Noordelijk Oostergo. Dantumadeel


auteur: Herma M. van den Berg


bron: Herma M. van den Berg, Noordelijk Oostergo. Dantumadeel. Staatsuitgeverij, Den Haag / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist 1984


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 183]

Sybrandahuis

Sybrandahuis ligt ten noorden van de Dokkumer Wouden in het kleilandschap dat zich verder in noordelijke richting over Ferwerderadeel uitstrekt.

De naam van de nederzetting, eindigend op -huis en het ontbreken van een terp ter plaatse van de kerk wijzen op een relatief jonge bewoning. Ook de ligging van het dorpsgebied ten opzichte van de aangrenzende dorpsgebieden wijst hierop. Het gebied strekt zich in oost-westelijke richting langs de Ee uit, waarbij gedeelten van de zich in noord-zuid-richting uitstrekkende en oorspronkelijk door de Ee begrensde dorpsgebieden van Akkerwoude en Murmerwoude in bezit lijken te zijn genomen. De grens tussen Dantumadeel en Ferwerderadeel wijkt plaatselijk af van de Ee en heeft een grillig beloop noordelijk daarvan. De landerijen die ten noorden van de Ee tot Dantumadeel behoren staan bekend onder de naam ‘Keegen’, een benaming voor buitendijks gelegen grondgebied. De dijken langs de Ee lopen hier op vrij grote afstand van elkaar en fungeerden tot 1583 als zeedijken; in dat jaar werd door het oostwaarts verleggen van de zijl het brakke zeewater tot de stad Dokkum teruggedrongen. Vermoedelijk is bij deze ingreep het huidige, zuidelijker gelegen beloop gegraven en het oude beloop dichtgeslibd. Daarbij is het bochtige tracé als grens tussen Ferwerderadeel en Dantumadeel aangehouden. Blijkens het 18e- en 19e-eeuwse kaartmateriaal heeft het dorp uit nooit meer dan een aantal verspreid gelegen boerderijen en enkele gebouwen in de directe omgeving van de kerk bestaan. Direct ten oosten van de kerk heeft het huis Sterkenburg gestaan, dat reeds vroeg is verdwenen. De eerste editie van de Schotanuskaart (1664) geeft het huis nog aan, de tweede editie van deze kaart (1718) geeft alleen een wier en bij Eekhoff (1847) is ook het laatstgenoemde element verdwenen. Alleen het rechthoekig stateterrein wordt nog weergegeven. De oorsprong voor het dorp zou hebben gelegen in de functie als uithof voor het klooster Klaarkamp onder Rinsumageest (Glazema, Gewijde plaatsen, 202). Voor dit gegeven worden echter geen bronnen vermeld. Voorts lijkt de aanwezigheid van een uithof op slechts 1100 meter afstand van het klooster niet erg waarschijnlijk.

De vorming van een nederzetting, althans de stichting van een kerk doet gezien de nabije ligging van Sterkenburg vermoeden dat het hier een kerkstichting van de bewoners van dit huis betrof. Dergelijke situaties zijn ook voor een aantal andere dorpen in Noordoost-Friesland aan te wijzen (Hallum, Westernijkerk, Metslawier, Rinsumageest, Engwierum).

Tot 1915 was de kerk via een bochtig pad van de trekweg naar Rinsumageest af bereikbaar. Met de aanleg van de Birdaarderstraatweg tussen Dokkum en Birdaard in dat jaar, gedeeltelijk over het voormalige stateterrein, kwam dit pad te vervallen.

[p. 184]



illustratie

Afb. 252. Kopie van het kadastrale minuutplan omstreeks 1820. Schaal 1:7500.


[p. 185]



illustratie

Afb. 253. Luchtfoto schaal 1:6250. Opname 1977.


[p. 186]

Kerkgebouw

+ De Hervormde kerk staat op een omgracht kerkhof en is eigendom van de Hervormde gemeente (afb. 254-257, 259-264, 266).

 

+ r.v.a. i, 191; Benef. 205; r.v.g.o. 164; P. Glazema, Gewijde plaatsen 202; W. Duinkerken, Onder de klokslag van Rinsumageest, z. pl. 1978; Mol, Grootgrondbezit.

