrokken. Na het onderzoek werden in 1945 de crypt en de gevonden westelijke toegang hersteld onder leiding van architect A. Baart sr. en ir. J.E. Wiersma te Leeuwarden, die in 1943 reeds de top van de toren hadden hersteld nadat de klok uitgenomen was. Wij geven de resultaten van het onderzoek, zoals ze zijn af te lezen uit de veldtekeningen, bewaard in het archief van de r.o.b. en uit waarnemingen van H. van der Wal en B.V. van den Bergh, bouwkundigen bij het toenmalig Rijksbureau voor de Monumentenzorg, vastgelegd in veldschetsen bewaard in het archief van de r.d.m.z. De fundering van de tegenwoordige noordelijke schipmuur bleek onder de meest westelijke voormalige pijler te bestaan uit lagen kleine keien afgewisseld door drie lagen zand en tufgruis, bij elkaar een pakket van ongeveer 1,25 meter diepte. De koortravee bleek even diep gefundeerd te zijn doch louter op grote keien. Deze rusten op een grindlaag, die ongeveer 50 cm buiten de fundering doorloopt. De keien liggen in een grofzandvulling van een insteek. De grote keienfundering eindigt circa een halve meter ten westen van de absisaanzet, waar een scheiding in de fundering valt waar te nemen (afb. 183). In verband met vragen, die de crypt opriep, is in 1977 de fundering van de overgang van de rechte koormuur naar absis nogmaals opengelegd. De overgang in fundering is door ons opnieuw waargenomen. Oostelijk van deze scheiding gaat het tufstenen muurwerk met een kleine versnijding enige lagen dieper door, waaronder lagen grind en grijs zand liggen. Tot even voor de aanzet van de absis ligt het grind in mortel, oostelijk daarvan in zand. Er is een laag vrij grote keien oostelijk van de scheiding, daaronder afwisselend grind en tufgruis tot een diepte van 1,77 meter onder de versnijding met enkele keien op deze diepte. Voor de bouwgeschiedenis van belang is, dat hieruit blijkt dat de cryptmuur niet de onderbouw vormt van het opgaande muurwerk, daar deze dieper steekt dan de onderste laag van de fundering.

Aan de zuidzijde van de koorabsis is in 1944 nog een onderzoek gedaan. Daar bleek de muur van bovenaf gerekend eerst bemetseld te zijn met twee lagen kloostersteen, waaronder nog vijf lagen tufsteen zichtbaar waren; daaronder twee lagen tuf met grindvulling op een grotere kei, het geheel op een grindbed. Ten noorden van de noordmuur is een ongeveer 1,30 meter brede fundering gevonden, die ongeveer 1,50 meter diep lag en bestond uit twee rijen kleine keien waartussen grond was gestort. De keien waren zo gerangschikt, dat zij met een punt naar de binnenzijde van de fundering lagen. Oostwaarts kwamen grotere keien voor en bij de koortravee zelfs zeer grote. Hiertussen lag een plaat steen met ten zuiden daarvan een grote kei tot dicht aan de voet van het opgaande werk (afb. 182). Aan de oostzijde was de fundering hier begrensd door puntige kleine keien.

Ten slotte is ten noorden van de tegenwoordige ingang een put gegraven, waar een fundering voorkwam, die zich voortzette tot ongeveer twee meter uit de noordwestelijke torenhoek. Hier bestond de fundering uit twee lagen grote keien waartussen een laag kleinere keien, alle met de puntige einden naar het noorden. Verder noordwaarts is niet gegraven om het boombestand niet te beschadigen. Volgens tekeningen uit 1945 loopt de fundering niet evenwijdig aan de kerkmuur. Daar de schipmuur echter afwijkt van

[p. 122]

de richting van die van het koor, is men op een dwaalspoor gebracht ten aanzien van de richting van de fundering.

+ De kerk bestaat uit een tufstenen schip, zonder sprong overgaand in een halfrond gesloten, eveneens tufstenen koor en een even brede bakstenen westtoren, die excentrisch voor het schip staat. De koorsluiting springt 15 cm in. Aan de zuidzijde is het schip uitgebreid met een iets bredere, aan de westzijde een travee langere beuk, die uitwendig uit tufsteen bestaat. De beuken zijn gescheiden door vier spitsbogen neerkomend op korte bakstenen kolommen met lijstkapitelen. Onder de koorsluiting bevindt zich een kleine crypt. De noordmuur van het schip bestaat beneden uit vier gedichte rondbogen die van rechthoekige pijlers opgaan. Bij nauwkeurig meten is gebleken dat de as van het koor afwijkt van die van het schip.

+ Aan het koor vindt men zeer grote stukken tufsteen van 45-50 cm lengte en tot 11 cm dik, wat een tien-lagenmaat van 110 cm oplevert, daar er met zeer dunne voegen gewerkt is. In de lisenen tussen de spaarvelden van het koor zijn staande stenen toegepast, zogenaamde kantstaande blokken. Er komen geen lagen staande platen voor. Aan het schip meet de tufsteen tot aan de hoogte die overeenkomt met de spaarbogen aan de koortravee, 27-35 cm lengte, in 10 lagen 87-89 cm. Daarboven is een dikkere voeg toegepast, wat een tien-lagenmaat van 91-92 cm geeft; deze zone is tevens aan de bovenzijde van de muren van het koor doorgezet tot en met de abside, waar de tienlagenmaat bovenaan 92 cm is. Aan de zuidbeuk heeft het herbruikte materiaal slechts een lengte van 25-32 cm bij gelijke dikte van 7,5-8,5 cm. De kern van de muren bestaat daar grotendeels uit baksteen, zoals blijkt op die plaatsen waar de steunberen weggebroken zijn. De kolommen tussen de beuken zijn van rode baksteen van ongeveer 30 × 9 cm, 10 lagen 100 cm. De toren bestaat uitwendig geheel uit kleine gele steen met uitzondering van de omlijsting van de galmgaten, die aan drie zijden in rode steen is uitgevoerd.

Inwendig is beneden grote baksteen in tweede toepassing gebruikt (30-32 × 9-9,5 cm, 10 lagen 87 cm). Op 2,5 meter hoogte gaat het materiaal over in kleine rode steen, waaruit ook de gewelven zijn gemetseld. De traptoren bestaat beneden weer uit grote baksteen in tweede toepassing, hogerop uit kleinere steen, en is uitwendig verhoogd in harde grauwrode steen van 4,5 × 20 cm, 10 lagen 52 cm, in kruisverband, waaruit ook de westelijke topgevel van de zuidbeuk bestaat.

+ De toren gaat behoudens een versnijding op ongeveer 3,5 meter hoogte geheel onversneden op en is gedekt door een zadeldak tussen smalle topgevels, die aan de voet, een aankapping volgend, geknikt zijn en eindigen in een vlakke pinakel. Tegen de zuidzijde staat een traptoren, die thans niet verder opgaat dan de kil tussen de beide schipdaken en toegang geeft tot de eerste torenvloer en daarboven door een lessenaarsdak is gedekt. Hoger heeft de zuidelijke torenwand een opening, kennelijk eens toegang tot de tweede vloer van de traptoren uit. Behoudens enkele kleine lichtopeningen heeft de toren slechts aan elke zijde twee hoge smalle galmgaten, die behalve aan de westzijde gekoppeld zijn doordat hun profiel over de smalle dam is voortgezet. Aan de zuid- en oostzijde zijn de galmgaten langer dan aan de andere twee zijden; de opening is later gedicht tot de hoogte van de beide andere, wegens een ingebrachte vloer.

De westelijke galmgaten zijn eens van een nieuwe omlijsting voorzien zonder profilering van rode steen en bij de restauratie aldus gehandhaafd.

In de westgevel van de toren zijn twee rolwerk-cartouches ingemetseld: het bovenste is vierkant en draagt ter vervanging van het oorspronkelijke opschrift of wapen thans het geschilderde opschrift: ‘Anno 1805’ (afb. 200). Het benedenste is rechthoekig en heeft het ingehakte opschrift: ‘Maria van Tyarda lech Den Eersten Steen/Aen deesen gereesen tooren Wilt hooren/den 18 May Duysen Ses Hondert en Tien/Sy was 14 jaren te vooren gebooren’.

Op de oostelijke torenmuur hangt een wijzerplaat gedateerd 1822.

+ De torenruimte is door twee gewelven onderverdeeld: een vlak koepelgewelf over de begane grond en een kunstig gemetseld stergewelf over de ruimte op de eerste verdieping. De begane grond heeft een venster aan de westzijde en is van de kerk uit toegankelijk door een samengesteld geprofileerde rondbogige doorgang (afb. 195), die aan de kerkzijde ten noorden van de as van het schip staat en aan de torenzijde ten zuiden van de as van de benedenruimte. Dit wordt veroorzaakt doordat de zuidelijke torenmuur niet in het verlengde van de scheimuur tussen noord- en zuidbeuk van de kerk staat. Dit hangt weer samen met de aanwezigheid van de traptoren, die aan de kerkzijde vrijwel in

[p. 123]

de dikte van de torenmuur is opgenomen. Wanneer men de zuidelijke torenmuur van gelijke dikte denkt als de overige zijden, moet men zelfs wel aannemen dat er een ruimte open is gebleven tussen de traptoren en de westmuur van de kerk (zie plattegrond). De muurdikte aan de oostzijde van de begane grond van de toren is voorts veel zwaarder dan aan de overige zijden. Dit wordt veroorzaakt door een te lood staande muur die tot de dakvoet van het schip opgaat doch los voor de oostelijke torenmuur staat; de ruimte is gevuld met los puin. Ook dan nog is volgens de opmeting de oostelijke torenmuur dikker dan de overige, zodat een oude westmuur van de kerk verondersteld mag worden, die westwaarts verzakt was. De doorgang naar de kerk is aan de kerkzijde omlijst door op de wand geschilderde imitatie natuursteenblokken, vergelijkbaar met de versiering rond de galmgaten. Tot voor enige jaren waren een voegverdeling en een schaduwslag als van natuursteenwerk geschilderd.

In de zuidmuur van de torenruimte is de doorgang naar de traptoren ver naar het westen ten opzichte van het hart van de ruimte en scheef door de muur lopend. Het poortje is rondgesloten en met gesneden voegen afgewerkt. Ook de trap is met zorg gemetseld rond een geprofileerde spil. Onder de eerste trede is direct achter de doorgang een trede te zien van een oudere spiltrap. De vensters langs de trap stroken bovendien niet met het beloop van de treden; aan de zuidzijde is een venster gedicht daar er een trede voorheen loopt. In de zuidwestelijke hoek bovenaan is voorts een hoekvulling van 28 cm vierkant, waarin tufsteen verwerkt is.

+ Het vertrek op de eerste verdieping wordt verlicht door een klein rondbogig venster in de westelijke muur en een ovaal venster in de noordmuur, dat inwendig in een nis is gevat. De wanden van het vertrek bestaan uit kleine baksteen (10 lagen 55 cm), bedoeld om gepleisterd te worden. Van een voormalige zoldering is een balk over, die nu de zoldering van de uurwerkkast draagt; van een tweede balk ziet men in de muren door vullingen de plaats, waar deze ingelaten is geweest. Boven deze voormalige zoldering zijn de muren bemetseld met schoon werk van bonter kleur dan het lagere. In de noordwestelijke hoek is in de vloer een vuurplaats gemetseld van kleine gele steen; erboven is een rookkap geweest blijkens sporen op de muur en resten van een ijzeren staaf tussen noord- en westmuur. Het vertrek, waarbij de houten zoldering gedacht moet worden, diende dus eens als woning. Boven de gedachte zoldering is de ruimte gedekt door een kunstig gemetseld stergewelfje. De klokkestoel, die erboven is aangebracht, rust op een muurverdikking aan de oostzijde en is op sleutelstukken in de westmuur gehecht.

+ Het schip vormde blijkens vier dichtgezette rondbogen op rechthoekige pijlers eens de hoofdbeuk van een meerbeukig schip (afb. 172, 173). De bogen zijn samengesteld uit naar de kruin in lengte toenemende stenen, zogenaamde sikkelbogen. Zij komen neer op impostlijsten van de vierkante pijlers. In de zwikken is de aanhechting waar te nemen van gordelbogen van de voormalige zijbeuken, die op kleine consoles neerkwamen. Langs de bovenzijde van de sikkelbogen zijn smalle vullingen aangebracht, alsof daar ooit houten gewelfjes aangehecht zijn geweest.

De dichting van de scheibogen bestaat uit herbruikte tufsteen en heeft in de fundering hier en daar baksteen. Boven de bogen zijn gedichte balkgaten te zien van 15 × 22 cm, kennelijk van een zijbeuksdak, ongeveer 1,20 meter boven de kruin van de bogen.

Ongeveer 2,20 meter boven de kruin van de bogen gaat het dunvoegige muurwerk over in dikker gevoegd werk ter hoogte van krap 2 meter, waarboven het muurwerk verhoogd is in kleine rode steen. In het bovenste tufsteenwerk staan twee met tufsteen gedichte rondboogvensters, boven de eerste en derde pijler. De kruin van de vensters is verstoord door de bakstenen herstelling van de dakvoet. Boven de derde boog (en deze deels verstorend) is een groot spitsboogvenster ingehakt; het is gevuld met een houten raam met kleine roedenverdeling.

Ten westen van de eerste scheiboog is een even hoge rondbogige ingang, omlijst door een zandstenen renaissancepoortje (afb. 175), dat in 1804 bij de sloop van Eijsinga-state naar hier is overgebracht (rekening kerkvoogdij). Ten westen van het poortje is het muurwerk in tufsteen aangeheeld tegen het torenmuurwerk. In het fronton van het poortje staan een gekroond en een niet gekroond wapenschild, waarop geschilderd is: ‘Anno 1647’ en ‘verbouwd 1805’; erboven een rechthoekig cartouche met een vroom opschrift. Blijkens de kerkerekeningen is er in 1647 veel verbeterd aan het inwendige van de kerk. Aan de oostzijde bestaan de laatste 75 cm van het muurwerk ter hoogte

[p. 124]



illustratie

Afb. 165. Hervormde kerk en toren. Plattegronden over de vensters (bovenste) en op het maaiveld (benedenste) en doorsneden. Voor doorsnede F-E zie afb. 166. Getekend 1983 naar opmetingen 1944, 1946, 1976 en 1983.


[p. 125]



illustratie

Afb. 166. Doorsneden over koor en crypt (schaal 1:150) en details van gevonden fragmenten (links) en van de cryptzuil en pilaster (rechts). Getekend 1983 naar opmetingen 1944, 1946 en 1983.


[p. 126]



illustratie

Afb. 167. Aanzichttekening van de noordmuur van het koor en aangrenzend gedeelte van het schip voor de restauratie, waarop diverse sporen te zien zijn voordat tot reconstructie van openingen werd overgegaan. Tekening 1983.


van het dun gevoegde werk uit onregelmatig werk van een afgebroken muur, die blijkens de kantstaande stenen ten oosten ervan noord-zuid liep en bijgewerkt is in het lagenverband van het schip (afb. 173).

+ Het muurwerk van de rechthoekige zuiderbeuk, die tegen de absis van het koor aansluit en aan de westzijde tegen de traptoren bestaat uit baksteen met een buitenbemetseling van herbruikte tufsteen. Aan de zuid- en westzijde is het muurwerk aan de voet en deels langs de vensters opgaand bemetseld met machinale baksteen. Tussen de vensters ziet men de moeten van afgebroken steunberen (afb. 181). De drie vensters van de lange zijde en het westelijke venster hebben eenvoudige afgeschuinde dagkanten en bevatten houten ramen met kleine ruiten met roeden. In de westelijke travee was een ingang in een spitsboognis, gevat in een uitmetseling ter breedte van het korte venster erboven, dat de oorspronkelijke gaffeltracering heeft bewaard. Het oostelijke venster is gedicht, voor het benedenste gedeelte met tuf in het vlak van het omringende muurwerk, hogerop met baksteen.

[p. 127]

+ In het tufstenen gedeelte staat een aediculavormige memoriesteen, waarin twee wapenschilden door een geknoopt koord verbonden en van helmtekens en dekkleden voorzien zijn gehakt (afb. 201). De wapenfiguren zijn verwijderd. Het onderschrift luidt voor zover leesbaar: ‘Anno mdxlv op S. Lucien dach is gestorven Siids Thiarda end hier begraven. Anno xvc lvii Den xxvii septēbs̄... Moedt van Sythiema z...’. Het epitaaf is kennelijk van binnen uit de kerk verplaatst naar hier. Zie voor Syds Tiaarda en zijn vrouw Tjaarda State.

