Kerkgebouw
+ De Hervormde kerk ligt op een ruim kerkhof ten noorden van de weg, die aanvankelijk van Oudkerk zuidwestwaarts voerend bij Roodkerk te niet liep tegen een waterweg, die de verbinding vormde tussen twee poelen, het Aaltje Meer en het Zwarte Meer. De kerk is eigendom van de Hervormde gemeente (afb. 241-249).
+ r.v.a. 196; Benef. 202; r.v.g.o. 160; Van Buijtenen, Achtkarspelen, 33.
+ Tekening door J. Stellingwerf; tekening door A. Martin, beide in coll. Fries Museum (afb. 242, 247).
+ Kerkvoogdijrekeningen 1716-1850 in Rijksarchief te Leeuwarden.
+ In 1543 wordt vermeld dat de prelaat van Dokkum de patroonslanden van Roodkerk te vergeven heeft. Het opschrift van de klok uit 1307 die in het torentje hangt zou dus betrekking hebben op een abt van de Dokkumer abdij. De kerkvoogdijrekeningen bevatten diverse grotere posten, in 1752 voor f 173,- hout en f 157,- aan de timmerman voor arbeidsloon en de haan op de kerk. De schilder verdient in dat jaar voor verven, vergulden en glasmaken 41 gulden. In 1767 wordt als inkomsten 8 gulden geboekt voor ‘gevonden cement in de kerk’. De toren wordt in 1772 met leien gedekt voor f 252, -.
‘Beide hanen’ worden dan geverfd. Posten van ruim f 100, - voor kalk en timmeren vindt men nog in 1818. In 1834 wordt aan T. Romein betaald voor geleverde houtwaren. Een post tenslotte van 450 gulden aan H.J. van der Meulen voor arbeidsloon en materialen in 1846.
+ De ruim 80 cm dikke noord- en zuidmuur van het schip zijn overblijfselen van een tufstenen kerk, die door middel van een nieuwe westmuur en oostelijke sluiting verkleind is tot de tegenwoordige afmeting. De zuidermuur is bovendien bekleed met hetzelfde materiaal als waaruit de oostelijke sluiting opgemetseld is: baksteen formaat 20 × 4, 5, 10 lagen 56 cm. De westmuur bestaat uit kleine steen van 18-19 × 4, 2, 10 lagen 51,5 cm. Boven de westgevel staat een met leien beklede dakruiter met een van vier- op achtkant overgaand spitsje.
De nog gave noordmuur bestaat uit regelmatig verwerkte tufsteenblokken van 30-39 × 8,5 cm, 10 lagen 101 cm. Er zijn geen spaarvelden te onderscheiden. Het enige gaaf bewaarde kleine romaanse venster staat direct onder de dakvoet ongeveer twee meter westelijk van de latere sluiting; de rollaagstenen nemen in lengte toe naar het midden van de boog (verg. Rinsumageest). In de kop van het grote, later ingehakte venster, ziet men een spoor van een tweede hooggeplaatst klein venster. Westelijk daarvan is beneden een rondbogig gedekte opening met baksteen dichtgezet; de vulling loopt tot beneden toe door. Daar deze moet zich bevindt tegenover de zuidelijke ingang, zoals die door Martin wordt afgebeeld, zal het de dichting van de noordelijke ingang betreffen. De koorsluiting en de zuidermuur zijn geleed door lisenen met natuurstenen lijstkapitelen. Aan de zuidzijde staan daarin drie rondboogvensters met in de bogen aanzet- en middenblokken van natuursteen; de houten roeden verdelen het venster in zes maal zes ruiten met waaiervorm in de kop.
+ De ruimte is overdekt door een bijna vlak houten plafond.
+ De sobere romaanse kerk, waarvan de sluiting verdwenen is, kan in het begin van de 12e eeuw gebouwd zijn. Stellingwerf geeft in 1722 nog een zadeldaktoren weer met klimmend boogfries langs de topgevels. Het koor wordt door hem ondiep getekend. De tegenwoordige oostelijke beëindiging is 19e-eeuws en van hetzelfde materiaal als de bemetseling van de zuidermuur. Deze is met gietijzeren kleine ankers aan de kern verbonden; in de luchtgaten staan gietijzeren roosters. Wegens het harde machinale baksteenmateriaal is deze verbouwing midden 19e eeuw te dateren; mogelijk hebben de betalingen in 1846 en volgende jaren aan H.J. van der Meulen betrekking op deze ingreep. De vierzijdige koorsluiting is ongebruikelijk in die tijd; waarschijnlijk heeft men van een middeleeuws vierzijdig koor (vergelijk Jouswier en Nes in Westdongeradeel) de grondslagen gebruikt.
De tekening van A. Martin geeft een toestand weer voor de bekleding van de zuidermuur; men ziet daarop wel reeds twee grote vensters ingehakt met dezelfde roedenverdeling als thans. Mogelijk zijn deze van Th. Romein, die in 1834 betaald werd voor houtwaren. De ingang tekent Martin oostelijker dan de tegenwoordige en ernaast geeft hij een rechtopgezette grafzerk weer.