Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 173]

Roodkerk

Het dorp ligt in het westelijk deel van de gemeente, tegen de gemeente Tietjerksteradeel aan en behoort landschappelijk gezien tot de Trynwâlden, de oude benaming voor het grondgebied van Giekerk, Oenkerk en Oudkerk. Dit gebied bestaat uit relatief hooggelegen gronden, door een laaggelegen gebied van de Dokkumer Wouden gescheiden.

De kerk van het dorp ligt op het eind van een oostelijke uitloper van deze hogere gronden. Deze hogere ligging ten opzichte van de omgeving is in de huidige landschappelijke situatie nog goed zichtbaar.

De ruimtelijke structuur van het dorp blijkt aan de hand van het kaartmateriaal sinds de 18e eeuw niet wezenlijk veranderd te zijn: rond de kerk bevinden zich enkele boerderijen, voor het overige is er sprake van een verspreide bewoning, die zich westelijk van de kerk op de hoger gelegen gronden bevindt. Er zijn enkele aanwijzingen die duiden op een oudere bewoning in het laaggelegen gebied ten noorden van de kerk. De kaarten van Schotanus en Eekhoff geven hier enkele niet meer bewoonde terpen en wieren aan. Voorts wijst een veldnaam op het bestaan van een oud kerkhof, op twee kilometer ten noorden van de huidige kerk gelegen. Dit hof lag aan een water dat bij Eekhoff onder de naam ‘Oude Gewei’ bekend stond, wat zoveel als ‘dorpsweg’ betekent (Spahr van der Hoek, Wâdzje, 29, 30). Vermoedelijk is onder invloed van toenemende wateroverlast, de bewoning hier opgegeven en in zuidelijke richting verplaatst. Opvallend is, dat de tegenwoordige plaats van de kerk, op de uiterste rand van de hogere gronden, in het zuidelijke verlengde ligt van de opstrekkende kavel waar het oud kerkhof was gelegen.

Gezien de ouderdom van de vroegste bouwfragmenten van de huidige kerk, moet de verplaatsing voor het begin van de 12e eeuw reeds hebben plaatsgevonden. Een dergelijke vorm van opschuiving van de bewoning uit laaggelegen veengebieden is een ontwikkeling die ook elders in Nederland bekend is (Edelman, 63). In de gemeente Dantumadeel wijst de aanwezigheid van een oud kerkhof, volgens Eekhoff, ten noorden van de huidige kerk te Akkerwoude op een soortgelijke ontwikkeling.

[p. 174]



illustratie

Afb. 239. Kopie van het kadastrale minuutplan, omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


[p. 175]



illustratie

Afb. 240. Luchtfoto schaal 1:6300. Opname 1977.


[p. 176]

Kerkgebouw

+ De Hervormde kerk ligt op een ruim kerkhof ten noorden van de weg, die aanvankelijk van Oudkerk zuidwestwaarts voerend bij Roodkerk te niet liep tegen een waterweg, die de verbinding vormde tussen twee poelen, het Aaltje Meer en het Zwarte Meer. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente (afb. 241-249).

 

+ r.v.a. 196; Benef. 202; r.v.g.o. 160; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 33.

+ Tekening door J. Stellingwerf; tekening door A. Martin, beide in coll. Fries Museum (afb. 242, 247).

+ Kerkvoogdijrekeningen 1716-1850 in Rijksarchief te Leeuwarden.

 

+ In 1543 wordt vermeld dat de prelaat van Dokkum de patroonslanden van Roodkerk te vergeven heeft. Het opschrift van de klok uit 1307 die in het torentje hangt zou dus betrekking hebben op een abt van de Dokkumer abdij. De kerkvoogdijrekeningen bevatten diverse grotere posten, in 1752 voor f 173,- hout en f 157,- aan de timmerman voor arbeidsloon en de haan op de kerk. De schilder verdient in dat jaar voor verven, vergulden en glasmaken 41 gulden. In 1767 wordt als inkomsten 8 gulden geboekt voor ‘gevonden cement in de kerk’. De toren wordt in 1772 met leien gedekt voor f 252, -.