Het tufstenen metselwerk van de westgevel sluit bovenaan met een staande voeg tegen dat van de traptoren. Lager, ongeveer beginnend bij de dorpel van het venster, is evenwel een gedeelte regelmatig bakstenen muurwerk dat overgaat in dat van de traptoren (afb. 174). Het is ongeveer met een lijn van 45 graden beëindigd. Lager loopt het machinale baksteenwerk beëindigd tegen een opgezette hoek van grote baksteen.

+ Het opgaande werk van het koor is geleed door 3,5 meter hoge spaarnissen, aanvangend op 1,50 meter boven het maaiveld. Even onder het maaiveld heeft de muur een afgeschuinde plint. Aan de rechte koortravee zijn de nissen iets smaller dan aan de absis; daar ook is het oppervlak van de muur vanaf de tooggeboorte bijgevlakt, waardoor de spaarvelden bovenaan 5 cm minder diep zijn dan beneden (afb. 172 en 177). Aan de absis zijn de meest westelijke nissen geschonden door grote ingehakte spitsboogvensters, die in een bijgeschuind muurgedeelte staan, waardoor de sprong die de absis-aanzet maakt alleen beneden zichtbaar is. Bij ‘materiaal’ is reeds vermeld dat het bovenste muurwerk uit dunnere steen bestaat en ruwer is gevoegd; aan de absis is de bovenste zone afgevoegd, maar zijn de stenen minder kantig en dunner dan benedenaan.

De spaarvelden zijn aan het rechte koorgedeelte gesloten door rondbogen, aan de absis zijn het tweede en vierde veld 10 cm smaller en gesloten door gekoppelde kleinere rondbogen, die op een dubbel geprofileerde kraagsteen neerkomen. Boven de drie nog aanwezige spaarvelden staan daar even brede velden, waarvan juist onder de gootlijst nog de aanzetten van de afdekking zijn waar te nemen, die, zoals aan de zuidoostzijde blijkt uit gekoppelde rondboogjes bestond. Bij het aanbrengen van de grote spitsboogvensters is de detaillering van de meest westelijke velden teloor gegaan.

+ In het rechte koorgedeelte staan boven in het eerste en derde spaarveld kleine rondboogvensters, waarvan het westelijke door vroege dichting gaaf bewaard is gebleven. Bij de verwijdering van de dichting vond men in 1946 een houten raam uit een plank gezaagd (afb. 176). Het is geconserveerd en wordt bewaard in het Fries Museum te Leeuwarden. Het is aan de binnenzijde afgeschuind (Bulletin k.n.o.b. 1968, 1). In de derde nis was het venster vergroot en gedicht; het is in 1946 naar de maten van het westelijke hersteld, daar van de rollaag nog een gedeelte herkenbaar was.

De twee westelijke velden zijn beneden verstoord door het inhakken van bogen en vensters (afb. 177). Wanneer we een smal gedicht spitsboogvenster buiten beschouwing laten, zien we over de meest westelijke liseen de moet van een boog lopen, die dezelfde ronding vertoont als de voormalige scheibogen van het schip. Daaronder is de liseen verstoord door een ingehakt poortje, dat voor de restauratie een onregelmatig, mogelijk zelfs korfbogig verloop had. Het is geopend en bleek in de rechte dagkant een enkele dagsteen te hebben en een dorpel op het maaiveld. De dagsteen liep niet tot op het maaiveld door. Voor een rondbogige deur is geen plaats tenzij men deze voor het muurwerk heeft gehangen.

De middelste nis is verstoord door een ondiep ingekapte rondboognis, waaronder drie rondboogjes zijn gemetseld van een drielichtvenster, dat thans hersteld is. De boogjes zijn met splinters zandsteen onder het bestaande muurwerk gewerkt. Onder de boogjes heeft men nu tufstenen stijltjes gemetseld tot op de plaat rode zandsteen, die daar aangetroffen werd. Het drielichtvenster lijkt later vervangen te zijn door een smal spitsbogig ten westen ervan.

In de bovenste zone van het muurwerk van de koortravee tekent zich de moet af van een rondboogvenster, dat 22 cm westelijk van het hart van de middelste nis staat.

+ Wij zagen reeds dat de westelijke velden van de absis verstoord zijn door grote spitsboogvensters. Aan de zuidzijde is onder dat venster het nodige gereconstrueerd ter vervanging van een bakstenen bemetseling. Aan de noordzijde is de westelijke liseen verwijderd en is de moet te herkennen van een klein rondboogvenster onder het ingekapte spitsboogvenster.

In het middelste veld van de absis was in de 19e eeuw een deur gebroken als toegang

[p. 128]

naar de crypt. Later was ook een deur gemaakt die toegang gaf op het hoogkoor. Beide zijn in 1946 verwijderd en het muurwerk is in tufsteen hersteld. In het spaarveld is bovenaan een rondboogvenster hersteld, dat zich inwendig voordeed, hoewel er uitwendig geen sporen meer van te zien waren, daar het oppervlakte-muurwerk eens hersteld was. De maten kwamen overeen met de vensters in de lichtbeuk van het schip. Dicht boven het maaiveld zijn voorts in 1946 twee ronde vensters geopend, die licht geven in de crypt; in de as is een flauw segmentbogig gedekt venster gemaakt ter plaatse van de latere toegang.

+ De hoofdtoegang tot de kerk staat in de noordmuur direct ten oosten van de toren en leidt in de hoofdbeuk. Wegens de crypt is een gedeelte van het koor zes treden verhoogd. De crypt beslaat slechts de absis en een deel van de koortravee (afb. 188).

De westmuur van de crypt zou, doorgemeten, ongeveer iets westelijk van het midden van de westelijke nis van de koortravee uitkomen (zie plattegrond). De toegang tot de crypt, die in 1944 is ontdekt, loopt zeer dicht langs de noordmuur. In de noordmuur van het schip herkent men achter de daar opgestelde banken de pijlers en dichtingen van de romaanse scheibogen. Het meest westelijke romaanse venster erboven is in 1946 inwendig zichtbaar gemaakt. Het heeft een dagsteen met sponning voor glas in de 33 cm brede dagkant. De twee vensters van het rechte koorgedeelte zijn toen tevens geopend. De horizontale overgang in het metselwerk is ook inwendig door de pleister heen vagelijk op te merken.

De vloer van het rechte koorgedeelte ligt 15 cm hoger dan die van het schip. De overgang correspondeert (thans) niet met de aanhechting van koor en schip. Bij de in 1946 geopende smalle toegang in het rechte koorgedeelte is een oud vloerniveau aangetroffen, belegd met kleine tegels met leliemotieven en dubbelkoppige adelaars, gelegd in ruitmotieven (afb. 189). De tegels berusten waarschijnlijk in de collectie-Baart sr. Dit soort tegel is thans als 14e-eeuws te dateren en komt ook in Friesland herhaaldelijk voor. Vergelijk ook tekst Klaarkamp en deel 1, Ferwerderadeel, klooster Foswerd. Een klein gedeelte van het oude vloerniveau is hersteld en belegd met gele en groene verglaasde plavuizen.

+ Langs de noordermuur is een 20 cm hoger niveau hersteld, waarop de trap aansluit, die naar de crypt leidt door een 1,70 m dik muur- en grondpakket, dat koud tegen de noordmuur van het koor staat (afb. 185, 197). De boog boven de trap bestaat met aanvullend muurwerk uit tufsteen, dat met een rechte kant eindigt; daartegen staat een gedeelte van één steen breed, van grote baksteen gemetseld. Verder zuidwaarts ging de muur van het pakket over in stapelwerk. Thans is hier de nieuwe opgang naar het koor gemetseld. Ten zuiden daarvan is een brok metselwerk van mopsteen hersteld en aangevuld, dat rekening houdt met de halfkolom tegen het restant van de zuidelijke koormuur. Tijdens de restauratie is gebleken, dat hier mogelijk ooit een stenen trap heeft gelegen, samengesteld uit enkele treden tufsteen en afgedekt door een laag baksteen. Van een tweede toegang naar de crypt zijn geen sporen gevonden.

+ Ook aan de cryptzijde staat de trap zeer dicht tegen de noordwand. De zuidwand van de trapkoker vertoont een knik. De crypt is gedekt door graatgewelven tussen scheibogen, die op twee kolommen en pilasters langs de wanden neerkomen (afb. 188). In de rechte gedeelten van de wand staan ondiepe rondboognissen, waarvan de noordelijke iets hoger opgaat dan de zuidelijke. Zij hebben geen opgaand muurwerk gedragen, maar zijn aangebracht om de sprong van de absis-aanzet weg te werken ten behoeve van de gewelfaanzetten.

Zoals uit de dwarsdoorsnedetekening van de kerk blijkt (afb. 165) steekt de crypt dieper dan de fundering van de muren van het opgaande werk en moet deze dus nadien zijn ingegraven. De scheibogen van de gewelven lopen dan ook niet geheel regelmatig (zie plattegrond crypt). De crypt ligt bovendien niet exact onder de absis, doch wijkt hiervan af in de hartlijn van het schip. De westwand van de crypt heeft geen andere indeling gehad: de profilering van de bases van de pilasters loopt niet door achter de wand waar ze tegen staan. Er zijn dus geen nissen of andere toegangen geweest. De zes pilasters tegen de wand hebben basementen en lijstkapitelen van tufsteen. De kapiteellijsten bestaan uit een vlakke lijst boven een geprofileerde; de basis bestaat uit drie weinig versnijdende profielen (afb. 166).

Interessanter zijn de twee zuilen met bases en kapitelen. De zuilschachten bestaan uit zogenaamd Kanalsinter, een als marmer ogend materiaal, dat ontstaat uit kalkrijke

[p. 129]

neerslag van romeinse aquaducten en in noordwest-Europa sedert de 11e-12e eeuw hier en daar is toegepast. Het heeft een bruinrode kleur en een fijne gelaagde structuur. In Nederland kennen we toepassingen onder meer in Nijmegen (Valkhofkapellen) en Deventer (Lebuinuskerk), Ermelo (toren) en bij andere romaanse gebouwen; mogelijk was de steen in de tufsteenhandel te Deventer te koop.

+ Ook de kapitelen en bases bestaan uit een in Noord-Nederland zeldzaam toegepaste steen, te weten Savonnière. Deze steen wordt aan de boven-Maas gewonnen en werd reeds door de Romeinen in Noord-Nederland gebruikt. In de middeleeuwen kennen we de steen voorlopig slechts aan de beide Valkhofkapellen en te Velzen, waar het reliëf in de toren uit deze steen bestaat en waar het mogelijk om herbruikte Romeinse onderdelen gaat. De kapitelen te Rinsumageest zijn dan ook uitzonderlijk en in Nederland geïsoleerd (afb. 190-193). Zij hebben onderaan een ring, waarboven een uitgekeelde kraallijst loopt. De overgang van rond naar vierkant wordt gevormd door vier hoekpalmetten, waartussen ondiep, soms bijna ingekrast bladornament aan weerszijden van een soberder palmet. De bovenste vierkantzone heeft aan elke zijde twee spiraalvoluten, die geheel binnen het blok van het vierkant blijven. Zij gedragen zich ogenschijnlijk als de helices van het Korintische kapiteel; het uiteinde van de spiraal wijst echter niet naar beneden, maar blijft in de spiraal meelopen, zodat toch het Ionische kapiteel als voorbeeld gezien moet worden. De voluten blijven echter zoals gezegd binnen het blok van het kapiteel. Tussen de voluten is een aantal vulmotieven toegepast, die op zeer oude voorbeelden teruggaan, zoals gekruiste touwen en concentrische halve cirkels. De laatste zijn, zoals ook in de benedenste zone soms voorkomt, slechts ingekrast en niet volledig gebeeldhouwd. Dit kan niet aan slordigheid of onmacht geweten worden, daar het beeldhouwwerk overigens van hoge kwaliteit is.

Van het kapiteel ontbreekt voorts de abacus of deklijst, die er afgehakt moet zijn. Het zuidelijke kapiteel heeft dan ook bovenaan een ietwat brokkelige beëindiging, waarop de breed overstekende dekplaat ligt, die weer uit ‘kanalsinter’ bestaat en nauwkeurig geprofileerd is met een flauw ojiefprofiel en kleine versnijdingen.

Geven de middenpalmetten van het benedenste kapiteelblok vergelijkingsmogelijkheden met Ottoonse kapitelen (tribune Gernrode), de kraallijst komt daar niet voor en de steensoort wijst onmiskenbaar naar de boven-Maasvallei, waar 12e-eeuwse kapitelen als in de crypt te Verdun dezelfde decoratieve vormenschat vertonen. De bases, die eveneens uit Savonnière-steen bestaan, zijn met hun kussenvormig aaneengesmolten hoeksporen ook 12e-eeuws te dateren (afb. 187). Zie ook addenda.

Vrij dicht naast de meest westelijke pilasters van de absis is aan weerszijden een rond venster aangebracht. Uitwendig is er geen relatie met de omringende architectuur. De vensters zijn bij de restauratie heropend (afb. 178), zoals Eijck van Zuijlichem reeds tekende.

In de as van de absis heeft men ter vervanging van de aangetroffen trap naar buiten een segmentbogig gedekt venster aangebracht. De trap liep over het restant van een gemetseld altaarblok, dat hersteld is en belegd met een in de crypt gevonden gedeelte van een roodzandstenen plaat, waarop wijkruisjes staan. Aan de noordzijde bevindt zich in de muur een kleine rechthoekige nis.

+ In 1944 is de bodem van de crypt onderzocht door P. Glazema. De met plavuizen en baksteen belegde vloer bleek op schoon zand gelegd te zijn, waardoorheen een 30 cm brede baan van schier zand liep; in het gele zand waren plekken oerzand. De pijlers stonden op een mortelbed en zijn bij de restauratie op platen rode zandsteen gezet. Het altaarblok stond eveneens op mortel, waaronder een tufstenen vloer, die over een graf liep; ook aan de westzijde is een drietal graven gevonden, die oost-west gericht lagen, evenwel met een afwijking naar het noorden ten opzichte van de bestaande as van de kerk. Een lag er voor de tegenwoordige toegangstrap, enkele deels onder de westelijke muur, een deels onder een pijler.

+ Aan de zuidzijde is het schip in de 16e eeuw uitgelegd met een brede zijbeuk die van de traptoren aan de westzijde tot de absisaanzet aan de oostzijde reikt en naar men mag aannemen een soortgelijke smalle zijbeuk verving die aan de noordzijde gedacht kan worden. Hoofd- en zijbeuk zijn gescheiden door vier spitsbogige en driemaal afgeschuinde scheibogen, die neerkomen op zware ronde kolommen van baksteen met een smal ringkapiteel van rode zandsteen. Zij staan op hoge achtzijdige basementen, die afgedekt zijn door een roodzandstenen lijst. De kolommen zijn gemetseld met gesneden voegen

[p. 130]

tussen gladgekapte stenen, waarna het oppervlak rood gesausd is met witte voegen (afb. 195). De oostelijke scheiboog gaat op van een tegen het restant van de zuidelijke koormuur gemetselde halfkolom. De westelijke rust ten westen op een rechthoekige pilaster, die door een roodzandstenen lijst is afgedekt. Het gedeelte muurwerk dat tegen de traptoren aansluit, heeft een versnijding, die westwaarts helt en mogelijk tot een verlenging van de tufstenen zuidbeuk heeft behoord.

Ten noorden van het westelijk venster bevindt zich een verticale sprong in het muurwerk die tot de dakvoet oploopt. Iets beneden de lijn van de afzaat van het venster heeft dit gedeelte muurwerk bovendien een versnijding.

In de oostelijke travee van de zuiderbeuk is een groot orgelbalkon getimmerd.

+ Blijkens oudere bouwkundige tekeningen was de ingangstravee van de noordbeuk voorheen als voorkerk door een schot afgescheiden van de overige kerkruimte.

+ Beide beuken zijn gedekt door tongewelven op een verbrede voorlijst, die op trekbalken rust die zonder sleutelstukken in de muren zijn ingelaten.

De kap van de hoofdbeuk bestaat uit een schaargebint met zeer lange stijlen en is samengesteld uit secundair gebruikt hout met laatmiddeleeuwse telmerken. Onder de sporen zijn er van 14 × 4 cm, die uit de romaanse kap afkomstig kunnen zijn. De kap over de koorsluiting heeft een lager schaargebint; onder de spanten van de koorsluiting zijn resten te zien van een gedrukt houten tongewelf. Over de zuiderbeuk loopt een kap, opgebouwd uit twee schaargebinten, waarop een nokgebint en kan uit de bouwtijd van deze beuk dateren. Het tegenwoordige tongewelf, waarvan de ribben niet stroken met de trekbalken en spanten, is er later onder aangebracht (1721, zie ‘geschiedenis’).

