terug  begin  verderprepost
[p. 13]

0. Inleiding
Doel van het onderzoek

De opzet van deze studie is, uitgaande van voor filologische doeleinden verantwoord uitgegeven taalmateriaal dat aan de criteria van lokaliseerbaarheid, dateerbaarheid en oorspronkelijkheid voldoet, controleerbare kaarten samen te stellen en die met inachtname van de inbreng van elke afzonderlijke scribent en de stilistische verschillen binnen het materiaal te commentariëren. De aangehaalde termen lichten we hieronder nader toe.

0.1. Filologisch verantwoord uitgegeven materiaal

De kaarten van Heeroma1) en Van den Berg2) zijn, met uitzondering van een serie door de auteurs eigenhandig geëxcerpeerde archivalia, voor het overgrote deel op bronnen gebaseerd, die door en voor historici werden gepubliceerd en zodoende voor taalkundig onderzoek niet helemaal geschikt zijn, daar die uitgevers het met de taalvormen niet altijd even nauw namen3). Edities die het oogmerk specifiek op taalgeografisch onderzoek richten, zoals b.v. die van Moors4), zijn zeldzaamheden. De excerptenlijsten van Vangassen5) waren een belangrijke aanzet, waarvan Goossens voor een aantal kaarten gebruik maakte6). Het corpus van de Duitser Wilhelm7) daarentegen, dat ook het Nederlandse taalgebied bestrijkt en afgezien van een aantal andere tekortkomingen8) slechts een beperkt deel van het beschikbare 13de-eeuwse materiaal bevat, heeft niet tot het ontstaan van nieuwe, specifiek Nederlandse taalkaarten geleid9). Het op initiatief van Van Cleemput begonnen en door Gysseling voltooide Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300) (CG)10) bezorgde de neerlandici eindelijk een bruikbaar uitgangsmateriaal voor taalgeografisch onderzoek van de oudste fase van het Middelnederlands. Dank zij de kennis van de filoloog, de historicus en de paleograaf, die Gysseling in één persoon verenigt, is deze enorme tekstverzameling dan ook bijzonder geslaagd11) en terecht reeds herhaalde keren als bron voor taalhistorisch onderzoek gebruikt12). Het lag dus voor de hand de onderhavige studie uitsluitend op het CG te baseren.

1)Heeroma 1935.
2)V.d.Berg 1938.
3)Ook uitgaven van literaire teksten zijn hiervan niet altijd vrij. Vgl. De Vreese 1933.
4)Moors 1952.
5)Vangassen 1954 en 1964b.
6)Goossens 1971 en 1974a.
7)Wilhelm, Newald, De Boor en Haacke, 1932-1963.
8)Besprekingen van het z.g. CORPUS WILHELM, zie Haacke 1955 en V. Cleemput 1957.
9)Wel voor het Duitse taalgebied, zie b.v. Gleissner en Frings 1941; ook voor de hele continentale Germania, zie De Smet 1975.
10)Gysseling 1977. Over de onstaansgeschiedenis van het CG, zie o.a. De Tollenaere en Pijnenburg 1974, 2 en Goossens 1979, 249 met uitvoerige bibliografie.
11)Besprekingen van het CG, zie Van Bakel 1980, Goossens 1979, Kruisheer 1979, Roelandts 1979 en Sanders 1979.
12)B.v. De Meersman 1975, Philippa 1981, V. Sterkenburg 1982, Berteloot 1983 en 1984.
prepostterug  begin  verder