terug  begin  verderprepost

4.1. Het vocalisme

Bij de behandeling van de klinkers stellen we ons op fonologisch standpunt1). Daartoe plaatsen we het door Goossens2) ontworpen ‘ideale’ mnl. referentiesysteem tegenover het nnl. en bekijken daarna vanuit het nnl. de afwijkingen van het systeem en de verschillen in de lexicale bezetting van de elementen.

 



illustratie

De jongere nnl. leenfonemen ε:, oe: en ɔ: hebben we niet opgenomen omdat ze bij een vergelijking met het mnl. geen rol spelen. De normale verhouding tussen beide systemen wordt uitvoerig behandeld door Goossens (1974b, 53-58; 1980, 171-173). In het vervolg van onze studie zullen uiteraard de afwijkingen van deze verhouding de meeste aandacht krijgen.

[p. 49]

Korte vocalen

4.1.1. Nnl. en mnl. a

In de correspondentie nnl. a = mnl. a zijn de volgende afwijkingen vast te stellen: i.p.v. a vinden we in het mnl. e, o of ā. We bekijken achtereenvolgens deze 3 mogelijkheden.

4.1.1.1. Nnl. a correspondeert met mnl. e

De correspondentie van nnl. a met mnl. e kan door vier factoren ontstaan zijn: primaire umlaut van a en analoge verdringing van de zo ontstane e in flexie en woordvorming, al of niet doorgevoerde secundaire umlaut van a, ontwikkelingen van onl. a en e vóór r + cons. en tenslotte bijzondere gevallen zoals zal/zel.

4.1.1.1.1. Umlauts-e naast analoog herstelde a

Vrijwel het enige geval waarin het CG voldoende vindplaatsen oplevert om een dergelijke alternatie te onderzoeken, is de 3de pers. enk. pres. van vallen: hi valt resp. hi velt. Zoals in het nnl.3) blijkt de a overal waar deze vorm optreedt (AAL, ARK, BRE, BRG, BRS, DOE, DRO, GEN, GRI, HEE, HEM, KGH, KGV, MEC, OBG, ODA en PET), hersteld te zijn. Ook buiten het door ons geëxcerpeerde deel van het Goederenregister van Oudenbiezen laten zich via de registers geen vormen met umlaut opsporen.

4.1.1.1.2. Secundaire umlaut van a

KAART 4: SECUNDAIRE UMLAUT VAN aaant.

ABakker, krachtig, machtig, -achtig.
BKGV (a), KHB (e), VAM (a).
CBinnen het materiaal is nauwelijks een woord met potentiële secundaire umlaut te vinden, dat op zichzelf voldoende vindplaatsen oplevert om er een kaart mee samen te stellen. We brachten daarom op één kaart de gegevens voor de bovengenoemde woorden en vormen samen. De secundaire umlaut van a is alleen in het oosten gefonemiseerd en wordt alleen in Brabant en Limburg geschreven. De grens tussen a en e stemt goed met de moderne manneke/menneke-lijn overeen.
DBAZ I (-aachtig), DOR VIII (-aichtig).
EGoossens 1971; Goossens 1980, 178-194 met kaart; v. Kienle 1969, § 30; Klankleer §§ 6 opm. 1, 6b; Schönfeld-v. Loey 1970, §§ 38-42; Weijnen 1937, 92.

4.1.1.1.3. Ontwikkelingen vóór r + consonant

KAART 5: MARTEN/MERTENaant.

AMartijn (eigennaam).
BVLA (a).
CVooral in het zuiden blijkt het vocalisme goed met de moderne verdeling bij de familienamen overeen te stemmen4). De spellingen die op een rekking van de oorspronkelijke a wijzen, zijn (West-)Vlaams, de a zelf is Oostvlaams en noordelijk, terwijl de vormen met palataal vocalisme hoofdzakelijk in Brabant en Limburg voorkomen. Het Limburgs was in de 13de eeuw blijkbaar een gesloten e-gebied, terwijl we bij de moderne familienaam in het zuidoosten een menggebied met een licht overwicht van a vinden.
[p. 50]
DBevreemdend werkt een vindplaats bij DOE VIII, waar a uit een oorspronkelijke e werd verbeterd.
EDujardin 1967; Goossens 1967b; Goossens 1974a, 28-29 met kaart; Hoebeke 1968, 182; Klankleer § 7; Willemyns 1971, 160-206.