+ Uit de verwerking van het materiaal en de detaillering valt op te maken, dat het koor architectonisch een geheel vormt met de koorsluiting. De verzorgde verwerking van de zeer grote blokken tufsteen en de kleine vensters maken een datering rond of zelfs voor 1100 aannemelijk. De koor-absis zal overwelfd geweest zijn met een halve koepel, de overige ruimte vlak gedekt. De koortravee reikte niet hoger dan iets boven de spaarvelden. Het muurwerk van het bijbehorende schip sprong in bij de kooraanzet ter plaatse van een triomfboog. Deze sprong is weggekapt, toen er een driebeukig schip tegen werd gezet en aangeheeld in het voegbeloop van het nieuwe muurwerk, dat daar een gedeelte van een pijler moest gaan vormen. Of het bij het koor behorende schip ooit tot stand is gekomen is de vraag, daar er geen fundering van over is.

Nog geheel in de romaanse periode is vervolgens een driebeukig schip gebouwd met rondbogige, wat grotere vensters in de lichtbeuk boven de lessenaarsdaken van de zijbeuken. De as van dit schip wijkt enigzins af van die van het koor. Van het zelfde metselwerk van de lichtbeuk werden de koortravee en de absis verhoogd. In de koortravee kwam een venster boven het tot dan toe blinde middenveld van de bestaande versiering. Dat dit venster niet geheel in de as van het benedenste sierveld staat, hangt samen met de as van het kruisgewelf dat nu over de koortravee geslagen moet zijn. De koorabsis kreeg drie vensters boven de bestaande spaarvelden, waartoe nu bij een hoger gewelf ruimte was. De kleine vensters, die er blijkens sporen in het noordwestelijke spaarveld geweest zijn, werden gedicht.

Het ruwe aanzien van het bovenste muurwerk wordt niet veroorzaakt louter door een andere verwerkingswijze, doch moet ontstaan zijn door het afkappen van het bovenste gedeelte van deze muur, die kennelijk later naar het noorden is gaan hellen. Reeds van de tooggeboorte af van de spaarnissen is het muurwerk afgekapt; de nissen zijn daar slechts 2 cm diep tegen beneden 7,5 cm. Daar dit verschijnsel zich over de gehele lengte van schip en koor voordoet, moet het samenhangen met het aanbrengen van een doorlopende kap over het schip en koor in de late middeleeuwen. Blijkens sporen van een gewelfaanzet tegen de koortravee, werd de zijbeuk voortgezet langs de koortravee, mogelijk, blijkens een afwijkende wijze van funderen, in een nieuwe bouwfase; hierbij werd ook westwaarts het gebouw voortgezet tot halverwege de tegenwoordige toren, waar een soortgelijke grove fundering werd aangetroffen.

Het kleine venster boven in het meest westelijke spaarveld van de koortravee moest nu gedicht worden; het oostelijk, dat vrij bleef, kon vergroot worden naar de afmeting van de nieuwe lichtbeukvensters. Mogelijk dienden de oostelijke traveeën van de zijbeuk als sacristie en gaf toen reeds het poortje door de laatste liseen toegang daarheen. Dan is verklaard, dat er geen bijpassende deur in de doorgang mogelijk is. Westelijk van dit poortje zal dan een afscheiding gestaan hebben tussen koor en schip.

[p. 131]

De lengte van de zuiderbeuk, waarvan de bouwdatum omstreeks 1525 gedacht moet worden (wijding door bisschop van den Heetvelde), strookt ongeveer met de lengte van de gevonden fundering aan de noordzijde, hetgeen onze veronderstelling steunt dat de zijbeuken langs de koortravee doorgezet geweest zijn. Aanhechting van balken van een kap zijn met enige moeite te onderscheiden in het vroegtijdig kundig herstelde tufsteenmetselwerk van de noordzijde van de koortravee.

Aan de westzijde van de zuiderbeuk is een gedeelte vleugelmuur van rode baksteen te onderscheiden, dat de westgevel van de verlengde romaanse zuiderzijbeuk moet zijn geweest. De helling komt exact overeen met de doorsnede van de noorderzijbeuk, die blijkens sporen van aanzetten in reconstructie mogelijk is. Ook een gedeelte muurwerk oostwaarts van de traptoren behoort mogelijk tot deze westwaartse verlenging van de zuiderzijbeuk, die blijkens de fundering aanvankelijk niet verder dan halverwege de tegenwoordige toren reikte. Eerst later moet er een bakstenen westelijke afsluiting ontstaan zijn waarvan het fragment in de westgevel van de zuiderbeuk over is. De gewrongen plaats van de traptoren, waarvan de oost- en westmuur afwijken van de richting van die van de latere toren, wijst op behoud van bestaand metselwerk. Mogelijk kunnen we aan een oudere traptoren denken, die aan de noordzijde een equivalent gehad heeft. Midden 16e eeuw was er al sprake van een slechte klokkestoel. Mogelijk heeft dat betrekking op een constructie aan de westzijde, waarvan nauwkeurige meting bewijst dat er een westwaartse verzakking heeft plaatsgehad. Hoeveel fasen deze constructie gekend heeft is zonder ontpleistering van de muren en bodemonderzoek niet uit te maken.

+ De muur van de koortravee is voorts ook inwendig afgekapt en wel aan de onderzijde en eveneens om een te lood staande muur te krijgen ten behoeve van een doorgaande kap ter vervanging van de overwelving. In de kap zijn onderdelen van de romaanse kap verwerkt. De nu bestaande kap is dus de directe opvolger van de romaanse kap en is blijkens de constructiewijze laatmiddeleeuws.

Het grond- en muurpakket ten westen van de crypt staat niet alleen koud tegen de noordmuur, maar tevens tegen deze muur in afgekapte staat. De ongebruikelijke kleine, blijkens de fundering na de bouw van het koor ontstane crypt moet dus een late toevoeging zijn aan de kerk. Dat kapitelen en zuilen herbruikt zijn, werd bij de beschrijving reeds duidelijk. Zij hebben vroege kenmerken: de afschuining van de onderste helft van het kapiteel en sommige decoratieve details komen in de Ottoonse kunst reeds voor (10e-11e eeuw), evenals het verzorgde profiel van de deklijst. De vormen van de basis zijn eerder 12e-eeuws. Of deze onderdelen reeds in het eerste koor waren toegepast of bij de aanleg van de crypt van elders zijn overgebracht, moet in het midden worden gelaten. Mogelijk vormden zij in een romaanse kerk een altaaroverhuiving of een koorafsluiting. Dat men in de late middeleeuwen mogelijk eind 15e doch liever (wegens de roerige tijden in Friesland) denken wij aan begin 16e eeuw, nog een crypt ging bouwen, lijkt uitzonderlijk. Wij wijzen echter op de kerk van Blija, die blijkens laagstaande vensters ook iets dergelijks gehad moet hebben (deel 1, Ferwerderadeel, 63). Dat men zich daarbij aan de gangbare architectuur van de kerk aansloot moet vooral in een streek zo dicht bij het Bonifatiuscentrum Dokkum niet onmogelijk geacht worden. Men heeft in de 16e eeuw ook teruggegrepen op de grote middeleeuwse periodes.

Of het bouwen van de crypt iets te maken heeft met de wens van Jouck Tirdema bij S. Alexander begraven te worden en met de aflaat die in 1525 aan het altaar van de Broederschap werd verbonden, is niet nader te staven. Mogelijk wel met de wens van de familie Tjaarda, wier state direct aan de kerk grensde, wier godsdienst steeds r.k. is gebleven en wier geschiedenis tot in de 13e eeuw teruggaat in een doorlopende lijn van machthebbers en ‘intellectuelen’ op kerkelijk en wereldlijk gebied. Men zou dan aan een late opbloei moeten denken van een Alexander-verering, de Heilige voor wie abt Wibald van Stavelot in 1145 het beroemde kopreliquair liet maken door Godfried van Hoei (vgl. J.J.M. Timmers, De Kunst van het Maasland 1, Assen 1971, 319). Wibald werd later abt van Corvey en trachtte zijn rechten op Oldehove's S. Vituskerk terug te krijgen (M.P. van Buijtenen, S. Vitus van Oldehove, Utrecht 1950). Een relatie tussen Oldehove en Rinsumageest is echter niet bekend. Wel zagen we dat de kapitelen, die in de crypt opnieuw zijn toegepast waarschijnlijk ook uit de Maasschool stammen, zij het uit de bovenloop van de Maas.

Ook de noorderzijbeuk is waarschijnlijk afgebroken, toen de zuiderzijbeuk gebouwd

[p. 132]

werd. Mogelijk hangt het drielicht aan die zijde in de koortravee toch indirect samen met de crypt en wel met een zicht op een altaar tegen de cryptwestmuur in het koor (afb. 197).

Waarschijnlijk zijn tegelijk met het ontstaan van het hoogkoor de twee brede grote vensters gemaakt om licht te geven op een groot altaar (vergelijk Mariengaarde, deel 1, Ferwerderadeel, 165). Zij zijn met zorg in het bestaande muurwerk aangebracht met tufstenen dagkanten en het beschadigde muurwerk eronder is kundig aangeheeld. Het kleine rondboogvenster in de as van het koor is ook in deze werkwijze gedicht geweest. De twee grote vensters vervangen de daarbij passende twee romaanse vensters. Het grote schipvenster daarentegen is ruw ingekapt en zal na-reformatorisch zijn ter verlichting van een preekstoel tegen een pijler tussen hoofdbeuk en zuiderbeuk.

In 1610 is, opnieuw door een Tjaarda, hoewel zij r.k. gebleven waren, de eerste steen voor de toren gelegd. De vermelding in 1777 van aankoop van 18.000 stenen kan samenhangen met een nieuwe dakvoet, bij welke gelegenheid het grote koorvenster aan de top vernieuwd werd.

+ Nog niet verklaard werd de gevonden scheiding in de fundering van het koor. Men zou daaruit kunnen opmaken dat er voorafgaande aan het bestaande koor, dat onmiskenbaar een geheel vormt, een rechtgesloten gebouw gestaan heeft; hiervan gebruikte men de fundering bij de bouw van het nieuwe koor, dat nu een absidiale sluiting kreeg. De opgraving in de crypt heeft daarvan niets aan het licht gebracht daar het niveau te diep was.

+ Bij het uitgraven van de gedichte trap naar de crypt zijn twee fragmenten natuursteen gevonden, die een kleine basis en een dobbelsteenkapiteel gevormd hebben (afb. 184); mogelijk hebben zij in het drielicht gestaan, dat dan toen eerst gedicht zou zijn.

+ De kerk bezit:

+ Een eikehouten preekstoel met achterschot en klankbord (afb. 198). De zeszijdige kuip en het portaalschot zijn versierd met motieven uit verschillende stijlen: geblokte boogjes, waaronder een palmet, neogotische spitsbogen en ranken, een en ander tussen hermen, xix. Het achterschot en het klankbord zijn nog 18e-eeuws. Op het klankbord staat het gekroonde alliantiewapen Van Schwartzenberg-Van Gendt, duidend op het huwelijk van Michael Onuphrius van Schwartzenberg (1695-1758) en Margaretha van Gendt (1707-1766). Deze onderdelen zijn blijkbaar overblijfselen van de in 1768 in de rekening vermelde nieuwe preekstoel, die door Egbert van den Hoek, meester-timmerman te Leeuwarden werd geleverd, waarschijnlijk uit een legaat na het overlijden van Margaretha van Gendt.

+ Eenvoudig doophek bestaande uit paneelwerk, xviii, doch voorzien van gietijzeren ajour bewerkte panelen, xix.

+ Tegen de noordmuur twee eenvoudige overhuifde banken met spijlenfries en gesneden hoekstukken, xviii, vergroot xix. Aan de noordwestzijde en aan de oostzijde drie banken met schotten, uit paneelwerk bestaande, xviii. Overigens meest vurenhouten banken met knoppen, xix.

+ In de zuiderbeuk ligt een gotische zerk met evangelistensymbolen in de vierpassen in de hoeken. Opschrift: ‘Hier let begravē Jan Oom... sterf int jaer mvcxxxiii de xxvi dach van februarii bid voor de ziele’. Wapen met dubbele adelaar en eikel bovenop.

Onder de banken en houten vlonders grote zerk met schijnarchitectuur gebeeldhouwd. In het midden Caritas en onderschrift Holdinga-Bolta. Aan de linkerzijde vier alliantiewapens waarvan te lezen waren links ii Kamminga-Emingha, iii Bolta-Eysinga, iv Hermana-W... gha en rechts i Tzarda-..., ii Ockinga-Albada. Van het randschrift was slechts te lezen: ‘1561 den xvi februarii rust....’. In het midden ‘Nascēdo morimur’.

Gebeeldhouwde zerk met alliantiewapens in de hoeken. Bovenaan ornament onder een schedel en ‘quod nos sumus vos eritis’. Randschrift: ‘Ao 1618 den 8 juny is... iets van Aylva van dē Here ontslapen ende alhier begraven’.

+ Bij werkzaamheden aan de vloer in 1953 is een vijftal grafkelders gevonden, twee in het schip en drie in de zuiderbeuk. Tegen de noordmuur waren twee kelders van Tjaarda State. Daarin bevonden zich naamplaatjes, die op de kisten bevestigd waren geweest van Jr. Sijds van Tziarda (1612); His van Hermana, weduwe Schelto Tziaerda en moeder van eerstgenoemde (1615); Hiske van Juckema (1634); Sijdts van Juckema (1638); Eelck van Frittema, gehuwd met Sijdts van Tziarda (1638); Rioerdt van Juckema (1639); Schelto van Juckema (1649); Maria van Tiarda, weduwe Ruert van

[p. 133]

Juckema (1661); Schelto Franciscus van Camstra (geboren en overleden 1666); dezelfde naam (geboren en overleden 1667); Anna Lucia van Camstra, 33 weken oud (1674); Tjalling Schelte Lieuwe van Camstra (1678); Tjalling Ruijrd Andries Lambertus van Camstra (1708); Maria Anna van Aebinga, weduwe Tjalling van Camstra (1710); drie kinderen van Rioerdt van Juckema en Maria Tjaerda; Susanna Barbara Maria de Rotte (geboren en overleden 1790); Douwe Valerius van Cammingha (1794); Susanna Barbara Maria van Asbeck, geboren Van Cammingha (1801); Johannes Theodorus Franciscus de Rotte (1812); Everarda Joanna Maria de Rotte (geboren 1817, overleden 1818); Tjalling Minne Watze van Asbeck (1795).

Voorts werden daar hoofdstenen gevonden voor Minne Frans van Burmania (1749) en zijn echtgenote Anna Lucia Andrisa van Camstra (1745).

In de zuiderbeuk waren drie kelders, te weten voor de bewoners van Eijsinga State (deze kelder is thans onder het orgel) en van Melkema State en twee onder het doophek. De kelder van Eijsinga State bevatte grafplaatjes voor leden van het geslacht thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, te weten voor Wilco Holdinga (1668); Wilco Holdinga (1704); Johan Sicco (1757); Michel Onuphrius (1758) en zijn echtgenote Margarethe Maria van Gendt (1766); Frederik Willem van Gendt thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg (1774); Wilco (1788).

+ Het orgel is in 1892 vernieuwd door Bakker en Timmenga te Leeuwarden (Wumkes ii, 353).

+ Uit de kerkvoogdijrekeningen, die in 1634 beginnen, is te lezen dat Willem Meijnerts in 1647 in tweede termijn 100 goudguldens betaald wordt voor ‘t Maecken vant orgel volgens contract daarvan gemaeckt’. Aan de kas werkte ‘Jacob Coninck, beeltsnider binnen Leeuwarden’, die in datzelfde jaar 48 goudguldens ontving (vgl. D.J. van der Meer, Jacob Cornelis (Coningh), in: Freonen om ds. J.J. Kalma hinne, Leeuwarden 1982, 140-147). Het timmerwerk wordt gedaan door Eilingh Gerbres, ‘mr. kistemaecker en timmerman tot Rinsumageest’. Meester Willem, die uit Berlicum afkomstig was, wordt in Rinsumageest gehuisvest. Dispositie van het orgel bij Knock (en Duinkerken). In 1801 werkt L. van Dam aan het orgel en wordt er vracht in rekening gebracht aan het borstwerk, waartoe voor 200 gulden lood geboekt wordt.