+ Tekening door J. Stellingwerf; id. door J. Gardenier Visscher, beide in coll. Fries Museum Leeuwarden (afb. 260, 266).

 

+ Volgens Glazema en Mol zou Sybrandahuis een uithof van Klaarkamp geweest zijn. Het klooster had er in de 16e eeuw ongeveer de helft van de dorpsgronden in bezit, evenals trouwens Heer Bartel van Sterkenborg, wiens huis in de onmiddellijke nabijheid van de kerk stond. In een scheiding van goederen van 1527 worden de kerklasten genoemd als behorend tot Sterkenburg (zie aldaar). De nabijheid van kerk en stins suggereert onzes inziens een nauwe band tussen de kerk en de stins. Het grondbezit van Sybrandahuis behoort in 1511 met dat van Rinsumageest en Driesum tot het hoogst aangeslagene in de grietenij. De kerk is in 1977 gerestaureerd onder leiding van architect R. Kijlstra te Beetsterzwaag.

+ Het slechts ruim twee traveeën diepe kerkje is aan de oostzijde vijfzijdig gesloten en aan de westzijde ingekort. Boven de westgevel staat een eenvoudige dakruiter, ter vervanging van een afdak boven de klok zoals Stellingwerf en Gardenier Visscher tekenden.

+ Het kerkje is opgebouwd uit baksteen van 30-31 × 9-9,5 cm, 10 lagen 103 cm, in verband van twee strekken en een kop. Aan de zuidoostelijke hoek is een gedeelte herbouwd in afbraakmateriaal en bovenaan van kleine steen, waarmede ook de oostelijke sluitingszijde is bemetseld.

+ Aan vertandingen in het muurwerk is af te lezen, dat het gebouw aanvankelijk door steunberen geschoord was. Direct onder het maaiveld hadden deze een voorsprong en breedte van 62 cm. Daartussen staan in elke travee van beneden af opgaande nissen, waarin de vensters of ingangen gevat zijn geweest. De nissen zijn geprofileerd met een kraalprofiel en alleen in de koppen met een hollijst aan de buitenzijde.

De eerste travee is alleen aan de noordzijde nog vrij gaaf en bevat een spitsboognis met een profiel van een hol en een kraallijst, die slechts aan de oostelijke helft van het maaiveld af opgaat. De westelijke helft is bij het inkorten van het gebouw verstoord. De tweede travee bevat een hoge rondboognis; in de benedenste helft van het veld staat een gedichte smalle doorgang (afb. 263). In de bovenste helft bewaart de nis een dubbel kraalprofiel, waarin veel verglaasde stenen zijn toegepast. Het binnenste kraalprofiel is cirkelvormig omgevoerd. Het bovengedeelte van de nis maakt de indruk niet gelijktijdig met het omringende muurwerk te zijn ontstaan, daar in het te lood staande gedeelte van het buitenste profiel de stenen niet vertand zijn. De nis zal aanvankelijk spitsbogig gelopen hebben als in de aangrenzende traveeën en aan dezelfde travee zuidzijde. De nis in de derde travee is voor de bovenste helft dichtgezet; de dichting draagt op een segmentboog, waaronder men de oorspronkelijke dorpel van het venster kan waarnemen. Aan de binnenzijde waren aanzetten te zien voor het harnas van het venster.

Aan de zuidzijde is de eerste travee tegelijk met de vernieuwing van de westgevel bemetseld. In de tweede travee is de nis geprofileerd met een hollijst en een kraal; in het bovenste gedeelte is een later venster geplaatst. De benedenste helft, waarvan te zien is dat er aanvankelijk een ingang was, is daarbij dichtgezet. De nis in de derde travee zuidzijde is nog slechts gedeeltelijk als moet te zien, oversneden door een hoger geplaatst en later gedeeltelijk weer gedicht spitsboogvenster.