KAART 6: ARM/ERMaant.

AArm (adj.) en zijn afleidingen.
BKHB (ae), VAM (a).
CDe palatalisatie van oorspr. a vóór r + labiaal in arm komt in ons materiaal alleen in oostelijk Oost-Vlaanderen (Denderstreek) en Zuidwest-Brabant voor. Rekkingen vinden we in Vlaanderen en Brabant.
DHoebeke 1968, 450-454; Klankleer § 7 en Aant.; Taeldeman 1979b, 52 en kaart 3.

KAART 7: MARGRIETE/MERGRIETEaant.

AMargareta (eigennaam).
CDe eigennaam Margareta vertoont bijna overal a. In enkele Oostvlaamse, Brabantse en Zeeuwse documenten vinden we ook palataal vocalisme. Rekking tot ae treedt vooral in Vlaanderen op.
EHoebeke 1968, 198-199, 448-450 (oorspronkelijke e?); Klankleer § 2b.

4.1.1.1.4. Zal/zel

KAART 8: ZAL/ZELaant.

A1e en 3de pers. enk. pres. van zullen
BKGV (a2), KHB (a4), VAM (a2), ZEE (a3).
CHet e-vocalisme in zal is kenmerkend voor Hollandse en Utrechtse teksten, waardoor zijn geografische verdeling duidelijk met die van zellen (zie kaart 59) correspondeert. Opvallend is dat dit hollandisme in de documenten uit HOL/KGH zeer sterk verdrongen wordt. Slechts één scribent (KGH XV) schrijft uitsluitend zel, 25 handen hebben steeds zal en bij 4 schrijvers (HOL XIII, KGH, VII, VIII, XXIV) treden beide vormen naast elkaar op.
De zel-vorm bij KLE I kan aan de destinataris van de oorkonde, de Hollandse graaf, toegeschreven worden, terwijl dezelfde vorm bij VEU I Weijnens hypothese staaft, dat zel een ingwaeonisme is.
DDe vorm zael is blijkbaar niet regionaal gebonden. Hij is vaak het gevolg van een versmelting met een enclitisch het (wel via rekking in de zo ontstane open syllabe). We vinden zael bij klerken uit ARK, BRS, GBG, GEN, KGH, KHB, KLE, LEF en SGR.
EGysseling 1975, 41; Heeroma 1935, 111-112 en kaart 22; Klankleer § 3 opm. 2; Schönfeld - v. Loey 1970, § 146; Vormleer § 68; Weijnen 1972.

4.1.1.2. Nnl. a correspondeert met mnl. o

Een reeks woorden met oorspronkelijke a vertoont vooral in het Westvlaams o. Deze ontwikkeling treedt vaak op vóór l, maar ook vóór gedekte nasaal en elders.

 

KAART 9: AL/OLaant.

AAl (adj. en bijw.), overal. Buiten beschouwing gelaten werden adverbia als aldus, altoos, alzo. Niet onderzocht werd ook het voegwoord als(e), waarin alleen bij BRG I o voorkomt.
BKGV (a2), KHB (a4), VAM (a4), VLA (a2), WVL (a).
[p. 51]
CHet sporadische optreden van ol in twee eilandvormige gebiedjes in West-Vlaanderen past goed bij Taeldemans en Willemyns' kaarten van de moderne toestand. De omvang van het gebied Brugge-Maldegem steunt Willemyns' veronderstelling dat de ontwikkeling van a tot o vóór-mnl. is en in de 13de eeuw in grote delen van West-Vlaanderen reeds op de terugtocht.
Te MAL komt ol alleen voor in de tekst van hand V, d.i. een akte uit de Mittelschicht. Blijkbaar gold al als betere schrijftaal.
De ol bij KGH XIX staat totaal geïsoleerd te midden van een gesloten al-landschap.
Daar dezelfde scribent anders steeds al schrijft en de betreffende tekst geen aanleiding tot Vlaamse kenmerken levert, mogen we aannemen dat ol in CG nr. 1633 een door de schrijver uit West-Vlaanderen geïmporteerde eigenaardigheid is. Was hij een Vlaming?
EV. Haverbeke 1955, 50-51; Klankleer § 3 opm. 1; Taeldeman 1979b, 50-52 en kaart 2; Willemyns 1971, 257-262 en kaart blz. 258.