+ In de toren hangt een klok, diam. 98 cm, met bovenrandopschrift in gotische letters: ‘Int jaer ons Heeren ende Salichmaker Jesu Christi duisent ses hondert ende twintich heeft mij Hans Falck van Nuerenberg gegoten’. Daaronder de wapens met afgehakte tekens en onderschrift: ‘Georg van Swartzenburg/Tziart van Ailva gritman van Dantumadeel/ Riuverdt van Juckema’.

Een tweede klok die reeds in 1904 vernieuwd was door Van Bergen Midwolda werd in w.o. ii versmolten. De klok had een diameter van 120 cm en zou volgens Duinkerken het volgende opschrift gehad hebben: ‘Int jaer onzes Heeren en Zaligmaker Duizend Zeshondert en zeventien heeft mij Hans Falck van Nuerenberg gegoten te Leeuwarden, Gheorg van Swartsenburg, Peeter Attes, Meester Beern Minnes Crabbe kerkvoogden, Nicolaus Johannes Walwijck Predikant tot Rijnmageest, Wilhelmus Horatii Hora Secretaris over Dantumadeel, Ruuerdt van Juckema Tziart Ailva Grietman over Dantumadeel’.

+ Behoudens een avondmaalsstel uit 1916 bezit de kerk een avondmaalsbeker op standring hoog 13,2 cm, diam. 9,8 cm, gemerkt met stadsmerk een adelaar van Bolsward, jaarletter × van 1630 en meesterteken een drieblad. Op de beker zijn drie kleine voorstellingen van Geloof, Hoop en Liefde gegraveerd (afb. 199).

+ Sedert 1880 berust in het Fries Museum een roodzandstenen grafzerk met de voorstelling van een staande jongeling en gedateerd 1341. Afmetingen 218 × 84 en 66 cm, dik 13 cm (afb. 194).

+ De zerk was volgens Eyck van Zuylichem ingemetseld in de oostelijke muur van het nieuwe gedeelte van de kerk. L.J.F. Janssen denkt aan een sarcofaagdeksel. Een stenen doodkist werd hem in 1865 ten westen van de kerk getoond; de zerk zou als deksel daarvan gediend hebben. Daar er geen maten genoemd worden, is dit moeilijk te beoordelen.

 

+ L.J.F. Janssen in Vrije Fries x, 1865, 144 en xi, 1868, 268; 52e Verslag van het Fries Genootschap 1879-1880, 19; R. Ligtenberg, Die romanische Steinplastik in den Nördlichen Niederlanden, Den Haag 1918, 132; D.P.R.A. Bouvy, Middeleeuwse

[p. 134]

beeldhouwkunst in de Noordelijke Nederlanden, Amsterdam 1947, 30.

 

+ De gestorvene is staande afgebeeld onder een lage spitsboognis, die op bladconsoles als bekroningen van colonnetten neerkomt. De jongeling draagt in de rechterhand een lans, de linker heeft hij gebogen voor de borst. Zijn overkleed is langs de hals van een geborduurde rand voorzien. Aan de gordel draagt hij een mes en schrijfgerei of een boek. Onder zijn linkerelleboog is een onbekend voorwerp voorgesteld. Langs de rand is te lezen ‘an̄o dmī mcccxli siōis et iude th ē bīs erpta ivvenīs sociabilis eppo cognagos fovit de dictis ut bn̄ nov̄ q transis obv̄ m... athigard hacira sibī fuere parentes hesselius frater sidachus sicq gemellus’. Wat in gangbaar Latijn zal moeten betekenen: ‘Anno Domini mcccxli Simonis et Iudei Th(anatos) En nobis ereptus juvenis sociabilis Eppo/Cognatos fovit, de dictis ut bene novit/Ergo quisquis transis obvium m(emento in precibus tuis) Athigart, Hacira sibique fuere parentes, Hesselius frater, Sidachus Sicoque gemellus’. In het Nederlands: ‘Ziet, in het jaar des Heren 1341 op de dag van de dood van Simon en Judas is de beminnelijke jongeling Eppo ons ontrukt. Hij had zijn naastbestaanden lief, volgens de geboden zoals wel bekend is. Gij, die voorbij gaat (gedenk hem in Uw gebeden) Athigart en Hacira waren zijn ouders, Hessel zijn broeder en Sydse en van Sicco was hij de tweelingbroeder’.

+ In de uithof van het Fries Museum te Janum berust voorts een roodzandstenen sarcofaagdeksel, versierd met twee kromstaven en gevonden tijdens de restauratie en het bodemonderzoek in 1946 (Martin nr. 66, xiib) (afb. 179).

+ Zie Tjaardaweg 20.

+ Zie Raadhuisstraat 2.

+ Een bericht uit 1749 vermeldt dat het ‘particuliere gasthuis van wijlen ritmeester Burmania te Rinsumageest’ niet vrijgesteld wordt van schoorsteengeld (Wumkes 1, 114).

Het gasthuis wordt als reeds bestaand vermeld in het testament van Sijds Tjaarda in 1540 (zie Tjaarda State). Het is niet bekend waar dit gestaan heeft.

Particuliere bebouwing in het dorp

+ Buiten het centrum ten zuiden van het dorp staat aan de rand van de dorpsbebouwing een grote boerderij van het kop-hals-romptype (afb. 220, 221). Het korte onderkelderde voorhuis heeft uitmetselingen boven de strekken van de vensters en gietijzeren ankerwartels, die een datering in het midden van de 19e eeuw aannemelijk maken. Beide topgevels van het voorhuis hebben een schoorsteen met bord. Op deze plaats geeft de kadastrale minuut reeds een boerderij, doch met een korter voorhuis.

+ Tot 1967 had dit pand de oorspronkelijke vorm van kop-rompboerderij behouden (afb. 219). Het vooreind had blijkens het keldervenster de bedstedenwand tegen de achtermuur. De voorgeveltop had langs de kanten rollagen met houten deklijsten en eindigde in een forse schoorsteen met sierlijk bord. De boerderij was volgens ‘Rinsumageest in oude ansichten’ door E. Duijff in 1869 gebouwd. De schuurmuren zijn door lisenen geleed. In 1967 is ook van dit pand het vooreind afgebroken en is het woongedeelte in de schuur getrokken.

+ De zuidelijke kade van de Murk-Trekvaart heet ten oosten van het dorpscentrum Kerkstraat en is voorbij de Gereformeerde Kerk uit 1913 door architect Tjeerd Kuipers bebouwd met lage panden gedekt door een kap met nok evenwijdig aan de rooilijn (afb. 216).

+ Dit pand heeft de ingang in het midden in een weinig voorspringende middenpartij, waarin een eenvoudig stichtingssteentje met opschrift: ‘Gebouwd in 1875 door A. Terpstra mr. timmm te Rinsumageest. Eerste steen gelegd door A.O. Viersen 18 maart’.

+ De zuidelijke kade van de Murk westelijk van de kruising heet naar het hoekpand met de weg Akkerwoude, dat tot 1880 als raadhuis, voorheen rechthuis dienst heeft gedaan. Ook hier is de bebouwing landelijk en bestaat uit panden zonder verdieping onder zadeldak evenwijdig aan de rooilijn (afb. 218).

+ Fors pand met volledige verdieping onder schilddak met hoekschoorstenen (afb. 214). De linkerhelft is blijkens de keldervensters onderkelderd geweest. Het vertrek daar zal oorspronkelijk een opkamer geweest zijn. De vensters zijn thans vrijwel even hoog als die van de rechterhelft. De gevel is door middel van doorgaande pilasters, die blijkens

[p. 135]

oude foto's natuurstenen lijstkapitelen droegen, in vijf traveeën geleed. De ingang staat in het midden en is langs een stoep van drie treden bereikbaar. Op de verdieping staan nog de oude kozijnen met vroeg 19e-eeuwse verdeling in zes ruiten. Zij geven licht in één grote zaal. Het pand zal eind 17e eeuw ontstaan zijn. In het gemeentearchief zijn uit die tijd geen stukken meer aanwezig.

+ De overzijde van het water heet thans Siniaweg. Na de doorbraak ten behoeve van de doorgaande weg staan er behalve het lokaal van de Gereformeerde Kerkgemeente nog twee panden.

+ In aanleg 17e-eeuws pand met aan de linkerzijde van de ingang onderkelderde opkamer, die blijkens de plaatsing van de straalsgewijs geplaatste natuursteenblokken in de strekken boven de vensters aanvankelijk smalle vensters had (afb. 212). Onder twee van de strekken staan thans even grote vroeg 19e-eeuwse ramen als in de rechterhelft van het huis. Naast de vensters is nog een derde strek te zien van een smal venster, dat in de hal licht gaf en in de vroege 19e eeuw gedicht zal zijn, toen de ingang van een destijds moderne omtimmering is voorzien. Wanneer men voorts ziet, dat de ankers van de balklaag thans voor de natuursteenblokken heengrijpen, treft de overeenkomst met het door Stellingwerf getekende gebouw, dat het onderschrift heeft: ‘Huis van de Lt. Colonel Molenschot op de Geest’ (afb. 211). In het begin van de 19e eeuw zal het huis als meer grotere huizen in Friesland van een verdieping zijn ontdaan, waarbij de vensters gemoderniseerd werden (vergelijk Harsta State, Hogebeintum en Tjessens bij Holwerd). Inwendig zijn in de opkamer nog een vroeg 19e-eeuwse schouwomtimmering, de oorspronkelijke spiltrap links achter in de hal en in het rechtervertrek een 18e-eeuws bedschot. In de hal rond de trap is de tegelbekleding van de wanden nog aanwezig.

Tegen de linkergevel het koetshuis.

+ In aanleg deftige woning met ingang in iets voorspringende middenpartij, die als ‘vlaamse gevel’ is opgehaald (afb. 212). Metselwerk en de iets gebogen strek boven de vensters tonen dat het huis eind 18e vroeg 19e eeuw zal zijn gebouwd. Het inwendige heeft zeer geleden; een steektrap naar de verdieping bevindt zich rechts tegen de achtergevel van het voorste blok. Mogelijk is het achterste blok later toegevoegd. In de rechtervoorkamer staat een forse bedsteden-kastenwand, gedateerd 1760 en mogelijk uit een voorgaand huis opnieuw toegepast (verg. Herenhuizen blz. 142). Het schouwtje in de linkerkamer past beter bij de veronderstelde bouwdatum.

+ Deze vrij in een tuin gelegen grote woning is oorspronkelijk de Hervormde pastorie geweest en in 1790 gebouwd blijkens jaartalstenen, die opnieuw zijn toegepast aan de in 1918 herbouwde topgevel. De nieuwe ingangspartij eronder is door jaartalsteentjes 1918 gedateerd (afb. 198). In de kerkerekeningen vinden we in 1791 het arbeidsloon aan de pastorie betaald aan Carel Christiaens. A. van Gissen levert het kamerbehangsel. Ook Dirk Emdervelt, de ook van elders bekende steenhouwer en steenleverancier, heeft in de jaren aan de kerkvoogdij voor 108 gulden blauwe steen geleverd, mogelijk dus voor de pastorie. Aan de topgevel zijn in 1918 slechts twee gebeeldhouwde beëindigingen opnieuw toegepast, die echter van witte steen zijn. Waarschijnlijk betreft de levering van Emdervelt slechts stoepsteen. De oude indeling met brede gang in het midden is in 1918 behouden gebleven. Slechts de kap is vernieuwd boven de iets verhoogde muren. Rechts achteraan in huis bevond zich oorspronkelijk de keuken, die een geheel betimmerde wand met kasten en een opgang naar de zolder heeft. De wand is in drie vakken verdeeld, omlijst door profielwerk dat een accoladeboog als bekroning vormt. Ook de gootsteen met pomp is nog aanwezig.

+ Deftig pand van eind 18e begin 19e eeuw gangbare type met ingang in een iets voorspringende middenpartij, die als vlaamse gevel voor de kap is opgehaald (afb. 217). De topgevel is thans vlak gedekt, ongetwijfeld ter vervanging van een vroegere decoratieve beëindiging. De grote zesruitsvensters hebben een iets gebogen bovendorpel. De ingang is omlijst en heeft smalle zijlichten als aan Siniaweg 11.

Industriemolen

+ In de knik van de waterweg Murk-Trekvaart stond volgens Schotanus de korenmolen van Rinsumageest.

+ Sedert het laatste kwart van de 15e eeuw wordt een molen te Rinsumageest genoemd.

In 1639 werd deze op de lijst van niet rendabele molens geplaatst en moest tot minstens 1 mei stilgelegd worden. Daar de molen op de Schotanuskaarten voorkomt, zal hij niet

[p. 136]

zijn afgebroken. In 1761 moet de molen zijn omgevallen, want het volgend voorjaar werd geveild: ‘een goede stander, beste roeden, steen- en ijzerwerk’ (Leeuwarder Courant). De Staten machtigden de hoofdcommies Binkes om het recht van de roggeen weitstenen aan te kopen, wat inhoudt dat er niet meer gemalen mocht worden. Ook het molenaarshuis met de grond werd verkocht en men moest naar Akkerwoude om zijn koren te laten malen. Uit de veilingaankondiging blijkt dat het om een standaardmolen ging, en waarschijnlijk om het sedert de 15e eeuw vermelde werktuig (Van der Molen, Gemaal).

De States

Het belang van Rinsumageest in de 15e eeuw wordt onderstreept door de aanwezigheid van vier states. Volgens het Spionnagerapport van omstreeks 1468 was ‘die Geest’ ‘een starcke platse meit en dorp’, ‘ende dit behoert een geheeten Worp’. ‘Op dieselfde Gheeste noch een stark slot ende behoort toe eenen geheeten Gayetgen. Item daer noch op dieselve plaetse Becke Harincxzn heeft dair oeck een groot slot’.

 

+ Ten oosten van de kerk en grenzend aan het kerkhof lag Tjaarda State (afb. 202-208).

 

+ r.v.a. i, 193; Benef. 195; Worp iv, 110-112, 317; id. v, 2; J.S. Theissen, Centraal gezag en de Friesche Vrijheid, Groningen 1907, 286-330 en 356-361; Wumkes i, 3, 29; Sipma i, 34, 38, 56, 76, 384; id. ii, 121, 155, 159; id. iii, 31; Pax Groningana 10, 20, 65; Spionnagerapport.

+ Tekening door J. Stellingwerf, 1723, met onderschrift: ‘Het slot Tjarda op Rinsmageest behoort den Ed here ... van Burmania en Mevrouw van Camstra deszelfs vrouwe’; tekening door J. Bulthuis van kerk en slot; idem door J. Gardenier Visscher; tekeningen door S. Bonga van de 19e-eeuwse toestanden en kopieën daarnaar, alle in coll. Fries Museum Leeuwarden (afb. 202-206).

+ Kaarten van het goed in 1629 in het kaartboek Juckema in het Tjaarda-archief, r.a. Leeuwarden (afb. 203, 204).

+ Archief Tjaarda State 1471-1833, r.a. Leeuwarden, inv. Kleine Huisarchieven. Een gedeelte van het archief van Tjaarda State berust in het gemeentearchief van Franeker; J. Goslinga-Lijsen, Inventaris van de archiefcollectie van wijlen dr. J. Banga, Franeker 1927.

 

+ Onder de namen van de verwanten van de overledene, genoemd op de zogenaamde Eppozerk uit de kerk (blz. 133) uit 1341 is die van Sydachus te herkennen als die van Sydze, welke naam we ruim tachtig jaar later kennen als Sydze Thiarda, inwoner ‘upter Gaest’. De oorkonde van 1421 (Sipma i, 34) draagt op de zegelstaart van Sydze Thiarda de woorden S(igillum) Sydachi (Vr. Fries 1885, 144). In 1423 was deze ‘greetman’ van Dantumadeel (ib. 38), in 1431 mederechter (ib. 56). In 1439 en 1440 wordt hij ‘hovetling up der Gaest’ genoemd (ib. 76 en 79). In 1444 komt hij het laatst voor en sluit dan vrede met de stad Groningen (Pax Groningana 10).

In 1453 verschijnt ‘Worp Sydse (Thiarda) opter Geest’ (Sipma i, 34). Hij was een bekend Schieringer hoofdeling en nam in 1463 deel aan de strijd tegen Jancke Douwama te Irnsum. Ook tegen de bewoners van de naburige stins Juwsma moest hij zich verweren (Worp iv, 110-112). In 1468 moest hij een ‘soen’ met de stad Groningen sluiten (Pax Groningana 20) en het Spionnagerapport van dat jaar noemt zijn huis ‘een starcke platse’. In 1474 blijkt het zelfs sterker te zijn dan het nabije Eijsinga (zie aldaar ‘geschiedenis’).