‘Beide hanen’ worden dan geverfd. Posten van ruim f 100, - voor kalk en timmeren vindt men nog in 1818. In 1834 wordt aan T. Romein betaald voor geleverde houtwaren. Een post tenslotte van 450 gulden aan H.J. van der Meulen voor arbeidsloon en materialen in 1846.

+ De ruim 80 cm dikke noord- en zuidmuur van het schip zijn overblijfselen van een tufstenen kerk, die door middel van een nieuwe westmuur en oostelijke sluiting verkleind is tot de tegenwoordige afmeting. De zuidermuur is bovendien bekleed met hetzelfde materiaal als waaruit de oostelijke sluiting opgemetseld is: baksteen formaat 20 × 4, 5, 10 lagen 56 cm. De westmuur bestaat uit kleine steen van 18-19 × 4, 2, 10 lagen 51,5 cm. Boven de westgevel staat een met leien beklede dakruiter met een van vier- op achtkant overgaand spitsje.

De nog gave noordmuur bestaat uit regelmatig verwerkte tufsteenblokken van 30-39 × 8,5 cm, 10 lagen 101 cm. Er zijn geen spaarvelden te onderscheiden. Het enige gaaf bewaarde kleine romaanse venster staat direct onder de dakvoet ongeveer twee meter westelijk van de latere sluiting; de rollaagstenen nemen in lengte toe naar het midden van de boog (verg. Rinsumageest). In de kop van het grote, later ingehakte venster, ziet men een spoor van een tweede hooggeplaatst klein venster. Westelijk daarvan is beneden een rondbogig gedekte opening met baksteen dichtgezet; de vulling loopt tot beneden toe door. Daar deze moet zich bevindt tegenover de zuidelijke ingang, zoals die door Martin wordt afgebeeld, zal het de dichting van de noordelijke ingang betreffen. De koorsluiting en de zuidermuur zijn geleed door lisenen met natuurstenen lijstkapitelen. Aan de zuidzijde staan daarin drie rondboogvensters met in de bogen aanzet- en middenblokken van natuursteen; de houten roeden verdelen het venster in zes maal zes ruiten met waaiervorm in de kop.

+ De ruimte is overdekt door een bijna vlak houten plafond.

+ De sobere romaanse kerk, waarvan de sluiting verdwenen is, kan in het begin van de 12e eeuw gebouwd zijn. Stellingwerf geeft in 1722 nog een zadeldaktoren weer met klimmend boogfries langs de topgevels. Het koor wordt door hem ondiep getekend. De tegenwoordige oostelijke beëindiging is 19e-eeuws en van hetzelfde materiaal als de bemetseling van de zuidermuur. Deze is met gietijzeren kleine ankers aan de kern verbonden; in de luchtgaten staan gietijzeren roosters. Wegens het harde machinale baksteenmateriaal is deze verbouwing midden 19e eeuw te dateren; mogelijk hebben de betalingen in 1846 en volgende jaren aan H.J. van der Meulen betrekking op deze ingreep. De vierzijdige koorsluiting is ongebruikelijk in die tijd; waarschijnlijk heeft men van een middeleeuws vierzijdig koor (vergelijk Jouswier en Nes in Westdongeradeel) de grondslagen gebruikt.

De tekening van A. Martin geeft een toestand weer voor de bekleding van de zuidermuur; men ziet daarop wel reeds twee grote vensters ingehakt met dezelfde roedenverdeling als thans. Mogelijk zijn deze van Th. Romein, die in 1834 betaald werd voor houtwaren. De ingang tekent Martin oostelijker dan de tegenwoordige en ernaast geeft hij een rechtopgezette grafzerk weer.

[p. 177]



illustratie

Afb. 241. Hervormde kerk. Plattegrond en detail romaans venster hoog in de noordmuur.
Getekend 1983 naar opmeting 1943.


Indien we Stellingwerf mogen geloven zou de toren in 1722 nog bestaan hebben. In 1772 wordt het torentje met leien bekleed, mogelijk de laatste fase van de wijziging. In 1752 worden weliswaar grote uitgaven geboekt voor geleverd hout, pannen, ijzerwerk en de haan op de kerk zonder dat duidelijk wordt of men toen de toren afbrak. Er worden slechts 100 stenen en twee wagens kiezel verkocht.