KAART 10: AF/OFaant.

AAf, ook in de combinaties daaraf en eraf. Niet opgenomen zijn vormen als of noerthalf, of westhalf enz.
BKGV (o), KHB (a2/o1), VAM (o), VLA (a2), WVL (a), ZEE (a2/o2).
CDe tegenstelling af/of wordt door Franck aan het ontbreken van klemtoon en de invloed van de f toegeschreven.
Bij de klerken uit DOR is een evolutie in het voordeel van af waar te nemen. Of overheerst in de oudste teksten en af doet pas in maart 1291 zijn intrede met de oudste tekst van DOR VIII. In de centra HOL en KGH daarentegen wint of duidelijk veld: tot 1280 vinden we alleen af (4 handen), terwijl na 1291 nog slechts 2 scribenten (HOL IX, KGH XXXIII) uitsluitend af schrijven en 11 alleen of. De handen HOL VIII en KGH VII gebruiken beide vormen, waarbij KGH VII tot 4 december 1290 alleen af spelt en enkele dagen later plots ook of gebruikt. KGH XIX heeft af alleen in zijn vroegste tekst, later steeds of. Reageert hier een min of meer gesloten groep scribenten eensgezind met een conservatieve spelling of op een aan de gang zijnde (of misschien al afgesloten) ontwikkeling van of naar af in de spreektaal5)? Tegenwoordig is of uit Holland verdwenen.
DDe vorm ave (zwarte driehoekjes op de kaart), vermoedelijk (in beklemtoonde syllabe) ontstaan uit wg. *ab̄a, is alleen in Zuid-Brabant en Zuid-Limburg voorhanden.
EFranck 1910, § 63; Heeroma 1935, 29-30, 109 en kaart 18; v. Kienle 1969, § 65; Klankleer § 3 opm. 1.

KAART 11: AMBACHT/AMBOCHTaant.

AAmbacht als appellatief en in plaatsnamen.
BKGV (o), KHB (a), VAM (o).
CDe o-spelling wordt door de zwakke klemtoon in de 2de lettergreep verklaard. De kaart laat zien dat zij niet tot Vlaanderen beperkt is. In Oudenaarde is de ontwikkeling van a naar o nog in de 16de eeuw aan de gang.
DHOL XIII, HUL III, KGH XXVI (amboecht naast ambocht), HOL I (ambu(e)cht), KGH XIX (ambuͦcht), BRG VII (amboute), KRA I (ambaachte); ambchte bij DOE VIII zal een schrijffout zijn. Hand KGH XIX schrijft de -vorm alleen in zijn oudste tekst, later gebruikt hij steeds o. De enige a-spelling te Brugge (zie kaart) is van hand XL, 34 Brugse schrijvers spellen o.
[p. 52]
EV. Haeringen 1923, 283; V. Haverbeke 1955, 65-66; Heeroma 1935, 29 en kaart 17; Hoebeke 1968, 184; Klankleer § 3 opm. 1 en Aant., § 111 en Aant.; Willemyns 1971, 256-257.

 

KAART 12: BRACHT/BROCHTaant.

 

APreteritumvormen en voltooid deelwoord van brengen.
BKGV (o).
CKaart 12 is vrij zwak bezet maar laat hetzelfde beeld vermoeden als de ambachtkaart. Terwijl in Brabant van de 14de tot de 16de eeuw steeds vaker brocht verschijnt, neemt Oudenaarde nog in de 16de eeuw i.p.v. het autochtone o de oostelijke (schrijftaalvorm?) a over. In de moderne dialecten ligt de a/o-grens ver in het oosten.
DOp rekking vóór cht (zie 4.1.5.5) wijzen broicht bij DOR VIII en broecht bij GEN VII (zie kaart).
EANKO 1, 24-32, kaart 2; Goossens 1974a, 32-33, met kaart; V. Haverbeke 1955, 65; Hoebeke 1968, 184-186; Klankleer § 3 opm. 1; V. Sterkenburg 1982, 9; Willemyns 1971, 255-256.

 

KAART 13: ANDERHALF/ONDERHALFaant.

