begin  verderprepost
[p. 7]

Voorwoord

Wetenschap en zeker natuurwetenschap is een internationale aangelegenheid, wetenschappelijke ideeën storen zich niet aan nationale grenzen en politieke scheidslijnen. Een bepaalde theorie mag hier eens eerder zijn aangenomen dan daar, maar nergens in de geschiedenis van de natuurwetenschap vindt men voorbeelden van op zichzelf correcte denkbeelden die blijvend binnen zekere geografische grenzen zijn gebleven. Natuurwetten zijn overal hetzelfde.

Wat kan dan de reden zijn van het schrijven van de geschiedenis van de natuurwetenschap in Nederland? Als bovenstaande overwegingen juist zijn, bestaat er immers geen eigen Nederlandse natuurwetenschap. Nu laten historici - en dat is een begin van antwoord - zich in het algemeen niet afschrikken door dergelijke zuiver theoretische bezwaren. Hun werkwijze wordt gekenmerkt door een zekere mate van pragmatisme, dat vaak pas achteraf zijn theoretische rechtvaardiging vindt. Kijkend naar andere subdisciplines van de cultuurgeschiedenis vraagt de historicus zich af: waarom wordt bij de wetenschapsgeschiedenis voor onmogelijk gehouden wat bij de kunstgeschiedenis kennelijk wel mogelijk is? Is de wetenschapsgeschiedenis zo anders dat de beschrijving van de ontwikkeling van de natuurwetenschap in één land onmogelijk is? Heeft het oude positivistische denkbeeld dat de wetenschap zich door haar cumulatieve karakter wezenlijk onderscheidt van de andere uitingen van de menselijke cultuur de laatste jaren niet veel van zijn overtuigingskracht verloren?

Daar komt bij dat de geschiedenis wel degelijk voorbeelden te zien geeft van wat wel heet ‘nationale stijlen’ op natuurwetenschappelijk gebied. In het begin van deze eeuw constateerde de Franse fysicus-filosoof Duhem bij voorbeeld een opvallend en duurzaam verschil tussen de Franse, abstract-mathematische stijl en de Engelse, meer aanschouwelijke behandeling van natuurverschijnselen. Natuurlijk kan men de vraag stellen of Duhem onder invloed van het in zijn tijd sterk levende nationalisme het contrast niet al te zeer heeft aangescherpt en evenzo kan men zich afvragen of de ontwikkeling van de moderne natuurwetenschap deze verschillen

[p. 8]

niet heeft uitgewist, maar de gedachte dat er duurzame nationale stijlen zijn geweest kan niet op voorhand als onzinnig worden beschouwd. Of er een uitgesproken Nederlandse stijl van wetenschap is geweest is nog nauwelijks onderzocht. Het werk van bekende onderzoekers als Huygens en Lorentz vertoont wel trekjes die al aanwijsbaar zijn in het werk van Stevin - vandaar ook de titel van dit boek - maar of dit voldoende is om van een Nederlandse stijl te spreken is nog geen uitgemaakte zaak.

Een oudere generatie wetenschapshistorici zou geneigd zijn nationale tradities toe te schrijven aan verschillende ‘volkskarakters’. Een jongere generatie denkt er echter anders over. Zij ziet de wetenschap niet alleen meer als een intellectueel, maar ook als een maatschappelijk verschijnsel. Wetenschap wordt bedreven door mensen die werken binnen een bepaald maatschappelijk en institutioneel verband, dat van land tot land verschillend kan zijn. De wijze waarop de wetenschap in Engeland was georganiseerd, week in de negentiende eeuw nogal af van de wijze waarop dat in Frankrijk het geval was en dit had zonder meer zijn weerslag op de aard van de beoefende wetenschap. Er valt wat voor te zeggen om de genoemde nationale tradities in de wetenschap terug te voeren, niet op veronderstelde ‘volkskarakters’, maar op aanwijsbare verschillen in maatschappelijke en institutionele organisatiepatronen, waarbij het hoger onderwijs een uiterst belangrijke rol speelt. Zeker als aandacht wordt besteed aan de institutionele kant van de wetenschap, aan het wetenschapsbedrijf, is een geschiedenis van de natuurwetenschap in één land alleszins mogelijk.