+ De door Martin getekende rechtopstaande sarcofaagdeksel van gele zandsteen berust thans in het Fries Museum (Martin nr. 67). Er is een staande figuur op afgebeeld die de handen voor de borst houdt en in een voetlang gegord kleed is gehuld. De voeten rusten op een halfrond voetstuk, dat met een gespiegelde voluut is gevuld. Langs het hoofd is de rand van de deksel versierd met een gegolfde druivenrank, midden 12e eeuw (afb. 248; vgl. Kiesow, Ostfriesische Kunst 21-27 en C. Stracke, Ein frühromanischer Bildnisgrabstein in der Kirche zu Riepe, in: Jahrbuch der Gesellschaft für bildende Kunst und Vaterländische Altertümer zu Emden, 1969, 25).

+ In de kerk hangen twee ruitvormige rouwborden in wit gemarmerde lijsten. Opschrift onder het gekroonde en gehelmde wapen: ‘Jonkheer Feijo Haring Harinxma thoe Heeg, overleden op Camminga State tot Oudkerk Den 17 Feb. 1779 oud 81 jaaren en ruim 3 maanden’; en ‘Vrouw Tzietske van Heemstra Wed. Harinxma Overleden op Camminga State tot Oudkerk den 5 April 1778 Oud 82 Jaar en 4 maanden’ (afb. 245, 246).

+ In het gangpad ligt de zerk voor Feijo Harinxma met een verdiept veld waarin een mooi gebeeldhouwd wapen, waaruit de figuren zijn weggehakt. Wel aanwezig zijn nog de honden, die het wapenschild houden en uitkomend de jachthond met een wassenaar in de geheven poot. Een grafzerk voor Edo van Eijsinga is volgens de catalogus Fries Museum 1880-1881 naar Heemstra State overgebracht (p. 33).

+ De preekstoel is versierd met snijwerk op de panelen en is op het rechte stuk langs het bordes beschilderd met een tekst van Joh. 6:35-40. De kanselbijbel dateert van 1874. De preekstoel kan dateren uit de jaren zeventig van de 19e eeuw.

+ In de toren hangt een zeer oude klok, diam. 85 cm. Opschrift bovenrand: ‘Nicolaus me fecit temporibus Dni Menaldi abbatis/In honerē Dn̄lhū Xri Et beate Marie Virginis et beati Martini’. Onderaan: ‘nomine Pasifiqa anno dni m cocc vii’. Op de mantel vier figuren van wasdraad waarvan er een als Mariamonogram te verklaren valt. De lezing ‘Pasifiqa’ wordt gegeven in Gildeboek 1928, 103; het opschrift wordt niet vermeld in de klokkeregistratie van 1943. De Q in het woord pasifiqua is echter slechts een O, mogelijk een C.A.W. Wijbrands vermeldt in zijn boek over Wittewierum (Amsterdam 1883), dat de abt van Mariengaarde door de paus gemengd werd in de strijd der Menalda's rond Helium eind 13e eeuw. Mogelijk werd een der Menalda's na de pacificatie aldaar abt van de dochterabdij van Mariengaarde te Dokkum. Deze abt immers bezat de personaatsrechten van de kerk van Roodkerk.

Overige bebouwing

+ Binnen de dorpsgrens van Roodkerk ligt ten noorden van het centrum van Oudkerk een boerderij van het kop-hals-romptype. Het voorhuis heeft twee schoorstenen met borden; in de topgevel, waarlangs houten deklijsten lopen, staan twee kleine vensters; omgaande bakgoot. De melkkamer was in het voorste gedeelte van de stal (afb. 251). In de ‘binnenhoek’ van het complex is de vuurhut. De schuur is geheel met riet gedekt. Thans woonboerderij.

[p. 178]

+ De in 1892 in de polder Van der Veen, later Sijtsma-polder genaamd, gebouwde achtkante zogenaamde boeremolen, werd in 1962 afgebroken en in 1968 herbouwd bij het Gaastermeer, thans gemeente Dokkum (zie Molens van Friesland 139; Fries molenboek 133-134).