Worp was blijkens een testament gehuwd met Jouck Tirdama (Sipma i, 384), die na zijn dood in tweede echt huwde met Gabbe Jarla te Wetsens. Zij hadden twee dochters, Kinsck en Auck. Kinsck huwde Sydts Bottinga, die de naam Tjaarda aannam. Als zodanig kwam hij in 1486 als ‘greetman’ over Dantumadeel voor (Sipma ii, 121). Hij of een broer schonk waarschijnlijk in 1489 de klok te Janum (zie aldaar). In 1487 zegelt hij mede een verbond met Dokkum en Ferwerderadeel (Sipma ii, 155) en in 1488 onderhandelde hij voor Oostergo en Westergo met de stad Groningen (Sipma ii, 159). Hij overleed vóór 1492, want dan moet zijn weduwe haar huis te Rinsumageest ter beschikking stellen van de stad Groningen (Pax Groningana 65).

Kinsck hertrouwde Schelte van Scheltema (of Idsinga) uit Huizum, die bij haar introk

[p. 137]

en ook al spoedig zich Schelte Tyaerda opper Geest noemde (Worp iv, 317 en Sipma iii, 31) en in het register van 1511 als landheer voorkomt. Aanvankelijk steunde hij de stad Groningen, maar al spoedig wordt hij door hertog Albrecht van Saksen in diens raad opgenomen. Worp, die immers zelf een Tjaarda was, kon hier uit zijn geheugen putten. Zijn Saksische gezindheid werd Schelte echter noodlottig, toen in 1515 de Gelderse troepen het platteland van Dokkum uit bestookten en Tjaardahuis innamen. Schelte vertoefde te Leeuwarden en moest lijdelijk toezien, hoe na een aanvankelijke bezetting door de Bourgondiërs, die inmiddels aan de macht gekomen waren, zijn huis door de Geldersen in brand gestoken werd, nadat ze ‘all wt braken, dat hoer diende, ende voerdent binnen Dokkum’.

De enige zoon van Schelte en Kinsck werd jurist. De trouw van zijn vader aan het Bourgondische bewind werd beloond met een grietmansambt voor de zoon dat hij tot 1536 heeft bekleed. Voorts was hij olderman te Dokkum en ontvanger der florenen van Oostergo, volmacht voor Dantumadeel enz. enz. en trad als afgezant op naar de Keizer en diens landvoogdes Maria van Bourgondië. Blijkens de aangifte van de bezittingen van de kerk van Rinsumageest in 1543 heeft hij er een ‘cappelaenschap ofte prebende’ gesticht (Benef. 195). Uit zijn door Theissen bekend geworden testament (1540) blijkt dat hij het huis grotendeels herbouwd heeft. Het voordeel, dat bestemd is voor de zoon die het geleerdst wordt, staat omschreven als ‘Tziaerda huis ofte slot, schuijre, langhuijs, met eer, feer, heerlicheit, swannejacht, gewalt’.

Voorts behoorde daartoe ‘die gewalt van de cappellanije’ gesticht door Wijts Jongema (Wijts Wopkesdr. Juwsma), ‘die gewalt en opsicht opt Gasthuijs te Rinsmagaest’ gesticht door de voorouders van de testator, verschillende boerderijen, een partij gouden en zilveren voorwerpen en het tichelwerk bij Dokkum. Voorts konden de eigenaars van Tjaarda aanspraak maken op de hulp van ‘fitsers en swelers’: verschillende onderhorige boerderijen en ook woonhuizen in het dorp waren belast met de levering van dergelijke hand- en spandiensten aan Tjaarda en ook aan Eijsinga State (cf. Berns 63, k 5, 222, N.E. Algra, Ein 107, 108). Syds was gehuwd met Moed Sythiema; hun epitaaf staat aan de oostgevel van de zuiderbeuk van de kerk.

Zijn weduwe mocht volgens het testament altijd blijven wonen in ‘dije grote camer van dat stins, dije coecken, onse slaapkamer, dije camer bij het brouhuis met dije uuthganck tot der brugge’. Syds overleed in 1546 en de jongste zoon Worp wordt daarna als inwoner van Rinsumageest genoemd (Berns 18 yy 8, 55), voor het laatst in 1575. Zijn weduwe Ynts van Aggema zal met Egbert van Ballem hertrouwd zijn, die in de Conscriptio Exulum genoemd wordt. Daar zij geen kinderen nalieten vererfde Tjaarda State aan Worps broeder Schelte die met His van Hermana was gehuwd, voor 1581 overleed en een dochter Maria naliet. Zij huwde met Riuerdt van Juckema. Ook zij bleven ‘papist’. Van Ruirdt is een kaartboek bekend uit 1629, waarin de situatie van kerk en state duidelijk wordt weergegeven, evenals die van de bebouwing van het dorp oostelijk van de State. In 1661 kwam het goed door boedelscheiding aan de Van Camstra's met wie een dochter van Ruirdt gehuwd was. Vervolgens kwam Tjaarda State door huwelijk van een dochter van Camstra met Minne van Burmania in die familie, welke tak zich sindsdien Van Tjaarda ging noemen. In 1725 en 1730 testeerden de echtelieden op de langstlevende. Van Tjaarda State wordt gezegd dat de state met fidei-commis was bezwaard en dat de bezitter de state zelf moest bewonen en ‘fuir en light’ op de state moest houden. Via een zuster van Menno vererfde de state op Gerrit van Camminga, die er in 1768 volgens het stemkohier niet woonde; zijn erfgename werd zijn zuster die, gehuwd met Tjalling van Asbeck, zich er weer metterwoon vestigde. In het Tjaarda-archief komen over deze tijd geen rekeningen over het huis voor. Via een dochter van Van Asbeck komt het goed in handen van M.C.F.J. de Rotte, die zich rond 1820 wijdde aan het besturen van het Tjaarda-complex, doch na een scheiding en vertrek uit Rinsumageest het Huis ging verkopen. In 1834 is het slot op afbraak verkocht met ‘den daarbij behorende toren en klok, poort, zomerhuis, schuur, stallingen en koetshuis ...bestaande in een royale heerenhuizinge, geheel uit het water opgetrokken, voorzien van twintig meest ruime vertrekken, waaronder twee zalen, voorts keuken, verwulfde kelders en diverse zolders, een zeer ruim voorhuis en breden gang, beide met wit marmeren steenen gevloerd’. Later worden er nog bouwmaterialen van Tjaarda te koop aangeboden waaronder ‘gladde blauwe pannen, oude Vriesche metselsteen, grauwe en rode drieling, een metalen klok, een kleine dito en een groote partij uitmuntende mooie

[p. 138]

wit marmeren vloerstenen’ te bevragen bij J. Romein, meester-timmerman te Leeuwarden.+ De tekening van Stellingwerf uit 1723 geeft nog vrijwel de situatie weer die in 1629 als kaart getekend werd: een rondom uit het water oprijzend gebouw op een vierkant eiland; op de hoeken voormalige paviljoens, waarvan het noordwestelijke hoog oprijst en het noordoostelijke slechts een verdieping heeft en met een schilddak is gedekt. Zij zullen op hoekbastions gebouwd zijn in de omwalling van het terrein.

Naast het lage paviljoen rijst een veelhoekige toren hoog op als spietoren. De stins met de grote kamer, waarover Syds schrijft in zijn testament, zal het gedeelte naast de spietoren zijn, waarin de ingang is gemaakt en dat door trapgevels is beëindigd. Hierin kunnen we de herbouw door Syds herkennen, die de middeleeuwse woontoren van vensters voorzien zal hebben en van aanbouwen. Wat afmetingen betreft kan dit gedeelte ongeveer 8-10 meter vierkant geweest zijn. Bij Gardenier Visscher zien we links van de stins nog een kleine spits, die mogelijk op een der bastions-paviljoens gestaan heeft, die op de kaart van 1629 aan de achterzijde getekend zijn. Het eiland was met het ‘binnenhof’ verbonden door een brug, waarover Moed steeds uitgang moest hebben. Daarnaast, lijkt er in het testament van Syds Tjaarda te staan, is het brouwhuis gelegen. Ten westen van het huis stond, zoals Gardenier weergeeft de schuur en tegenover de grote schuur, over de gracht gebouwd, een ‘somerhuiske’. Het binnenhof is omgracht en dicht bij het huis staat daaroverheen gebouwd het poortgebouw. Op de 19e-eeuwse tekeningen zien we dat dit 16e-eeuwse profileringen rond de poort en vensters had en een cartouchevormige wapensteen.

Beide noordelijke hoekpaviljoens zijn dan in vleugels van twee verdiepingen opgenomen; de middenvleugels, waarin we de stins herkenden is tot een lange gevel gemaakt en gepleisterd. De toren blijkt daar, wat het overgekraagde bovenste gedeelte betreft, uit afwisselende lagen gekleurde steen te bestaan. Met de open geleding en de uivormige spits, kenmerken die wijzen op de tijd van Syds van Tjaarda en Moed Sythiema.

De kaart van 1629 geeft aan dat de gracht om de binnenhof verbinding heeft gehad met de gracht om het huis.

Aan de westzijde staat over de eerste de toegangspoort. Aan de zuidzijde mondt de hofgracht uit in de gracht om het huis, ongeveer in de as, waar wij het steenhuis hebben gelokaliseerd; mogelijk ook in de as van de hoge toren. Het oostelijke gedeelte van het terrein wordt als tuin aangemerkt.

Westelijk van het binnenhof loopt de ‘opvaart tusschen de singel en het hoff’. Deze heeft verbinding met de kerkhofsgracht en dicht daarbij is het schiphuis getekend. Aan de Herenweg staat tenslotte nog een ‘hooghe mey’, direct naast de kerkhofsgracht. Waarschijnlijk is deze verbonden geweest aan een muur, die de tuin omgaf. De kadastrale minuutkaart geeft ten westen van de singel nog een groot terrein in vier vakken verdeeld, waarin we een 17e- of 18e-eeuwse geometrisch aangelegde tuin mogen zien; in 1620 zijn dit nog vier stukken van ongelijke afmeting.

+ Het Fries Museum bewaart een uit afbraak van het slot afkomstig houten kistje, dat ‘ingemetseld in eene muur’ gevonden werd (Catalogus Fries Museum 1881, 442; afb. 207). Een bericht uit 1850 vermeldt dat mr. Van Halmael het kistje toen aan het Friesch Genootschap heeft aangeboden (Wumkes ii, 240). Het kistje is beschilderd met bloemen en ranken, in het midden een zon met de letter h, volgens de catalogus als aanduiding van de naam Hermana. Daar ook wordt vermeld dat het kistje de volgende voorwerpen bevat: twee ijzeren stempels met de wapens Hermana-Frittema en Hermana-Tjaerda. His van Hermana was gehuwd met Schelte Sydses van Tjaarda; haar broeder was de laatste manlijke nakomeling van dit geslacht. Voorts liggen in het kistje een ijzeren passer, een zilveren mesje, een gedraaid benen voorwerp (pen?) en twee in houten met lint en zilverdraad omwoelde handvatten gevatte vogelnagels. Deze hebben de fantasie in werking gesteld en zouden volgens het handschrift van Botte van Holdinga (xvi) toegedacht zijn aan de drie belangrijkste families van Friesland en vruchtbaarheid verzekerd hebben. Dr. Wassenbergh verklaart de nagels, die op twee mansportretten in het Fries Museum voorkomen, als tandestokers (A. Wassenbergh, l'Art du portrait en Frise au seizième siècle, blz. 66 noot 1).

+ Eveneens van Tjaarda State afkomstig bewaart het Fries Museum een schilderij (doek 95,5 × 131 cm), voorstellende blijkens bijschrift de Friese maaltijd. In een vertrek waar aan de wand twee ronde portretten in vierkante lijsten hangen zitten acht personen aan

[p. 139]

een welvoorziene dis, ter zijde een open kast; een dienaar loopt links naar de deur. De personen zijn historiserend gekleed; de rechtse vrouw draagt het jongste kostuum, 17e-eeuws. Blijkens de wanddecoratie is het schilderij mogelijk in de 18e eeuw ontstaan. Het stuk kwam in 1843 aan het Friesch Genootschap uit nalatenschap-Fontein te Harlingen (afb. 208).

 

+ Waarschijnlijk stond zuidwestelijk van Tjaerda State het Juwsma-goed op de rechthoekige percelen, die nog op de kadastrale minuut te zien zijn. Volgens Worp van Thabor stonden de huizen zo dicht bijeen, ‘datse tot ander met een haeck mochten schieten’. Ook wordt door dezelfde auteur verhaald, dat Wopke Juwsma in 1466 terugkerend van het dorp in een hinderlaag viel, opgezet door zijn buurman. Hij vluchtte onder de brug en trachtte zich te verbergen ‘in een hoeck van die naeste pylaer vant huys an die brugge’, doch werd gevonden en gedood. De weg van het dorp naar de westelijk gelegen percelen voerde inderdaad langs Tjaerda State.

+ In 1421 waren Hessel Juwsma met Syds Tjaerda en Feye Asinga upper Gast getuigen in een verkoping van veen in Lutjewoude (Sipma i, 34).

Iets later, in 1437, komt Renic Juwsma voor als grietman in Dantumadeel en zegelt een overeenkomst tussen Klaarkamp en de inwoners van Roodkerk (Sipma i, 71). In 1439 wordt hij hoveling ‘up der Gaest’ genoemd (ib. 76). Na 1450 wordt het huis inzet van twisten tussen verschillende leden van het geslacht van die naam. In 1468 wordt het huis, dat in bezit was van Wyttye Wopckesdr. belegerd en veroverd door Hans Heer Juwsma (Worp iv, 114). In 1468 is Gaytie Juwesma bewoner van ‘een sterck slot’ (Spionnagerapport), maar in 1472 is er een geschil tussen hem en Wyttye Wopckesdr. die met Juw van Harinsma gehuwd is, over ‘Juwesma hws opper Gaest mijt den weergreft ende horleger (sic) ende om dat schettena hws alst nu is ende schura’ (Sipma i, 221). Het versterkte huis trok de aandacht van de stad Groningen, die Gayken Ywessma, ‘hoefftling ypder Gast’, in 1477 wist te bewegen ‘Ywesma huus mytten heerde ende den hofsteden mytten grafft ende alle de huusingen die byonnen en buten den grafft staen, mytter vysscherie ende mytter zwanenvlucht’ aan haar te verkopen. De koop werd echter blijkbaar later geremitteerd, want omstreeks 1483 kocht Wilcke van Ringia van Stiens Juusma Huys van Gaathua Juwsma met de bedoeling de inwoners van Leeuwarden schade toe te brengen van dit bolwerk uit (Worp iv, 159). Door omkoping namen de Leeuwarders echter snel bezit van Juwsma en slechtten ‘de mueren vant huys ende dat sael ende lieten niets staen dan dat stinse met die poorte’. Buurman Syds Tjaerda liet dit echter niet op zich zitten en toen de Leeuwarders eens afwezig waren nam hij het huis in en slechtte wat de Leeuwarders hadden laten staan (Worp iv, 159). In jongere bronnen wordt Juwsma niet meer genoemd en het zal in Tjaerda zijn opgegaan. Het testament van Syds Tjaerda noemt dan ook onder meer het kapelaanschap gesticht door Wyts Jongema, die een Juwsma was en in tweede echt met Jongema was gehuwd (zie Tjaarda State, Geschiedenis).

 

+ Ten zuidoosten van het dorp aan de weg naar Akkerwoude lag Eijsinga State.

 

+ r.v.a. i, 194; Benef. 196; Tegenw. Staat ii, 243; Potter, Wandelingen; Wumkes i, 118, 371, 374; ii, 24, 26; Sipma i, 34, 38, 56, 70, 76.

+ Tekening door J. Stellingwerf met onderschrift: ‘t Slot Eijsinga State op Rinsmageest in Dantumadeel behoort mevrouw van Zwartsenburg’, in coll. Fries Museum Leeuwarden (afb. 210).

 

+ De oudste vermelding van een Eijsinga is die in 1421 wanneer Feije Asinga upper Gast een charter zegelt betreffende een schenking aan het klooster Genezareth van vijf pondemaat land bij het spiker van Hiaure (Sipma i, 34).