 

AAnderhalf.
CDe Westvlaamse variant onder voor ander, waarvan sprake bij Jacobs, hebben we niet aangetroffen. In de verbinding met -half evenwel treedt o-vocalisme op, dat (met uitzondering van de Brugse vindplaatsen misschien) van een andere aard is dan de a/o-alternanties op de kaarten 9 tot 12. In de moderne Brabantse en Limburgse dialecten (b.v. Aarschot, Bree, Hasselt, Leuven, Maastricht, Tongeren) is een o-achtige vocaal te vinden. Een bevredigende verklaring is nog niet geleverd. Pauwels vermoedt invloed van onder, maar misschien speelt ook het woordaccent een rol.
EDupont 1922, 136-137; Endepols 1955, 12; Goemans 1897-1898, 141 en 1954, 47-48; Grootaers 1908-1909, 296; Grootaers en Grauls 1930, 68; Jacobs 1911, 31; Klankleer § 3 opm. 1; Pauwels 1958, 1, 6.

4.1.1.3. Nnl. a correspondeert met mnl. ā

De alternantie mnl. ā/nnl. a kan van tweeërlei aard zijn. Op de eerste plaats zette zich in oostelijke dialecten bij een aantal nomina met a de gerekte ā uit de casus obliqui analoog ook in de onverbogen vormen door (type daag i.p.v. dag uit dage)6). Op de tweede plaats kon a vóór sommige consonantclusters gerekt worden. Sporen van analoge rekkingen van de eerste soort zijn in ons materiaal nauwelijks voorhanden. We gaan hier alleen op de rekkingen vóór consonanten nader in.

4.1.1.3.1. Mnl. ā vóór r + consonant

De gevallen met rekking van a vóór r + consonant behandelen we hier niet apart. We verwijzen naar de rubrieken 4.1.1.1.3 en 4.1.6.3 en de bijbehorende kaarten.

4.1.1.3.2. Mnl. ā vóór cht

KAART 14: ACHT/AACHTaant.

 

AAcht, tachtig, achtende ‘achtste’, achtelinc.
BKGV (a2), KHB (a2), VAM (a), ZEE (a).
[p. 53]
CDe rekking van a vóór cht schijnt geen systeem te hebben. Van de moderne Zuidlimburgse rekking in deze omgeving is niets te bekennen. We kunnen hieraan ook de eerder vermelde rekkingen in het suffix -achtig te BAZ en DOR toevoegen.
DKGH III (oecten, uit het Latijn?), MID III (echt-). KRA I spelt de lange vocaal als aa.
EV. Haverbeke 1955, 65; Jacobs 1911, 17-18; Klankleer § 3 opm. 3b; Leenen 1947, 8-9; V. Loey 1937, 173; Stevens 1952, 5, 9.

4.1.1.3.3. Mnl. ā vóór st

KAART 15: VAST/VAASTaant.

 

AVast (adj.), vasten (subst.), gast en hun samenstellingen.
BKGV (a2), KHB (a4), VAM (a2), ZEE (a7).
CDe rekking vóór st is evenmin systematisch als vóór cht, al kan in (West-) Brabant een zekere concentratie vermoed worden. In de moderne dialecten zijn vooral in Limburg, Utrecht en het oosten van Noord-Brabant rekkingen van a te vinden.
DKRA I en WUU I spellen aa i.p.v. ae (zie kaart).
EGrootaers 1910-1911, 122-123, 126; Klankleer § 3 opm. 3; Leenen 1947, 8 en 11-12; Schrijnen 1920, 56 en kaart 10; Stevens 1952, 9; Tans 1938, kaarten 13-16; V. Veen 1964, 34-35; Weijnen 1937, 106-107, 166; Weijnen 1966, 203-221.

4.1.2. Nnl. ε en mnl. e

In het oostelijke deel van ons taalgebied moet het vocaalsysteem twee korte e-fonemen hebben bezeten, t.w. een opener ë (de voortzetting van wg. e en de secundaire umlaut van a) en een geslotener (de primaire umlaut van a). Op dit verschil tussen de foneeminventaris in oost en west kan hier niet nader ingegaan worden omdat alleen een onderzoek van rijmen de oppositie ë kan documenteren, terwijl buiten het rijm het verschil tussen beide onzichtbaar wordt doordat ze alle twee door het grafeem e worden gerepresenteerd7).

4.1.2.1. Nnl. ε correspondeert met mnl. a

In het algemeen zijn de mnl. a of de nnl. ε in deze rubriek produkten uit een ontwikkeling van een oorspr. a of e vóór r + consonant. Wisseling van a en e is verder ook te vinden in de persoonsnaam Willem.