 

+ Ten noorden van Roodkerk staat bij Sickemaweg 2 een achtkante molen genaamd ‘de Hoop’. De molen is eigendom van de stichting ‘De Fryske Mole’ (afb. 250).

 

+ Molens van Friesland 159; Fries Molenboek 156-167; A. Sipman, Molenbouw, Zutphen 1975, 398, 425 en afb. 55:1, 141:2.

 

+ Volgens Molens in Friesland zou de molen in 1863 in Groningen gebouwd zijn en in 1911 naar Roodkerk zijn overgebracht. In 1963 werd een stalen vijzel met een stalen opleider en een dieselmotor aangebracht voor zogenaamde gecombineerde bemaling, dat wil zeggen windkracht en motorkracht. Tijdens de restauratie in 1970 in het kader van de ruilverkaveling werden onder meer nieuwe stalen roeden aangebracht en werd de zelfzwichting gewijzigd in het oudhollands systeem.

+ Het onderachtkant is met de molen gefundeerd op stiepen. De velden zijn er koud tegenaan gemetseld en rusten op spaarbogen, die thans boven het maaiveld uitsteken. In het opgaande werk lopen de stiepen door en ze zijn op de hoeken te zien als pilasters. Het onderachtkant is naar binnen hellend gemetseld van kleine gele baksteen in kruisverband. Op de binnenbeëindiging van de stiepen liggen de peulhouten waarop het ondertafelment rust. Het onderachtkant gaat er buiten langs. In de veldmuren ter weerszijden van de twee toegangen bevinden zich kleine rechthoekige venstertjes. Het grenen achtkant is gebouwd volgens het algemene systeem met drie bintlagen en met riet gedekt. De basis van de kap en het voorkeuvelens zijn van eiken, de spanten en het achterkeuvelens echter van grenen. De kap is kruibaar op slepers. De staart heeft een kruilier met een tussenas met twee kamwielen voor een nog kleinere overbrenging. Een dergelijke kruilier is uitzonderlijk in ons land. De lange spruit is middelbalk en tevens als ijzerbalk gebruikt. Op de baard staat geschilderd: ‘De Hoop 1863-1911’.

+ Oudhollands wieksysteem, stalen roeden, vlucht 20,50 m. Gietijzeren doorboorde bovenas met aan het peneind een verzwaard meegegoten gedeelte tegen het ‘opwippen’ van de as. Bovenwiel met dubbele grenen armen en een vlaamse vang. Stalen vijzel in een stalen vijzelkom.

[p. 179]



illustratie

De toegang tot het kerkhof van Roodkerk met midden 19e-eeuws hek en treurbomen. Opname 1984.


[p. 180]



illustratie

Afb. 242. De kerk getekend door J. Stellingwerf in 1722.




illustratie

Afb. 243. De tufstenen noordgevel met zeer klein venster bovenaan en gedichte rondboog boven de ingang. Opname 1939.




illustratie

Afb. 244. De klok uit 1307 gemerkt ‘Nicolaus me fecit’. Opname 1942.




illustratie

Afb. 245. Rouwbord voor Feijo van Harinxma, overleden 1779. Opname 1983.




illustratie

Afb. 246. Rouwbord voor Vrouwe Tzietske van Heemstra, overleden 1778. Opname 1983.


[p. 181]



illustratie

Afb. 247. Tekening door A. Martin van de toen nog tufstenen zuidgevel van de kerk met ingemetselde 12e-eeuwse sarcofaagdeksel.




illustratie

Afb. 248. De sarcofaagdeksel, thans in het Fries Museum.




illustratie

Afb. 249. Door Martin getekende zerken van Roodkerk. De rechts afgebeelde lag volgens Martin in het voorportaal; thans waarschijnlijk onder de meest oostelijke bank tegen de noordwand.


[p. 182]



illustratie

Afb. 250. Poldermolen ‘de Hoop’ bij Roodkerk. Opname 1982.




illustratie

Afb. 251. De boerderij Helbird 7 ten noorden van het landgoed de Klinze onder Oudkerk. Opname 1965.