Twee jaar later komt hij als Feije Eijssingha voor en is dan een van de twee ‘eeheeren’ van Dantumadeel (ib. 38). Ook in 1431 en 1437 komt hij voor (ib. 56 en 70). In 1459 doet hij een schenking aan het klooster Klaarkamp om de zaligheid van hemzelf, Liwa en Eteke de ouders van zijn vrouw en die van hun zoon Gerck en zijn vrouw Iteke (Sipma i, 158). Gercke Feijesz liet een dochter na Hack genaamd, die Ado Jonghema uit Rauwerd huwde en in 1474 te Rinsumageest woonde (Worp iv, 121). In dat jaar deed

[p. 140]

hij een overval op de stadswoning in Dokkum van Wobbe Gerlofsz uit Dantumawoude en sloot gevangenen op in Tjaarda Huis omdat dat sterker was dan Eijsinga, waarop hij woonde.

Hack hertrouwde na de dood van Ado met Tjalling Entsz Bolta, die vervolgens de naam en het wapen der Eijsinga's gaat voeren, doch te Oenkerk blijft wonen. Als bewoner van Eijsinga State wordt in 1511 een Sijbe Eijsinga genoemd (r.v.a. i, 194). Erfgenaam van Tjalling en Hack wordt hun jongste zoon Feije; hij wordt in 1529 voor het eerst genoemd (Berns, 18, ww, i, 431) en leefde nog in 1550, toen hij als volmacht van Dantumadeel optrad te Leeuwarden (Charterb. iii, 184).

In de opgave van 1543 wordt Feije als landheer genoemd en hij ondertekent de gegevens met Syds Tjaarda. Zijn dochter werd zijn universele erfgename en huwde Botte van Holdinga van wie zij een zoon Wilcke kreeg, die het huis erfde. In zijn testament van 1594 wordt bepaald dat ‘de huysinge staende op mijn staten ofte eedelhoffstee tot Eysingha’ niet mag worden afgebroken noch enige ‘maaterialen daarvan vervoert ofte alieneert’ mogen worden. Blijkens de overige bepalingen is hier sprake van een fideicommissair testament, waarin de toewijzing van het goed als geheel in een bepaalde tak van de familie vastgelegd wordt. Daar de erfgename, zijn dochter Doedt in tweede echt gehuwd was met Georg Schwartzenberg thoe Hohenlansberg en op diens state te Beetgum woonde, werd bepaald dat een nicht Frouw van Burmania op Eysinga mocht wonen. Aangezien echter het huis ‘geen huysinge is om inne te wonen nae die qualiteit’ en de erflater ‘haer geern vorsien wolde van een goede woninge’ schonk hij haar uit de boedel nog 2000 daalders om een goede woning te laten bouwen. Ook mocht zij de ‘steen leggende daer toe’ gebruiken. Een en ander blijkt uit processen van Georg van Schwartzenberg tegen Haring van Burmania als bewoonster van Eysinga State (Berns 18, ww, 1630-1633). In 1630 is er sprake van ‘olde materialen aen het nieuwe gebou’. De 2000 daalders waarover het proces liep, werden niet toegewezen daar ze gebruikt waren ‘tot opbouwinge van seecker huijsinge op Eijsinga State’. Wij kunnen daarmede het door Stellingwerf afgebeeld gebouw vrij nauwkeurig dateren voor 1630 en waarschijnlijk reeds voor 1623.

Volgens het stemkohier van 1640 was ritmeester Wilco van Holdinga thoe Schwartzenberg toen eigenaar en bewoner van de state, zoon van Doedt en Georg Schwartzenberg. Volgens de Tegenwoordige Staat zou hij de tuinen aangelegd hebben, nadat de weg tot aan Schwartzenbergs bos in Tietjerksteradeel en de Schwartzenbergvaart naar Kuikhorne reeds aangelegd waren. Wilco was gehuwd met Jeanette Tjaerda van Starckenborg en had een dochter Helena Maria, die huwde met haar neef Georg Wilco van Schwartzenberg. Hun goederen werden in 1682 geïnventariseerd, waarbij de volgende vertrekken genoemd worden: ‘het voorhuys, het sael, twee kamers boven het sael, het Pardis, het salet, het cabinet, het kabinettie, de slaepkamer, de kinderkamer, het schrijfkamerke, de daeghskamer, de boerekamer, de bottelarije en de poortkamer’. Op Eijsinga hingen voorts ‘acht conterfeytsels van 't huys van Orangien en Nassau, een schilderij van Schwartzenbergs huijs op Rinsmageest, int groot sael een groot crucifix schilderij’ en nog 42 niet nader gespecificeerde stukken. Ook de bibliotheek, die op Holdinga te Anjum stond, komt in deze inventaris voor.

Na de dood van Wilco van Holdinga thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg hertrouwde Helena Maria met Tjaerdt van Aylva, grietman van Dantumadeel; zij gingen op Eijsinga wonen. Naderhand, wellicht na de dood van Helena Maria in 1682, trok Tjaerdt naar het belendende Melkema, waar hij volgens het stemkohier van 1698 woonde; op Eijsinga verbleef toen Wilco Holdinga thoe Schwartzenberg, met een jongere generatie Helena Maria gehuwd en later met Fedt Sophia van Goslinga. Een proces van 1702 tussen Wilco en de familie van Aylva op Melkemastate gaat over een oprijlaan tussen beide states (Berns 18, ww d.d. 20, 12 1702 nr. 17), waarvan een tekening gemaakt is die op het Rijksarchief Leeuwarden bewaard wordt (Hs inv. nr. 46).

Fedt Sophia van Goslinga is de ‘Mevrouw van Zwartsenberg’ van de tekening van het huis door Stellingwerf in 1723. Zij overleed in 1731, waarna haar zoon Michael Onuphrius, gehuwd met Margaretha Maria van Gendt, er kwam te wonen. Michael Onuphrius was grietman over Dantumadeel en wis- en werktuigkundige, waardoor hij een werkzaam aandeel kon hebben bij het aanleggen van de Dokkumer Nieuwe Zijlen en zijn naam daar vereeuwigd is (De Dongeradelen, 326). Ook schonk hij blijkens het opzetstuk op het klankbord een nieuwe kansel in de kerk. Bij verkoop van Melkema in

[p. 141]

1754 werden de tuinen van dat buitengoed bij Eijsinga getrokken.

Na de dood van Maria Margarethe in 1766 werden haar beide zoons Wilco en Frederik Willem eigenaars van het goed. Laatstgenoemde resideerde er als ontvanger der florenen en schrijver van een compagnie te voet en stierf er door een ongeluk. In 1791 wordt de ‘buitenplaats van den grietman Schwartzenberg’ verkocht aan Johan Poppe van Haren, een zoon van de bekende Onno Zwier en raadsheer in het Hof van Friesland. In 1793 laat hij er nog een stal, koetshuis en tuinmanswoning bijbouwen doch in 1798 moet hij Eijsinga ‘met de heerlijke huizinge en verdere gebouwen, sampt de hovingen binnen de gragt, met de zuider- en noordercingel buiten de gragt’ (tezamen ongeveer 5 pondemaat) verkopen, benevens vier pondemaat land voor de ‘huizinge met hoog hout, een tuin met vrugtbomen, 6 pondemaat kaphout en 9 pondemaat bosch- en bouwland’. In 1805 wordt opnieuw 50 pondemaat land verkocht, ‘als meede een huizinge, het groot Hiem, sampt stalling en koetshuis’, alles behorend onder Eijsinga State. Verkopers zijn dan Ipe Jans en Carel Christiaans te Rinsumageest en in mei wordt eveneens volgens de Leeuwarder Courant de huizinge afgebroken. Carel Christiaans en twee anderen bieden dan afbraakmaterialen aan, waarna in 1806 nogmaals onder meer ‘24 grote schuifkozijnen met raamten en blinden en vengsterbanken’ worden aangeboden. De roerende goederen waren in 1798 reeds verkocht, onder meer ‘vreemde uitheemse gewassen in potten’. In 1805 kopen de kerkvoogden een ingangsomlijsting, die zij aan het kerkgebouw toepassen. In dat jaar ook is ‘het Engels plantsoen van Eisinga State’ te koop bij ene Calmai en tevens een grote partij afbraak, waaronder behang uit acht tot tien kamers. Volgens de Tegenwoordige Staat was het huis op twee zware gewelfde kelders gebouwd. ‘Buiten de graft aan de noordkant van het huis is een groot plein en aan het einde daarvan een paardenstal. In 't oosten ligt een ruime tuin, die met een tweede graft omtrokken is en weder in 't ronde een fraaie buitencingel heeft’. Volgens Potter zou het huis ‘vreeslijk dikke muren’ gehad hebben.

+ De genoemde zware muren en overwelfde kelders wijzen op een middeleeuwse aanleg, die in de 17e eeuw verbouwd zal zijn tot het regelmatige blokvormige gebouw, dat Stellingwerf afbeeldt. Nemen we aan dat de beide open bekroningen schoorstenen moeten voorstellen, dan zien we nog een peervormig spitsje achter het dak uitrijzen, wellicht van een traptoren aan de achterzijde van het gebouw. De toegang tot het Huis leidde door een poortgebouw, dat aanzienlijker was dan gebruikelijk: het had volgens Stellingwerf een uitbouw waarin de eigenlijke poortdoorgang was gevat en was door een vierzijdig schilddak gedekt. Achter de poort was nog een gebouwtje, mogelijk de woning voor de poortwachter. Van de parkaanleg is geen spoor meer te zien op de kadastrale minuut. Zelfs Potter vindt in 1808 niets meer aanwezig van wat hij gekend heeft en beeldend beschrijft.

Het tuinmanshuis, de stal en het koetshuis, alle gebouwd in 1793, werden in 1820 tot armhuis ingericht en werden pleinhuizen genoemd. Dit gedeelte werd in 1920 gesloopt (A. Algra, De Historie gaat door 't eigen dorp v).

 

+ Ten westen van Eijsinga ziet men op de kaart van Schotanus Melkema aangegeven.

 

+ Tegenw. Staat ii, 243; Wumkes i, 135, 136, 245.

+ Tekening van J. Stellingwerf in coll. Fries Museum te Leeuwarden (afb. 209).

 

+ In 1439 schonk Thieppka Sceltama aan Juwe Bockama wegens diensten en weldaden, die hij van Juwe had ondervonden, Melkema State te Rinsumageest, inbegrepen de ‘stynze huzinga unde da stadda’ (Sipma i, 76). De bijbehorende landerijen verkocht Tjepke aan Juw. In 1477 behoorden ‘Melkema huus’ te Rinsumageest en ‘Bottema huus’ te Dantumawoude aan Gayken Juwsma en Eelken, echtelieden op Juwsma te Rinsumageest (Pax Groningana 29). De stad Groningen kreeg het recht van koop van een der huizen. Het Register van den Aanbreng noemt Dowa Doijnie als eigenaar, die de state verhuurt aan ‘Dowa in Malkum’. Overigens vernemen we niets over Melkema voor 1581 wanneer Ulbe Tiaerdtsz. Aylva er woont met Saepck van Winia. Hun zoon Tiaerd werd grietman van Dantumadeel, raad ter Admiraliteit en in 1615 buitengewoon afgevaardigde naar de Staten-Generaal inzake het houden van een nationale Synode. Ook zijn zoon Sioerd werd grietman en hij en zijn vrouw Juliana van Mouderick zouden het huis hebben laten herbouwen in 1658 (Nieuwe Naamlijst van Grietmannen,

[p. 142]

124). De poort, die ‘op het zuijt van Meckenhuijs’ stond was in 1647 afgebroken en vervangen door een homei, die (bij vergissing?) op grond van Eijsinga werd opgericht (Berns 17, ss 54, 17). Zijn zoon Tiaerdt was in 1678 woonachtig op Eijsinga (Berns 55, m 5, 199). Zijn zusters woonden in 1698 wel op Melkema volgens het stemkohier. Via hun broeder Epe vererfde de state naar het geslacht Van Schratenbach, zodat Stellingwerf in 1723 Lucia Juliana van Schratenbach echtgenote van Willem Emilius van Unia als eigenaresse noemt. Volgens het hypotheekboek van Westdongeradeel (Berns 52, bb 10, 1 vo) woonde zij er ook in 1726. Zij overleed in 1730 en een half jaar voordat haar man in 1754 overleed werd reeds Melkema State te koop aangeboden benevens een dubbele bank in de kerk te Rinsumageest. Het huis werd kort daarna op afbraak verkocht (Wumkes i, 135), waarna in 1769 de verkoop volgt van 600 eikebomen, 70 essen, 30 abelen en, 130 vruchtbomen. Apart worden weer verkocht ‘cosijnen, Engelsche schoorsteen, schoorsteenmantel, goudleeren behangsel, blauwe en bonte vloeren, staande en liggende plaaten’.

+ Het gebouw, zoals Stellingwerf het ons overlevert, heeft een sober 17e-eeuws karakter dat voor 1658 bij gebrek aan geledingen zelfs ouderwets genoemd mag worden. Het staat op een eiland, waarvan het slechts een gedeelte in beslag neemt. Naast het hoofdgebouw is een laag hoekpaviljoen en twee uitgemetselde muurtorens, mogelijk overblijfselen van een omwalling met hoekbastions. Achter het hoofdgebouw zien we nog twee torenspitsen, mogelijk een van een uitgebouwde traptoren en een van nog een verhoogd hoekpaviljoen. Het hoofdgebouw met volledige verdieping is naar midden 17e-eeuws gebruik gedekt door een hoog schilddak met hoekschoorstenen. Boven de ingang die niet geheel in het midden staat en via een lange brug over het water bereikbaar was, staat een brede dakkapel. De vensters hebben alle nog kruiskozijnen. Waarschijnlijk zijn oudere gebouwen in 1658 tot een geheel gemaakt onder een groot nieuw dak.

+ Stellingwerf geeft nog twee herenhuizen in afbeelding weer: het huis van de kolonel Molenschot en dat van de secretaris Fenema. Het huis Molenschot stond aan de Murk-Trekvaart, zie Siniaweg 9. Mogelijk stond het huis Fenema daarnaast (afb. 215). Het was bescheidener dan het huis van de kolonel en lijkt iets ouder, daar het dak boven de enige woonlaag gevat is tussen gezwenkte topgevels, zoals in het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw gebruikelijk was. De brede ingang met zijlichten en waaiervormig bovenlicht lijkt rond 1700 te zijn gemoderniseerd.

Het voormalig klooster klaarkamp

+ Iets minder dan twee kilometer noordwestelijk van het dorp Rinsumageest heeft sedert de 12e eeuw het Cistercienser klooster Klaarkamp gestaan op een in de Romeinse tijd bewoonde terp (afb. 163-164, 168-171). In 1939-1941 is op het resterende gedeelte daarvan oudheidkundig bodemonderzoek verricht, dat de fundering van de kerk en de kloostergebouwen grotendeels aan het licht gebracht heeft.

 

+ L. Janauschek, Originum Cisterciensium i, Wenen, 1877, 154; M. Schoengen, ‘De vestiging der Cistercienserorde in NoordNederland’, in: Historische Avonden ii, 1907, 449-470; Wumkes, ii, 288; 111e en 112e Verslag Fries Genootschap, 1940, 1941; Mon. Bat. iii, 96; P. Glazema, ‘Het onderzoek van middeleeuwse kerken met de spade’ in: Een kwart eeuw, 391-408; N. Ottema, ‘Friese kloosterterpen’ in: id. 454; Clarus Campus, Klaarkamp 1165-1965, door Trio, Dokkum 1969; S. Praamstra en J.W. Boersma, ‘Die archäologischen Untersuchungen der Zistercienser Abteien Clarus Campus (Klaarkamp) bei Rinsumageest und S. Bernardus in Aduard (Gr.)’ in: Palaeohistoria xix en xixbis, 1977, 173-259; J.W. Boersma, ‘De voormalige abdij Klaarkamp bij Rinsumageest archeologisch verkend’ in: Publikatieband a.f.t. 1978, 77-88; Mol, Grootgrondbezit, 91 e.v.

+ Gesta Abbatum Orti S. Marie, 29; Kroniek van de laatste abt van Bloemkamp, uitgegeven door M. Schoengen ‘Akten en bescheiden betreffende de Cistercienserabdij Bloemkamp of Oldeklooster bij Bolsward’ in a.a.u. xxix, 1903 en xxx, 1905.

+ Het als catalogus opgestelde werk ‘Nederlandsche kloosterzegels vóór 1600’ ('s-Gravenhage 1938-1948 ii, nrs. 285-298) geeft dertien bekend geworden zegels van de abdij en haar abten van 1337 tot het einde van de 16e eeuw. Het oudste abdijzegel, dat van 1337 tot 1418 bekend is, stelt de H. Maagd voor in vroeg 14e-eeuwse stijl, gezeten met het Kind en in de rechterhand een leliestaf (afb. 223). Het abtenzegel is hooggotisch

[p. 143]



illustratie

Afb. 168. Plattegrond van het opgravingsterrein van het klooster Klaarkamp. Naar tekening Biol. Archeol. Instituut Groningen.


