Naarmate wij dichter onze eigen tijd naderen, wordt het moeilijker een helder beeld te geven van de ontwikkelingen van de natuurwetenschappen in Nederland. Weliswaar bieden scientiometrische studies de mogelijkheid tendenties en verschuivingen in de wetenschapsbeoefening te traceren, maar voor een afgewogen oordeel over wat wel en wat niet van werkelijk belang is, ontbreekt nog de nodige distantie. Wij zien er daarom vanaf het overzicht van de geschiedenis van de Nederlandse natuurwetenschap tot aan het heden te vervolgen. Een dergelijke poging zou slechts kunnen uitmonden in een kroniek van onderzoekingen, een gevaar dat in de twee hoofdstukken over de periode 1870-1940 toch al niet meer geheel bezworen kon worden. Wij kunnen hier niet veel meer doen dan het aanduiden van enkele ontwikkelingen en het aanstippen van enkele resultaten.
Dat wij de cesuur bij 1940, het begin van de Duitse bezetting, leggen, is niet zonder reden. In de loop van de oorlog werd het natuurwetenschappelijk onderzoek op de meeste plaatsen in Nederland zeer bemoeilijkt en in vele gevallen zelfs onmogelijk gemaakt. De universiteit werd gesloten, de internationale communicatie verbroken, het personeel uitgedund. Na afloop van de oorlog bleek de natuurwetenschap in Nederland ernstig achterop te zijn geraakt bij de ontwikkelingen in met name de Verenigde Staten, niet alleen omdat er vijf of vier verloren jaren waren geweest, maar ook omdat de natuurwetenschap daar een sterke impuls had ontvangen in het kader van de oorlogsinspanning.
De eerste zorg na de bevrijding was dan ook het inhalen van de opgelopen achterstand. Binnen niet al te lange tijd is men hier in die opzet geslaagd. Voor de natuurkunde was daarbij van grote betekenis dat in 1946 de Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie (FOM) werd opgericht, waarin behalve de overheid ook het bedrijfsleven participeerde. In 1950 ging deze stichting op in de overkoepelende Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO), de zuiver wetenschappelijke pendant van TNO. Het wegwerken van de achter-
stand werd wel bemoeilijkt door een ‘brain-drain’ naar de Verenigde Staten: veelbelovende onderzoekers wachtten het herstel in Nederland niet af en grepen de kansen die ze in de Verenigde Staten kregen. Een van de eersten was de in Leiden opgeleide fysicus N. Bloembergen, die al in 1946 naar Amerika trok, in Harvard hoogleraar werd en in 1981 de Nobelprijs voor natuurkunde zou krijgen voor zijn bijdrage aan de ontwikkeling van laser-apparatuur.
De situatie veranderde rond 1960, toen de expansie van de Nederlandse universiteit op gang kwam. Uit de mede door de Groningse gasbel ruim gevulde schatkist werd veel geld in de universiteiten gepompt, die nu zoveel mogelijkheden kregen dat het voor jonge onderzoekers niet meer nodig was het land te verlaten. Oudere emigranten keerden soms zelfs terug en een niet gering aantal onderzoekers uit andere landen kwam naar Nederland. De expansie van het universitaire bestel nam in de jaren zestig en zeventig grote vormen aan. Nieuwe instellingen van hoger onderwijs zagen het licht, bestaande werden uitgebreid; de stichting van de Technische Hogeschool Eindhoven (1957), de opbouw van een faculteit voor wiskunde en natuurwetenschappen in Nijmegen (1957) en de oprichting van de Technische Hogeschool Twente (1964) waren daarbij voor de natuurwetenschappen het belangrijkst. Het aantal wetenschappelijke onderzoekers steeg snel, de aanschaf van de nieuwste apparatuur leek geen probleem meer, maar sneller nog groeide het aantal studenten. Op 1 december 1984 stonden 165.000 studenten ingeschreven.