+ Tegen de noordoostelijke koorhoek staat een taps toelopende steunbeer koud tegen het muurwerk. Op de overige hoeken staan lisenen die deel uitmaken van nieuwer muurwerk, waaruit de zuidmuur van de koortravee bestaat en waarmede de sluitingstravee is bemetseld. De koortravee noordzijde heeft binnen een grote spitsboognis, die geprofileerd is door een sprong en een kraal, en waarin veel verglaasde stenen zijn toegepast, een driedelig vensterharnas, geheel samengesteld uit stenen met kraalprofiel (afb. 264). In het benedenste veld, waar de montants zonder afzaat op staan, is een thans gedicht klein venster geweest, waarvan de top beschadigd is bij het aanbrengen van die montants. Wij menen daaruit de gevolgtrekking te kunnen maken dat het vensterharnas

[p. 187]



illustratie

Afb. 254. Hervormde kerk. Plattegrond en doorsneden. Getekend 1982 naar opmetingen uit 1944 en 1977.




illustratie
Afb. 255. Details van de vensterdagkanten. Getekend 1982 naar opmetingen 1977.


[p. 188]



illustratie

Afb. 256. Details van gewelfribben, vensters en kroonlijst. Links boven gevonden profielsteen uit gewelfrib en middenstijlen van vensters. Rechts boven: reconstructie van oorspronkelijke vensters naar gevonden onderdelen in het middelste venster noordzijde. Beneden: reconstructie van de oorspronkelijke bekroning van de muren naar op het terrein gevonden fragmenten. Getekend 1982 naar gegevens uit 1977.


[p. 189]



illustratie

Afb. 257. De noordgevel getekend met alle sporen die in het muurwerk te lezen zijn. Getekend 1978.


niet bij de bouw aangebracht is. De dagsteen gaat bij de kop van het venster bovendien over van rechthoekig op afgeschuind en langs de benedenhelft van het harnas loopt een staande voeg in de dagkant. Het noordoostelijk koorvenster is met een 18e-eeuws venster beglaasd, dat in een rechte dagkant staat.

+ Tegen de muren tekenen zich sporen af van gewelven. Later is de ruimte overdekt geweest door een houten gewelf op drie paar muurstijlen en een strijkbalk tegen de westgevel. De inkassingen van de stijlen zijn aan het licht geweest. Bij de aanvang van de restauratie was de ruimte overdekt door een laag houten gewelf met dunne trekbalken, waarop nu een houten plafond is gelegd.

In de vloer is aan de noordzijde de fundering van een zijaltaar aangetroffen. In elke travee bleken bovendien op handhoogte kepervormig gedekte lichtnissen geweest te zijn, waarvan er twee als hagioscopen geopend waren, te weten die onder het rijk gedetailleerde venster aan de noordzijde en die in de koortravee zuidzijde.

+ Onregelmatigheden in de vullingen van de vensters en nissen doen vermoeden, dat de vullingen merendeels jonger zijn dan het muurwerk van de nissen. De kerk is aangelegd op overwelving met uitwendig lisenen of steunberen en inwendig rechthoekige traveeën, waartussen scheibogen op muurdammen gestaan zullen hebben. Er zullen aanvankelijk vensters geweest zijn met een tweedeling en cirkel in de kop (zie reconstructie). De kraalprofielen en overwelving benevens details van het rondboogfries onder de gootlijst, die in de grond gevonden zijn (afb. 256), maken een datering rond 1300 mogelijk. Het dagsteenprofiel komt in Groningen voor aan enkele tot uit het midden van de 14e eeuw daterende kerken als Noordbroek en Holwierde en kan hier een 50 jaar na het ontstaan van de kerk zijn toegevoegd. Volgens de indeling van de muren is de kerk langer geweest. Zwerfstenen ten westen van een gereconstrueerde westgevel kunnen wijzen op een klokstoel of een kleine halfingebouwde toren. Op het laatste wijst de plaats van de vensternis in de meest westelijke travee, die namelijk niet in het hart van de travee staat. De tegenwoordige westgevel zal met de houten overwelving op muurstijlen in de 16e eeuw te dateren zijn. De dakruiter is een vrij recente toevoeging, xxa.

[p. 190]

+ In het middenpad ligt een aantal eenvoudige 17e-eeuwse zerken; opschriften bij Duinkerken.