[p. 144]



illustratie

Afb. 169. De situatie van de boerderij op het terrein van het klooster, aangegeven ten opzichte van de gevonden fundering van de kerk en het pandhof. Tekening 1983.


en stelt aanvankelijk de abt voor, geflankeerd door twee monniken op een spreekgestoelte (?) (afb. 230); in de tweede helft van de 15e eeuw zijn deze vervangen door vensters of nissen (afb. 231).

 

+ Janauschek stelt evenals de meeste andere auteurs, dat het klooster een ‘dochter’ van Clairvaux was en vóór 1163 gesticht is. Dit is ontleend aan een plaats in de Gesta Abbatum Orti S. Marie, waar in het leven van Frederik van Hallum verhaald wordt, dat Frederik in de jaren voordat hij Mariengaarde stichtte, reeds boetelingen naar de ‘novellam plantacionem in Frisia’ der grijze monniken verwees. De eerste kapel van Mariengaarde is in 1163 gebouwd. De mededeling van Thomas Groningensis, laatste abt van Bloemkamp, dat Klaarkamp in 1165 gesticht zou zijn en de filiatie die daar genoemd wordt moeten onjuist zijn (Schoengen, Hist. Avonden).

De abdij bezat in 1511 in Dantumadeel 424 pondemaat land en in Rinsumageest een derde van alle landerijen. Schoengen noemt zeven uithoven te weten te Betterwird, Jelsum (1402), Nes (w.d.), Sandhuizen (Weststellingwerf) (1422), Schiermonnikoog (vóór 1465) en Veenwouden (1439 verworven); Mol noemt bovendien nog Commeloo (1425), Holwerd, Janum, waar Klaarkamp de helft van de dorpsgronden in bezit had in 1511, het Bennerhuis in Lichtaard, Sybrandahuis, waar Klaarkamp in 1511 ongeveer een derde van de dorpsgronden bezat en Timmel in Oost-Friesland. Bovendien bezat de abdij nog ongeveer een derde van de landerijen van Raard, Aalzum en Stiens. In Raard (w.d.) was bovendien de kerk eigendom van het klooster.

De terp waarop het klooster gebouwd is moet volgens Halbertsma de terp Ringesheim zijn, die in de 8e-eeuwse goederenlijsten van het klooster Fulda voorkomt. Opgravingen hebben bewezen dat de terp reeds in de Romeinse tijd bewoond was. Ringesheim komt volgens Gijsseling overeen met Rinsumageest. Het kerkterrein van Rinsumageest ligt niet op de kleigrond, doch juist op de geest, zoals de naam aanduidt, en vormt daarom geen terp (zie voorts Inleiding Rinsumageest).

De kloostergebouwen zijn kort na 1580 afgebroken. De Staten bevolen dat alle ‘timmeragie der cloosters’ afgebroken moest worden uit vrees dat deze als schuilplaatsen door de

[p. 145]

vijand gebruikt konden worden. In tegenstelling tot andere kloosters, waarvan enkele gebouwen nog tot in de 18e of 19e eeuw overeind stonden, schijnt dit met Klaarkamp niet het geval geweest te zijn. Er is geen enkele afbeelding bekend. Wel stond op het terrein blijkens de kadasterminuut uit 1812 een gebouw, later een boerderij genoemd, die in 1911 afbrandde.

Glazema weet te melden dat ten noordwesten van het kloosterterrein een perceel de naam Poortefenne draagt en concludeert dat daar de toegang tot het kloosterterrein geweest zal zijn. De terp is in ieder geval sedert 1858 vergraven toen er terpaarde aangeboden werd van het ‘Claarkampster klooster’ (Wumkes). Tot in de jaren dertig van deze eeuw is er afgegraven, totdat het Fries Genootschap in 1939 bewerkstelligde, dat er een wetenschappelijk bodemonderzoek ingesteld werd op het nog resterende gedeelte van de terp, dat toen eigendom was geworden van de voormalige pachter J. Prins. Sindsdien kon ook dat gedeelte aan de terp afgegraven worden, wat geschiedde door ‘terpbaas’ Reitsma. Vondsten werden door notaris Ottema verzameld voor het Fries Museum. Het terrein bevat daardoor geen mogelijke resten meer.

In 1934 moeten de bakstenen nog voor het grijpen gelegen hebben, toen prof. Titus Brandsma zijn plan voor een processiepark te Dokkum gestalte gaf. De voetstukken van de gebeeldhouwde staties werden opgemetseld van stenen van de diverse voormalige kloosterterreinen. Volgens de brochure Clarus Campus zouden ook bakstenen uit het terrein van Klaarkamp gekocht zijn, toen de Vincentiusvereniging enige exemplaren wenste toe te passen in door haar nieuw te bouwen panden.

De resultaten van de opgravingen zijn eerst in 1977 gepubliceerd; voordien was er slechts een schets bekend, door Glazema in 1947 als illustratie bij zijn bijdrage gegeven en een tekening op schaal van de fundering van de kerk, door H. van der Wal. In het archief van de r.d.m.z. berusten voorts tekeningen van losse vondsten van baksteen, eveneens door H. van der Wal, die informatie geven over de details van de opbouw van de gebouwen. Vondstomstandigheden zijn echter nauwelijks bekend, waardoor er geen zekerheid te geven is over de plaats binnen de gebouwen van deze onderdelen. Het kunnen evengoed resten zijn van de overwelving van een refter, een kapittelzaal of van de kloostergang als resten van de kerk. Slechts de vorm geeft de onderzoeker aanknopingspunten tot datering.

+ Bij de aanvang van de opgraving in 1939 was het verhoogde gedeelte van het terrein, dat waarschijnlijk wegens te veel puin in de terpaarde niet aangegraven was, niettemin reeds zodanig van vorm, dat de plattegrond van de kloosterkerk slechts fragmentarisch aan het licht kwam; enerzijds voldoende om een indruk te krijgen van de vorm en afmeting, anderzijds te weinig, vooral aan de oostzijde, om tot een onomstreden plattegrondvorm te geraken. Zoveel is zeker, dat er een driebeukige kerk gestaan heeft met een eveneens driebeukig dwarspand en met een zeer ondiepe rechtgesloten altaarruimte. Van het opgaande muurwerk van de kerk is niets aangetroffen, van de aangrenzende bijgebouwen slechts een zeer klein gedeelte van de noordmuur van het voorraadgebouw en een fragment van de westelijke muur van het pandhof. De kerk met een lengte van ongeveer zestig meter was, vergeleken met de nabije kloosterkerken van Dokkum (33 m) en Leeuwarden (ca. 40 m tot het oostelijk einde van het koor) van ongekende afmeting voor de omgeving en stond op het hoogste punt van het terprestant, dat daar 4,25 m hoog was ten opzichte van het omringende terrein; ten opzichte van n.a.p. lag de top 3,10 m en de zool van de terp ca. 1,15 m boven peil. Door de commerciële afgraving was een taps toelopend gedeelte uit het terrein verwijderd, ter plaatse, zoals later zou blijken, van de viering en de noordelijke helft van de voormalige kerk. Op het resterende driehoekige gedeelte werden de funderingen van de zuidelijke helft van de kerk en van de aangrenzende kloostergebouwen gevonden. De insteek van de fundering van de muren van de kerk bestond met uitzondering van de hierna te noemen gedeelten uit afwisselende lagen klei en schelpen en was 2,20-2,60 m breed en stak tot 10 cm boven n.a.p. De pijlers, waarvan de grondverbetering op dezelfde wijze was samengesteld, staken ongeveer een meter dieper. De westelijke helft van de noordmuur, de aansluitende westelijke muur en de noordelijke muur van het noorder dwarspand waren gefundeerd op een grondverbetering bestaande uit baksteenpuin en klei dooreengemengd, die minder breed was (1,80-2,00 m) en tot 10 cm dieper, dus tot op n.a.p. stak. Ook de hierna te noemen kloostergebouwen waren op deze laatstgenoemde wijze gefundeerd. De noordmuur van het schip van de kerk was voorzien van drie lisenen, tegen de

[p. 146-147]



illustratie

Afb. 170. De aangevulde plattegrond van de kloosterkerk op gelijke schaal verkleind als de overige kerkplattegronden, waaruit de opvallende afmeting van de gebouwen van het klooster blijkt. Inzet: de gereconstrueerde plattegrond van de kerk en het pandhof met aangrenzende ruimten. Tekening Biol. Archeol. Instituut Groningen.


[p. 148]



illustratie

Afb. 171. Profielen en andere details van tijdens de opgraving gevonden merendeels bakstenen fragmenten van de kerk en kloostergebouwen. Tekening H. van der Wal 1942.


westgevel moeten steunberen gestaan hebben, evenals hoogstwaarschijnlijk tegen de oostmuur van het dwarspand en op de zuidelijke hoek van de altaarruimte. De noordwestelijke hoek van het dwarspand was uitwendig halfrond gefundeerd. Aan de zuidermuur van het schip waren geen voetingen voor lisenen, waaruit kan worden opgemaakt dat het pandhof van de aanvang af aan de zuidzijde gedacht was. De altaarruimte was zoals gebruikelijk in de vroege Cistercienser bouwkunst, zeer ondiep. Aan de binnenzijde waren evenals aan de noordmuur uitwendig, rechthoekige uitstulpingen te zien voor lisenen, behoudens aan de hoek van het dwarspand, aan de zuiderhoek van de altaarruimte en tegen de zuidelijke muur, tegenover de tweede kolom, waar halfronde funderingen werden waargenomen voor schalken. Aan de noordermuur was tegenover de ruimte tussen de tweede en derde kolom een onderbreking in de fundering; westelijk daarvan ving de grondverbetering met baksteen aan. Aan de oostzijde van het dwarspand zijn geen funderingen waargenomen voor kapellen, zoals gebruikelijk in Cistercienser abdijkerken. Men moet aannemen, dat de tussenmuren

[p. 149]

tussen de kapellen licht gefundeerd waren in de reeds afgegraven lagen. Men moet niet vergeten dat slechts de funderingen gevonden zijn en bovendien slechts de onderste lagen van de fundering.

+ Ten zuiden van het schip en even lang als de buitenmuur daarvan werd de aanleg van de kloosterhof gevonden. Tegen de zuidelijke galerij werd een achtzijdige fundering gevonden van een overbouwde waterput. Uit de breedte van de toegang daartoe werden de overige traveeën van de galerijen gereconstrueerd. In de as van het putgebouw kan men aannemen dat het refectorium gestaan heeft, hier dus tweebeukig en door drie kolommen geschraagd. Het had een lengte van 26 meter en was half zo breed. Aan de buitenhoeken moeten lisenen gelopen hebben, zoals aan de zuidoosthoek was waar te nemen. Oostelijk ervan moet een verwarmbaar vertrek gestaan hebben, het calefactorium. Slechts een zuilfundering werd nog gevonden en men reconstrueert een rechthoekige ruimte daaromheen. De keuken ten westen van het refectorium was vrij goed terug te vinden: in de hoek tegen de eetzaal zal het fornuis gestaan hebben in de halfrond volgemetselde hoek. Een kleine rechthoekige ruimte ten westen daarvan zal de spreekkamer van de keldermeester geweest zijn.

Aan de oostzijde van de kloostergang zijn geen funderingssporen van muren gevonden, slechts die van vier kolommen. Men denkt zich daar de kapittelzaal; mogelijk kon in het midden gestookt worden, zoals ook elders het geval is. Tussen de kapittelzaal en de zuidmuur van de kerk bevond zich waarschijnlijk nog de sacristie en zuidelijk van de kapittelzaal een auditorium, waarlangs een passage was naar de tuinen en eventuele overige gebouwen op het terrein zoals de ziekenzaal en het gastenverblijf. Aan de westzijde van de kloosterhof werden funderingen van twee langgerekte ruimten waargenomen. Boersma wijst erop, dat de westelijke ruimten voor de conversen bestemd plachten te zijn en een eetzaal, een voorraadruimte en erboven slaapgelegenheid plachten te bevatten. Ook hier kan dan een gang langs de westelijke arm van de kloostergang gelopen hebben, die direct verkeer met de kloosterlingen in de kloosterhof voorkwam. Het middengedeelte van de kloosterhof is niet nader onderzocht.

+ Buiten het terpgedeelte, dat de grondverbetering voor de fundamenten van de kerk en de aangrenzende abdijgebouwen bevatte, zijn sporen gevonden van diep ingegraven bakstenen fundamenten, die volgens Boersma mogelijk op palen ondersteund waren. Ze worden als volgt verklaard: ten zuiden van het dwarspad en ten oosten van het refectorium een rechthoekig fundament van een latrine, deels over een afwateringskanaal gebouwd. Oostelijk van het gereconstrueerde auditorium zijn fragmenten fundament gevonden van een langgerekt zaalgebouw met een versmalling aan de oostzijde, dat door Boersma als ziekenzaal geïdentificeerd wordt, mogelijk met een kapel aan de oostzijde. Blijkens een foto (in een album in de collectie Biol. Archeol. Instituut te Groningen) was het fundament samengesteld uit louter kopse stenen.

Ten slotte bevond zich ongeveer 50 m noordwaarts nog een fundament van een klein rechthoekig gebouw, dat zeer diep gefundeerd was en in een gracht gestaan had. De ruimte was gevuld met puin waaruit enige vondsten bewaard zijn. Destijds is het gebouw een toren genoemd; Boersma noemt het eerder een wasruimte. Blijkens een foto in het reeds genoemde album bestond dit muurwerk uit veel strekken. Van een gebouw dat ten noorden van de twee meest westelijke traveeën van de kerk gestaan heeft, is slechts de zuidoostelijke hoek gevonden.

Het Fries Museum bewaart voorts een tekening door architect G.J. Veenstra in 1910 gemaakt van een gevonden muurgedeelte (afb. 234). Het bijschrift luidt: ‘Fundering van een gedeelte van het voormalig klooster Klaarkamp’; het was gemetseld van oude geelbonte friezen in grove kalkmortel. Onder de funderingsrestanten was een omstreeks 15 cm dikke laag van kalkkiezel waarin tufsteenrestanten aanwezig. De fundering was reeds afgebroken tot omstreeks 30 cm onder het maaiveld en ze bleek nog 90 cm hoog te zijn. Het bevloerde gedeelte bestond uit twee laag steen, in kalkmortel gevloerd (misschien een gedeelte voor een stoep?). De afmeting van de baksteen bedroeg 10-12 × 16-18 × 34-37 cm, 10 laag mat 129 cm. Waar dit muurgedeelte gevonden is, is niet duidelijk. Opvallend is de aanwijzing dat hier in de fundering tufgruis gevonden zou zijn, wat overigens op het kloosterterrein nergens is aangetroffen.

+ Vondsten tijdens de opgraving zijn in het Fries Museum binnengebracht. Een aantal fragmenten, dat aanvankelijk in Groningen bewaard werd, is in 1975 aan het Fries Museum overgedragen. Volgens de inventaris van 1940 bedraagt het 67 stuks, te weten

[p. 150]

de inventarisnummers 1940:51-118. Een aantal stukken betreft gebruiksaardewerk. Behoudens de na te noemen bouwfragmenten zijn een boekklamp vermeld van verguld koper, gevonden in de zgn. torenput (Boersma: washuis) en een tinnen ampul met in de deksel gegraveerd het woord ‘vinum’ (Jaarverslag Fries Genootschap 1940, afb. 2). Voorts gebakken aarde met ingekraste ornamenten, waaronder een met de letters ‘...deillā’ en een fragment van een kloostermop met ‘nar’ en ‘dus’, kennelijk gedeelten van de naam Bernardus. Van de profielstenen is door H. van der Wal, destijds bouwkundige bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg een tekening gemaakt, waaruit de functie blijkt (afb. 171). Binnen de museumcollectie hebben ze niet de nodige aandacht gehad en zijn slechts ten dele terug te vinden, evenals de tegels. Ook deze werden door H. van der Wal getekend. Kenmerkend zijn de twee typen met lussenkruisen (afb. 226, 227) die ook in Duitsland in Cisterciensermilieu voorkomen en mogelijk gevolgd zijn naar de voorbeelden uit het ‘Reiner Musterbuch’ codex Vindobonensis 507, dat in 1979 in facsimile is uitgegeven te Graz door F. Unterkircher (vriend. mededeling dr. E. Landgraf, Duisburg). Daarnaast zijn hier ook tegels gevonden met ingedrukt ornament, dat met witte pijpaarde is gevuld vóór het glazuren en van deze de inmiddels bekend geworden tegels met breeklijnen of splijttegels, die 14e-eeuws gedateerd kunnen worden. Een rijker versierd exemplaar met een klimmende leeuw is van Engelse herkomst uit Essex (afb. 228) (E. Eames, Catalogue of medieval leadglazed earthenware tiles in the British Museum, London 1980, nr. 1548, motief 1725, afkomstig van Pleshey Castle, vgl. blz. 184, gedateerd 1260-80; ook: P. Drury, in: Excavations in Pleshey Castle, British Archeological Reports nr. 42, Oxford 1977, 92-124).