Zo'n geschiedenis is niet alleen mogelijk, zij is ook gewenst. Het is onmiskenbaar dat de belangstelling van wetenschapshistorici in Nederland in steeds grotere mate uitgaat naar de geschiedenis van de natuurwetenschap die in eigen land is beoefend. Of dit nu het gevolg is van typisch Nederlandse kortzichtigheid of van een zinvolle internationale arbeidsverdeling laat ik hier buiten beschouwing; het feit ligt er. Tot op heden moesten wij het echter stellen zonder een algemeen overzicht van de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis. (De geschiedenis van de geneeskunde in Nederland is wel beschreven.) In deze leemte wil dit boek nu voorzien. Natuurlijk kan men zeggen dat het daarvoor nog te vroeg is, dat er nog te veel lacunes in onze kennis zijn, dat er nog meer detailstudies nodig zijn. Dat is zeker het geval en om die redenen kan het hier geboden overzicht alleen maar een zeer voorlopige en beperkte betekenis hebben. Dat er lacunes in onze kennis bestaan, kan echter geen beletsel zijn voor het schrijven van een overzicht als dit. Overzichtswerken vatten niet alleen de bestaande kennis samen, zij vestigen juist ook onze aandacht op het bestaan van lacunes en kunnen zo een aansporing zijn voor nader onder-

[p. 9]

zoek. Voor wie syntheses alleen maar samenvattingen zijn van bestaande kennis komen ze altijd te vroeg.

Nu is het niet helemaal correct om te zeggen dat er geen overzichten van de geschiedenis van de wetenschap in Nederland beschikbaar zijn. Wat er voorhanden is, is evenwel uitsluitend biografisch van opzet. Gedurende de laatste vijftig jaar zijn er in Nederland maar liefst vier boeken gepubliceerd die door een aaneenschakeling van levensbeschrijvingen een zeker overzicht pretenderen te bieden van de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis. Deze boeken hebben zeker hun nut en ik heb er vaak dankbaar gebruik van gemaakt, maar het biografische genre kent zijn beperkingen. In biografische overzichten worden de perioden waarin vernieuwing plaatsvond altijd meer beklemtoond dan perioden van stilstand of verval, hoewel de vraag naar de oorzaken van stilstand en stagnatie cultuurhistorisch even belangwekkend is als de vraag naar de oorzaken van vernieuwing en succes. De veel gesmade eerste helft van de negentiende eeuw - om het bekendste voorbeeld te noemen - stelt de historicus voor niet minder interessante vragen dan de heroïsche tweede helft van de eeuw, met onderzoekers als Van der Waals, Van 't Hoff en Lorentz.

Een tweede bezwaar tegen het biografische genre is dat daarin onwillekeurig vaak het accent wordt gelegd op het goede voorbeeld dat de besproken onderzoeker voor de hedendaagse onderzoekers gegeven heeft. Zeker als de auteur in één der natuurwetenschappen is opgeleid, wordt vooral datgene belicht wat voor de huidige wetenschap van belang is: een stap in de goede richting, een voorbeeldige methode, of een prijzenswaardige wetenschappelijke houding. Een moralistische ondertoon is vaak niet te vermijden.

Het overzicht dat ik hier presenteer, wil breken met die eenzijdige biografische preoccupatie. Niet alleen vanwege het moralistische tintje van het biografische genre, maar ook vanwege de overtuiging dat wetenschap geen eenmansbedrijf is. Onderzoekers, hoe belangrijk ook, sluiten zich aan bij of zetten zich af tegen bepaalde tradities en opvattingen in hun vak; zij werken binnen bepaalde, door anderen mogelijk gemaakte maatschappelijke en institutionele kaders; zij kunnen alleen maar succes hebben als zij anderen weten te overtuigen. Net zoals bij andere onderdelen van de geschiedenis gaat het ook bij de geschiedenis van de natuurwetenschap steeds om de interactie tussen individu en omgeving.

Ook om die reden - de andere was het vermijden van het praten over volkskarakters - heb ik bij de beschrijving van de ontwikkeling van de natuurwetenschap in Nederland enige nadruk gelegd op het institutionele kader van de wetenschapsbeoefening. Niet alleen laat de duurzaamheid

[p. 10]

van wetenschappelijke tradities zich het best op dat vlak verklaren, ook het feit dat wetenschap niet alleen afhankelijk is van enkele grote onderzoekers komt zo het meest tot zijn recht. Het biografische aspect is echter niet verwaarloosd: de hoofdstukken zijn doorschoten met korte levensschetsen van de meer bekende onderzoekers. Bovendien kan de behandeling van de institutionele ontwikkelingen geen aanspraak maken op enige volledigheid. Zo ergens, dan wreekt zich hier wel het gebrek aan voorstudies.