In de loop van de jaren zeventig begon duidelijk te worden dat deze expansie ingrijpende wijzigingen in de structuur van het wetenschappelijk bestel noodzakelijk maakte. Er bleken grenzen aan de groei te zijn en men vroeg zich af of de samenleving wel gediend was met de opleiding van grote aantallen wetenschappelijke onderzoekers. Om deze en andere redenen begon de overheid pogingen te ondernemen meer greep te krijgen op het universitaire bestel: in 1981 werd de universitaire studie in de meeste richtingen drastisch bekort door de invoering van de twee-fasenstructuur en van recentere datum is de invoering van het systeem van voorwaardelijke financiering. Voor de sturing van het wetenschappelijk onderzoek is korte tijd zelfs naast het ministerie voor Onderwijs en Wetenschappen een apart Ministerie voor Wetenschapsbeleid in het leven geroepen, dat echter later het slachtoffer is geworden van de departementale ruilverkavelingen die Nederlandse kabinetsformaties begeleiden. Het is nog onzeker welke kant deze ontwikkelingen opgaan. Sommige maatregelen wijzen erop dat men ten departemente het Duitse universiteitsmodel wil vervangen door een Amerikaans model, waarin de onder-
linge wedijver van universiteiten en onderzoekers veel groter is dan in het Duitse model; andere maatregelen dreigen door hun formalisme en bureaucratie de voor de competitie vereiste ruimte en vrijheid te niet te doen. Onduidelijk is echter tevens of deze effecten zich in de natuurwetenschappen, die altijd al een straffer regime hebben gekend, in dezelfde mate voordoen als in andere richtingen.
Over het peil van de Nederlandse natuurwetenschap in de afgelopen vier decennia valt nog weinig te zeggen. Internationaal gezien neemt Nederland in de sterrenkunde een vooraanstaande plaats in dank zij de grote vlucht die de radio-astronomie hier te lande heeft genomen, maar voor de meeste disciplines ontbreken ons eenvoudigweg de gegevens om een oordeel te geven. Alleen de ontwikkelingen op het gebied van de natuurkunde zijn redelijk in kaart gebracht, wat ook niet zo verwonderlijk is omdat ongeveer de helft van de gelden die door ZWO worden uitgegeven aan natuurkundig onderzoek besteed worden. Uit een recent overzicht blijkt dat de fysica in Nederland op een hoog peil staat, dat het aandeel van de Nederlandse natuurkunde aan de internationale ontwikkeling in overeenstemming is met de plaats van Nederland in de rangorde van geïndustrialiseerde landen, maar ook dat werkelijke uitschieters naar boven ontbreken. Op het terrein van de atoom- en moleculaire fysica heeft Nederland nog steeds, dat wil zeggen sinds de tijd van Van der Waals en Kamerlingh Onnes, een sterke positie. Het FOM-instituut voor Atoom- en Moleculaire Fysica, dat van 1953 tot 1982 onder de directie stond van J. Kistemaker en waar onder andere het ultracentrifugeproces werd ontwikkeld, zet dus een oude traditie voort. Ondervertegenwoordigd is de Nederlandse fysica op het terrein van de studie van elementaire deeltjes, maar in zekere zin is hier sprake van optisch bedrog. Dit onderzoek dient te geschieden met apparatuur (deeltjes versnellers) die niet meer door één land te bekostigen zijn. Dergelijk onderzoek wordt in Europa verricht door het Conseil Européen de la Recherche Nucleaire (CERN), dat sinds 1954 bij Genève een internationaal laboratorium voor kernfysisch onderzoek in bedrijf heeft waaraan ook de FOM bijdraagt.
Eén van de Nederlandse onderzoekers in Genève, S. van der Meer, ontving in 1984 samen met zijn Italiaanse collega Rubbia de Nobelprijs voor natuurkunde voor de ontwikkeling van een methode waarmee betere antiprotonenversnellers gemaakt kunnen worden. Deze Nobelprijs was niet de enige die na de oorlog aan een Nederlandse onderzoeker is toegevallen. In 1953 werd de Groningse fysicus Zernike dezelfde onderscheiding verleend voor zijn ontwikkeling van de fasecontrastmicroscoop. Tussen Zernike en Van der Meer bestaan - laten wij dat voorop-
stellen - aanmerkelijke verschillen: de eerste ontwikkelde zijn verfijnde apparatuur in betrekkelijk isolement en geheel alleen in Groningen, de tweede leverde ‘slechts’ een beslissende bijdrage aan wat in feite het werk van een groot internationaal team was. Toch kan men het feit dat juist deze Nederlandse onderzoekers een Nobelprijs ontvingen enige symbolische waarde niet ontzeggen. Dat het juist twee ‘apparatenbouwers’ waren die de prijs kregen, vormt namelijk een waardig saluut aan al die Nederlandse onderzoekers die in het voetspoor van Stevin het ontbreken van een filosofische dimensie in hun werk ruimschoots gecompenseerd hebben door een grote dosis technisch en mathematisch vernuft.