De inventaris van het Fries Museum noemt voorts twee stukjes tegelvloer bestaande uit geel-zwart-groen geglazuurde blokjes en een met een blokje met lelie (getekend door H. van der Wal, archief r.d.m.z.). Ook in de abdij Klaarkamp bestonden dus deze langzamerhand bekend geworden 14e-eeuwse tegelvloeren. Helaas worden nergens vondstomstandigheden vermeld.

Ten slotte zijn enige fragmenten van 16e-eeuwse beeldhouwwerken gevonden, waarbij een fronton met datum 1567 en twee kopjes, waarvan een een koning voorstelde en aan het andere nog sporen van kleur waren waar te nemen (afb. 224-225, 232) (Jaarv. Fries Genootschap 1940, afb. 1). Tot die periode moet ook een vierkant natuurstenen sluitstuk-fragment behoren met bladornament aan elke kant (afb. 222).

Het Museum Admiraliteitshuis te Dokkum bewaart een tegelfragment met leliemotief, een tegelfragment met een kop (afb. 229), een bakstenen stuk lijst met ingekrast rankenornament (6 × 10 × 5,5 cm, 12e-eeuw) (afb. 238). Voorts een tinnen kan en een stukje lei met ingekraste figuren van reizigers: een met een muziekinstrument en een met een staf, en wat fragmenten glas in lood.

+ In de 14e eeuw moet er naast bloei ook aanleiding geweest zijn tot het verbergen van een kist met munten, mogelijk wegens een pestepidemie.

De munten werden in 1932 gevonden (volgens de brochure Clarus Campus) onder op de kant staande stenen als vloer ter plaatse waar de laatste boerderij ‘'t Heech’ gestaan had. Een aantal zilveren exemplaren is in 1970 geschonken aan het Museum Admiraliteitshuis te Dokkum als gevolg van de nasporingen, door de auteurs van de brochure ondernomen. Een aantal gouden munten, dat in de oorlog 1940/1945 vermeld is, is spoorloos. Doordat exact dateerbare munten aanwezig zijn, is het mogelijk te concluderen, dat de schat tussen 1360 en 1365 begraven is (Van Gelder in Jrbk. Munt- en Penningkunde 56-57, 1969-70, 136-138). Daar er geen andere opstal op het terrein heeft gestaan moeten we aannemen, dat er van de boerderij een bouwval is blijven staan na de brand van 1911. Wanneer men de boerderij in het opgravingsterrein intekent (afb. 169) blijkt het dat de munten waarschijnlijk in de noordelijke vleugel van het pandhof begraven zijn geworden.

Poldermolen

+ Ten noorden van het dorp staat aan de Trekweg in het huidige natuurreservaat ‘Klaarkampstermeer’ een kleine achtkante molen, een zogenaamde boeremolen (afb. 233).

 

+ Molens van Friesland, 145; Fries molenboek, 140-141; G. Mast, De historie van de molen nabij het Klaarkampstermeer 1862-1976. Uitgave Staatsbosbeheer, Leeuwarden 1976.

[p. 151]

+ Blijkens een met potlood geschreven opschrift op een van de korbeels is de molen ‘Ontworpen door W.T. (of R.) Boomstra timmerman te Goenga en uitgevoerd door P.J. Sittenga te IJsbrechtum 1862’. Mogelijk is de molen eerst geplaatst aan de Juckemavaart, waar volgens de kaart van Eekhoff van 1847 een molen stond, die op de kadastrale kaart van 1894 verdwenen is. Op die kaart staat de molen aan het Klaarkampstermeer, dat in 1893 drooggemalen werd tot een polder van 210 pondemaat. De vijzelkom is in 1931 verdiept van beton waardoor er een langere vijzel moet zijn aangebracht. Nadat in 1943 een roede gebroken was werd een dieselmotor geplaatst, waarna de andere houten roede verkocht werd. In 1970 werd de vijzel verwijderd en door een elektrische klokpomp vervangen.

In het kader van de ruilverkaveling vond in 1975 een ingrijpende restauratie plaats van de molen, waarbij de roeden weer aangebracht werden. Ook werden toen vernieuwd: de gehele kap, de windpeluw, de steunder, de korte spruit, de vangbalk, de staart en met uitzondering van het bovenrondsel en de stalen hoepelvang het gehele gaande werk. De houten buitenroede werd in 1983 vervangen door een roede van plaatstaal.

+ Het te lood staande onderachtkant is gemetseld van kleine gele baksteen en gefundeerd op stiepen, die op de hoeken in het opgaande werk als pilasters doorlopen. In de voet staan tegenover elkaar twee naar binnen hellende toegangen en drie ronde lichtopeningen. Het met riet gedekte grenen achtkant is gebouwd volgens het algemene systeem met twee bintlagen. Een ondertafelment ontbreekt; in plaats hiervan staan de stijlen op peulhouten, die op de stiepen liggen. De basis van de eveneens met riet gedekte kap en de spantbenen zijn van eikehout, de haanhouten van grenen. De kap is kruibaar op slepers; de staart heeft een kruilier. De lange spruit is middelbalk en wordt tevens als ijzerbalk gebruikt.

+ Oudhollands wieksysteem met een houten en een stalen roede van een vlucht van 16, 29 meter. Houten bovenas, bovenwiel met stalen hoepelvang wat uitzonderlijk is. Voorts een normale overbrenging. Houten vijzel in een betonnen vijzelkom.

 

+ Dat Klaarkamp veel belang had langs de Ee en aan de overzijde daarvan blijkt niet alleen uit de naam van de brug maar tevens uit het feit dat Klaarkamp deze brug ook moest onderhouden volgens een stuk uit 1539 (Charterb. ii, 743). Later is de brug in onderhoud bij de provincie. Een tekening in het Fries Museum (afb. 265) geeft een ontwerp voor een nieuwe brug in 1853, een soortgelijk ontwerp als voor de nieuwe brug van Birdaard (Ferwerderadeel, afb. blz. 55).

[p. 152]



illustratie

Afb. 172. De kerk en toren van Rinsumageest van het noordoosten gezien. Opname 1974.


[p. 153]



illustratie

Afb. 173. Bij de restauratie geopende toegang in de noordgevel op de grens van schip en koortravee. Opname 1974.




illustratie

Afb. 174. De toegang tot de kerk met poortomlijsting afkomstig van Eijsinga-State. Opname 1974.




illustratie

Afb. 175. Kerk en toren van het zuidwesten gezien. Opname 1974.


[p. 154]



illustratie

Afb. 176. Houten raam in het vroegtijdig gedichte venster van de koortravee gevonden. Opname 1946.




illustratie

Afb. 177. De noordmuur van de koortravee na de restauratie van 1946. Opname 1982.




illustratie

Afb. 178. Tekening door Eyck van Zuylichem 1851 van de crypt.


[p. 155]



illustratie

Afb. 179. Bij de opgraving op het kerkhof aangetroffen 12e-eeuwse sarcofaagdeksel, thans in kerkmuseum te Janum. Opname 1983.




illustratie

Afb. 180. De absis van het romaanse schip en de rechte sluiting van de zuiderbeuk uit 1525. Opname 1974.




illustratie

Afb. 181. De zuidgevel van de kerk met de sporen van de verdwenen steunberen. Opname 1974.


[p. 156]



illustratie

Afb. 182. De in 1946 opengelegde keienfundering ten noorden van de noordmuur gezien naar het oosten. Opname 1946.




illustratie

Afb. 183. De scheiding in de fundering van de koortravee even ten westen van de aanzet van de absis. Opname 1946.




illustratie

Afb. 184a. In de vulling van de crypttrap gevonden basis en dobbelsteenkapiteel van savonnière-steen. Opname 1983.




illustratie

Afb. 184b. In de vulling van de crypttrap gevonden basis en dobbelsteenkapiteel van savonnière-steen. Opname 1983.




illustratie

Afb. 185. De keermuur van het hoogkoor van het westen gezien tijdens het onderzoek in 1946. Links is een aanvang gemaakt met het openen van de trap naar de crypt; rechts resten van een stenen trap naar het hoogkoor.


[p. 157]



illustratie

Afb. 186. De fundering van aangepunte keien ten noorden van de torenvoet. Opname 1946.




illustratie

Afb. 187. De basis van een kolom in de crypt. Opname 1981.




illustratie

Afb. 188. Overzicht van de crypt naar het noordoosten. Opname 1974.




illustratie

Afb. 189 a. Tekening uit 1946 door A. Baart sr. van een gedeelte middeleeuwse tegelvloer gevonden bij de toegang in het koor.




illustratie

Afb. 189 b. Tekening uit 1946 door A. Baart sr. van een gedeelte middeleeuwse tegelvloer gevonden bij de toegang in het koor.


[p. 158]



illustratie

Afb. 190. Het zuidelijke kapiteel in de crypt van het zuidoosten gezien.


[p. 159]



illustratie

Afb. 191. Het zuidelijke kapiteel in de crypt van het noordwesten gezien. Opname 1981.


[p. 160]



illustratie

Afb. 192. Het noordelijke kapiteel in de crypt van het zuidwesten gezien. Opname 1981. Zie pag. 160.


[p. 161]



illustratie

Afb. 193. Het noordelijke kapiteel in de crypt van het noordoosten gezien. Opname 1981. Zie pag. 161.


[p. 162]



illustratie

Afb. 194. De zerk voor de ‘beminlijke jongeling Eppo’ (gestorven 1341), thans in het Fries Museum.




illustratie

Afb. 195. Het inwendige van de kerk naar het westen gezien met de doorgang naar de toren. Opname 1974.




illustratie

Afb. 196. De 19e-eeuwse preekstoel met klankbord en opzetstuk uit 1768 met wapen Schwartzenberg-Van Gendt, toenmalige bewoners van Eijsinga State. Opname 1974.




illustratie

Afb. 197. Het bij de restauratie van 1946 geopende venster bij de trap naar de crypt en de aansluiting daarop van de keermuur van het hoogkoor. Opname 1946.


[p. 163]



illustratie

Afb. 198. De voormalige pastorie uit 1790 aan de Tjaardaweg 20, in 1918 van een nieuw dak en ingangspartij voorzien. Opname 1983.




illustratie

Afb. 199 a. De avondmaalsbeker van de Hervormde gemeente, volgens de merken in Bolsward gemaakt, waarschijnlijk in 1630. Opname 1984.




illustratie

Afb. 199 b. De avondmaalsbeker van de Hervormde gemeente, volgens de merken in Bolsward gemaakt, waarschijnlijk in 1630. Opname 1984.




illustratie

Afb. 200. De stichtingssteen uit 1610 door Maria van Tjaarda aan de kerktoren. Opname 1974.




illustratie

Afb. 201. Het epitaaf aan de oostzijde van de zuiderbeuk voor Syds Tjaarda en Moedt van Sythiema, gestorven resp. 1545 en 1557. Opname 1974.


[p. 164]



illustratie

Afb. 202. Het Slot Tjaarda getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 203. De situatie van de terreinen van Tjaarda State, kerk en dorp met de korenmolen volgens het kaartboek Juckema van 1629.




illustratie

Afb. 204. Het plan van de state met bijgebouwen naar het kaartboek Juckema uit 1629.


[p. 165]



illustratie

Afb. 205. Tjaarda State in de 19e eeuw, getekend door S. Bonga.




illustratie

Afb. 206. Tjaarda State getekend door J. Gardenier Visscher omstreeks 1780.




illustratie

Afb. 207. Een 17e-eeuws kistje met schrijfgerei, lakstempels en tandestoker, bij afbraak van Tjaarda State in een muur gevonden. Opname 1974.




illustratie

Afb. 208. Een Friese feestmaaltijd voorgesteld op een uit Tjaarda State afkomstig historiserend schilderij, waarschijnlijk 18e-eeuws.


[p. 166]



illustratie

Afb. 209. Melkema State getekend door J. Stellingwerf in 1723.




illustratie

Afb. 210. Eijsinga State getekend door J. Stellingwerf in 1723.


[p. 167]



illustratie

Afb. 211. Het huis van ‘Lt. Colonel’ Molenschot getekend door J. Stellingwerf.




illustratie

Afb. 212. Hetzelfde huis als afb. 211 zoals het er thans uitziet. Siniaweg 9. Opname 1983.




illustratie

Afb. 213. Een na 1965 afgebroken huis ten noorden tegenover het voormalig rechthuis. Opname 1965.




illustratie

Afb. 214. Het voormalig Rechthuis, later koffiehuis, naar prentbriefkaart in particulier bezit te Rinsumageest.


[p. 168]



illustratie

Afb. 215. Het huis van ‘Secretaris Fenema’, getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 216. De Kerkstraat naar het zuidwesten gezien. Opname 1982.




illustratie

Afb. 217. Het pand Tjaardaweg 34-36 met als Vlaamse gevel opgehaalde ingangspartij. Opname 1982.




illustratie

Afb. 218. De bebouwing van de Raadhuisstraat westwaarts gezien. Opname 1982.




illustratie

Afb. 219. De boerderij Juckemaweg 2 voordat het vooreind vervangen werd door een woongedeelte onder de grote kap. Opname 1965.


[p. 169]



illustratie

Afb. 220. De grote boerderij aan de zuidoostzijde van het dorp, Aylvaweg 32, omstreeks 1860 herbouwd met onderkelderd voorhuis met twee schoorstenen. Opname 1982.




illustratie

Afb. 221. De grote boerderij aan de zuidoostzijde van het dorp, Aylvaweg 32, omstreeks 1860 herbouwd met onderkelderd voorhuis met twee schoorstenen. Opname 1982.


[p. 170]



illustratie

Afb. 222. De vondsten uit de kloosterterp van Klaarkamp, zoals ze aanvankelijk opgesteld waren in het Fries Museum. Opname 1941.




illustratie

Afb. 223. Het oudst bekende zegel van de abdij Klaarkamp, 14e-eeuws. Ware grootte.




illustratie

Afb. 224. Twee gebeeldhouwde kopjes, 16e-eeuws, mogelijk van een voorstelling van de Aanbidding. Opname 1983.




illustratie

Afb. 225. Twee gebeeldhouwde kopjes, 16e-eeuws, mogelijk van een voorstelling van de Aanbidding. Opname 1983.


[p. 171]



illustratie

Afb. 226. Gevonden 12e-13e-eeuwse geglazuurde reliëftegels, groot 13 × 13 cm en dik 3,8 en 4,3 cm. Opname 1983.




illustratie

Afb. 227. Gevonden 12e-13e-eeuwse geglazuurde reliëftegels, groot 13 × 13 cm en dik 3,8 en 4,3 cm. Opname 1983.




illustratie

Afb. 228. Fragment van 13e-eeuwse geglazuurde tegel met ingestempelde Engelse wapenfiguur. Opname 1983.




illustratie

Afb. 229. Fragment van een geglazuurde tegel met gelaat. Opname 1983.




illustratie

Afb. 230. Abtenzegel 14e-15e-eeuws. Ware grootte.




illustratie

Afb. 231. Het abtenzegel uit de tweede helft van de 15e eeuw. Ware grootte.




illustratie

Afb. 232. Fragmenten van een 1567 gedateerd epitaaf (?)


[p. 172]



illustratie

Afb. 233. De Klaarkampster molen gebouwd in 1862. Opname 1982.




illustratie

Afb. 234. Schets van een in 1910 gevonden fundering op het terrein van Klaarkamp.




illustratie

Afb. 235. Gevonden profielsteen (verg. afb. 171, 8). Opname 1983.




illustratie

Afb. 236. Gevonden bakstenen basis met hoekbladen (verg. afb. 171, 11). Opname 1983.




illustratie

Afb. 237. Gevonden fragment van gebakken klei met geboetseerd ornament. Grootste afmeting 22 × 19 cm; dik 8,5 cm. Coll. Fries Museum. Opname 1983.




illustratie

Afb. 238. Gevonden bakstenen lijst met ingekrast rankenornament hoog 10 cm. Opname 1983.