In Nederland is geen enkel instituut zo belangrijk geweest als de universiteit. Anders dan bij voorbeeld in Frankrijk of Engeland, waar al vroeg wetenschappelijke genootschappen tot ontwikkeling kwamen en het patronagesysteem grootse vormen kon aannemen, werd in het politiek versnipperde, republikeinse Nederland de ruggegraat van de wetenschap gevormd door de universiteit. Wetenschapsgeschiedenis is hier te lande daarom in niet onaanzienlijke mate universiteitsgeschiedenis.

Over de nadere afbakening van het onderwerp moeten nog drie opmerkingen gemaakt worden. Ten eerste: het begrip natuurwetenschap is breed opgevat en omvat zowel wiskunde en techniek als sommige basisvakken van de geneeskunde. Niet alle disciplines zijn echter steeds in de beschrijving betrokken; wat namelijk als natuurwetenschap wordt gezien kan per tijdvak verschillen. In de zestiende eeuw hoorden de wiskunde en de techniek er zonder meer bij, in de negentiende eeuw was dit niet meer het geval. Vakken als de anatomie en de fysiologie van het menselijk lichaam worden tegenwoordig niet meer tot de natuurwetenschappen gerekend, maar tot in de achttiende eeuw was dit wel het geval. Het zal evenwel altijd een punt van discussie blijven waar en wanneer een bepaalde grens getrokken moet worden.

Ten tweede: het onderwerp is uitdrukkelijk de natuurwetenschap in Nederland (en de voormalige overzeese gebiedsdelen), of het onderzoek nu gedaan is door Nederlanders of niet. De Fransman Descartes en de Zweed Linnaeus hebben daarom wel hun plaats gevonden, een in Nederland geboren onderzoeker als Ingenhousz niet.

Ten derde: gekozen is voor een afbakening in de tijd die scherper lijkt dan zij in werkelijkheid is. Het begin valt ongeveer samen met het ontstaan van een zelfstandig Noordnederlands staatsverband, het einde ligt rond de tweede wereldoorlog omdat de natuurwetenschap na die tijd te dichtbij ligt om een zekere beeldvorming mogelijk te maken.

Een laatste opmerking over de opzet van het boek betreft de illustraties. Getracht is daarvan meer te maken dan wat plaatjes bij een praatje. Zoveel mogelijk zijn die afbeeldingen gekozen die een bepaald inhoudelijk punt

[p. 11]

van visueel commentaar konden voorzien. Daartoe zijn de illustraties ook voorzien van min of meer uitgebreide onderschriften. Men moet deze beschouwen als een volwaardig onderdeel van de hoofdtekst.

Ten slotte is het hier de plaats om diegenen te bedanken die hun medewerking aan de totstandkoming van dit werk hebben geleverd. Mijn erkentelijkheid gaat in de eerste plaats uit naar mijn (oud-)collegae van het Instituut voor geschiedenis der natuurwetenschappen te Utrecht. Harry Snelders, Casper Hakfoort en Lodewijk Palm namen grotere of kleinere gedeelten van het manuscript door, terwijl Marijn van Hoorn en Cees de Pater op enige punten hun deskundig oordeel gaven. Van het binnenkort voormalige Biohistorische Instituut te Utrecht wil ik noemen Rob Visser en Bert Theunissen, de eerste voor het leveren van commentaar op paragrafen over de geschiedenis van de biologie, de tweede voor de toestemming gebruik te maken van een ongepubliceerde lezing over het mogelijk verband tussen een holistisch denkklimaat en het uitblijven van de neo-darwinistische synthese in Nederland. Verder dank ik dr. E. Dekker te Leiden, dr. C.P. Koene te Arnhem, drs. W.W. Mijnhardt te Wolfheze, prof. dr. E. den Tex te Leiden, prof dr. J. Veldkamp te Bilthoven en dr. W.A. Visser te Nootdorp voor hun advies en commentaar. Last but not least geldt mijn dank de medewerkers van bibliotheken, fotodiensten en musea die mij met zeer grote bereidwilligheid hielpen bij het verzamelen van materiaal voor dit boek. Het spreekt vanzelf dat alle onjuistheden en vergissingen die misschien nog in de tekst zijn blijven staan alleen voor mijn verantwoording komen.

[p. 12]



illustratie
Afbeelding 1. Lucas d'Heere, ‘De kunsten in oorlogstijd’, ca. 1570; Turijn, Galleria Sabauda

prepost  begin  verder