+ In het torentje hangt een klokje, diam. 71 cm, met opschrift: ‘Soli Deo Gloria Steen en Borchhardt fūdunt Enchusae 1756’.

States en stinsen

+ Ten noorden van de Woudvaart en ten westen van de plaats, waar de tegenwoordige grens tussen Rinsumageest en Akkerwoude het gebied van Sybrandahuis bereikt, ligt een terprestant. Uit 16e- en 17e-eeuwse gegevens onder de plaatsnaam Akkerwoude valt te reconstrueren, dat het om de stins op deze terp moet gaan, wanneer Liebbe Lyeuwesz in 1597 ‘een sate, state en lande leggende in Ackerwolde naest het stins’ koopt van Lieuwe Tiallesz (Berns 64, k 1, 34). Later blijkt dit goed eigendom te zijn van Wilco van Holdinga op Eysinga State te Rinsumageest. Blijkens het stemkohier van 1640 bezat Wilco een boerderij in Akkerwoude met stem nr. 14, in 1708 bewoond door Jacob Lieuwes. Hiermede correspondeert in het floreenkohier nr. 51, waarbij aangetekend staat dat het merendeel van Jacob Lieuwes' land onder Sybrandahuis is gelegen. Als naastliggers worden daar genoemd ‘de meer ten oosten en de vaart ten zuiden’. Dit komt overeen met de ligging van bovengenoemde terp. De boerderij van Wilco van Holdinga wordt voorts genoemd in 1658 in een koopcontract; niet in de koop begrepen waren ‘het stins, dat d'Ed. Heere Wilco van Holdinga vrijheer tzu Swartzenberg als eigen toebehoort’. De boerderij was bovendien belast met ‘s jaers twe dagen Hoffdienst met man, peerden en wagen tot des landheeren vermaning’. In de nalatenschap van Wilco van Holdinga (archief Schwartzenberg, portef. xviii rood) worden de sate lands en de stins eveneens vermeld. Tenslotte blijkt de grootte van de floreenlast terug te vinden in de Aanbreng van 1511 (i, 189), op te brengen door Doythia Wyninghe ‘selff lantheer’ van ‘30 koegras, 11 pondematen saatland en 16½ pondematen mieden’.

 

+ Ten noordoosten van de kerk geeft de Schotanuskaart een wier en de naam Sterkenborg.

+ Het Spionnagerapport van omstreeks 1468 noemt naast Rinsumageest een dorp en twee sloten: ‘Item op Reynsmageest daeran een dorp met twee sloten ende worden van een geheeten Hans Harinsma ende dander geheeten Bartele beheert’. Bartold Starkenborg komt in 1479 voor als gedeputeerde ‘Wt Aesterland’ (Sipma ii, 89) en daarna herhaaldelijk, zoals in 1487 wanneer de stad Leeuwarden een vaste vrede belooft met Bartold Starkenborg (Ib. ii, 146). In datzelfde jaar ondertekent Bartold mede een verbond met de stad Dokkum en omliggende delen (Ib. ii, 155); in 1488 zegelt hij voor de hofmeester van Klaarkamp (Ib. i, 359). Ook was hij gedwongen met de stad Groningen vrede te sluiten in 1492 (Pax Groningana 76). Bartold was een zoon van Syds Tjaarda en een broer van Worp. Beiden komen in de oorkonden het eerst voor in 1453 (Sipma ii, 34) en Bartold heet daar nog Tjaarda. Hij kreeg volgens de Tegenwoordige Staat Sterkenborg toebedeeld bij testament van zijn vader (in 1452?). De sterkte was dus oud Tjaardabezit. Als stamvader van het latere geslacht Tjarda van Starkenborch wordt een Worp, dan wel een Tjeerd genoemd (W.K. van der Veen in: Nederlandse Leeuw 1951, 130). Bartolds zoon heette Botto volgens Winsemius en Schotanus en getuigt in 1504 (Sipma iv, 142). Hij huwde Ava Clant uit Groningerland en de familie vestigde zich voortaan daar. Bartold Bottez verhuurt dan ook in 1511 land aan Peter to Starckenborg (r.v.a. i, 192). In 1527 wordt een scheiding gemaakt tussen hem en zijn broedersdochter Siouck; Bartold krijgt toebedeeld ‘Sterckenborch stins ende state mey alsulcke landen dier tho byherende ende mit dae thyaerck hlesten oppe Ghaest ende Sybrandahuys’ (Sipma ii, 334). In 1640 was eigenaar Bartold van Douma, die de state geërfd zal hebben wegens zijn naam; zijn overgrootmoeder was Tiethcke Bartolds Tiaerda en huwde Epo van Douma te Hallum. De kaart van Schotanus van 1664 geeft nog een edele state weer, die van 1718 slechts de wier. De Tegenwoordige Staat vermeldt dan ook: ‘van 't oude huis is thans alleen de wier overig’ (ii, 247).

 

+ Te Sybrandahuis lag ook ‘Tjebbema guedt, Bartold Starckenborgh toecomende’ (Benef.) waaruit de patroon in 1543 een rente krijgt. Het wordt in de akte van scheiding van 1527 genoemd als ‘Tzebbema gued dier Albert op wennet’ (Sipma ii, 334).

+ Thans staat er een boerderij, blijkens de stichtingssteen in 1868 gebouwd (afb. 267).

+ De kadastrale minuut geeft een boerderij van het kop-romptype met de schuurgevel aan

[p. 191]



illustratie

Afb. 258. De boerderij Birdaarderstraatweg 9 in 1930 naar K. Uilkema.


de weg, waarlangs thans nog de kerk bereikbaar is. De boerderij is kennelijk herbouwd na de aanleg van de Birdaarderstraatweg. Het voorhuis van de nieuwe boerderij is onderkelderd en heeft boven de woonlaag een zolder met lage vensters. Boven de ingang, die in het midden staat en langs een gemetselde trap bereikbaar is, staat de gevelsteen met het opschrift: ‘Starkenborgh 11 6 1868 is door M.P.D. van Sytzama oud 6 jaar aan dit gebouw de eerste steen gelegd’. Het voorhuis staat aan drie zijden vrij, terwijl de kap overgaat in die van de schuur, en wordt bekroond door een forse schoorsteen met bord waarin alle rookkanalen samenkomen. De gootlijst langs de aankapping van de schuur is met snijwerk versierd.

In de tuin ligt een aantal kleine zwerfstenen, die kennelijk uit het terrein afkomstig zijn.

+ Blijkens een tekening door K. Uilkema in 1930 (afb. 258) had deze boerderij een lang voorhuis. Hierin waren twee kamers waarvan de voorste slechts via de achterste bereikbaar was en die gescheiden waren door een huishoudkelder waarboven bedsteden. De toegang bevond zich in de voorgevel van de schuur via de woonkeuken. Daarnaast was een verdiepte melkkelder. Voor de woonkeuken stond de vuurhut.

[p. 192]



illustratie

Afb. 259. De noordgevel van de kerk in 1950 met afgebroken steunberen en van de grond af opgaande spaarvelden, waarin de vensters en ingangen staan.




illustratie

Afb. 260. Volgens de tekening van J. Stellingwerf had de kerk omstreeks 1722 nog steunberen en een klok tegen de westgevel.




illustratie

Afb. 261. De kerk van het zuidoosten gezien na de restauratie. Opname 1980.


[p. 193]



illustratie

Afb. 262. De binnenzijde van de noordmuur met de gewelfopleggingen. Opname 1980.




illustratie

Afb. 263. De oorspronkelijke ingang en het tot cirkelvorm gewijzigde venster erboven. Opname 1974.




illustratie

Afb. 264. Het koorvenster noordzijde met het later toegevoegde vensterharnas. Opname 1980.


[p. 194]



illustratie

Afb. 265. Ontwerptekening voor de Klaarkampsterbrug over de Ee ten westen van Sybrandahuis uit 1853.




illustratie

Afb. 266. De kerk en omgeving omstreeks 1780, getekend door J. Gardenier Visscher.




illustratie

Afb. 267. De boerderij Starkenborgh bij de kerk, herbouwd in 1868 in stelpvorm met vooruitgebouwd onderkelderd woongedeelte. Opname 1983.