4.1.2.1.1. Ontwikkelingen vóór r + consonant

KAART 16: WERF/WARFaant.

 

AWerf ‘keer, maal’.
BKHB (ee), VAM (a2).
CHet woord werf met een oorspronkelijke a vóór r is alleen in westelijke documenten bewaard en verschijnt daar zowel met a, met e als met ae. De spelling ee treedt te GEN en in de KHB op.
DVolledigheidshalve dient aangemerkt dat we de spelling waref als a en niet als ā geregistreerd hebben omdat de e in de 2de syllabe als een svarabhakti-vocaal geïnterpreteerd kan worden8).
EV. Haverbeke 1955, 53-54; Hoebeke 1968, 462; Jacobs 1911, 63-66; Klankleer § 7; Taeldeman 1979b, 53 en kaart 4; Willemyns 1971, 166.
[p. 54]

KAART 17: BERG/BARGaant.

 

ABerg (appellatief en in plaatsnamen) met zijn samenstellingen en afleidingen.
BVAM (a).
CDe spelling a voor de oorspronkelijke e treedt op in het noorden van Vlaanderen en het zuiden van Holland. De gerekte vorm ee is eveneens Vlaams.
DHet merkwaardige Thoneburch (d.i. Tomberg) bij MOE I bevat in zijn 2de lid waarschijnlijk geen variant van berg maar een interpretatie burg.
EHoebeke 1968, 455; Jacobs 1911, 63-66; Klankleer § 2; Willemyns 1971, 169.

 

KAART 18: STERVEN/STARVENaant.

 

ASterven (inf., meerv.-vormen pres., conj. pres.), (be-, ver-)sterfte, sterfkoop, sterfelijk, versterfenis.
BVAM (e).
CZoals op kaart 17 zijn ook hier de a-spellingen in het noorden van Vlaanderen te vinden. Vormen met ee zijn Vlaams en Brabants.
DSteref- hebben we als representant voor een korte vocaal opgevat (zie waref op kaart 16). LEF III (steirf-).
EHoebeke 1968, 456; Jacobs 1911, 63-66; Klankleer § 2; V. Loey 1937, 166; Willemyns 1971, 172.

 

KAART 19: ERVE/ARVEaant.

KAART 20: AARVE/EERVEaant.

 

AErf, erfachtig, erfelijk, erfenis, erf(ge)naam, erve, erven.
BKGV (e2), KHB (e3), VAM (a2).
CVoor de overzichtelijkheid hebben we aan het vocalisme in erf 2 kaarten gewijd. De enkele spelling staat op kaart 19, de dubbele op kaart 20.
In dit woord met oorspronkelijk a-vocalisme vinden we de spelling a in (West- en Noord-) Vlaanderen en Zuid-Holland, maar ook in het zuiden van Oost-Vlaanderen en West-Brabant. De geografische verdeling van ae en ee stemt met die van a en e overeen maar de gerekte vormen blijven tot het westen beperkt. Te noteren valt verder dat enkele scribenten zowel de variant zonder als die met lengteteken gebruiken: MAL III (a en ae), GEN XXV en LIX, ODA XV (e en ee, de laatstgenoemde ook a), AAR IX (e, ee en ae).
EV. Haverbeke 1955, 55-56; Hoebeke 1968, 455; Jacobs 1911, 35-37; Klankleer §§ 2b, 43, 52; Willemyns 1971, 169.

 

KAART 21: DERDE/DARDEaant.

 

ADerde, dertien, dertig en hun samenstellingen en afleidingen.
BKHB (e2), VAM (e), VLA (e), ZEE (e2).
CDe e in derde, ontstaan uit i vóór r + d (na metathesis uit r + i + d) heeft zich blijkens de geografische verdeling van e en a volledig bij de andere gevallen met e vóór r + consonant aangesloten. Het bekende o-vocalisme vinden we in Zuid-Holland, terwijl de Hulstse vindplaats ongeveer de zuidelijkste grens van het oude verspreidingsgebied van dorde markeert, zoals dat op de historische kaart van Van den Berg te zien is. De Zutfense spelling u representeert vermoedelijk een gepalataliseerde o die nog in enkele moderne dialecten is aan te treffen9).
DBRG XII en XV, DUD I (ae), KGH VII (deren - schrijffout?).
[p. 55]
EV.d.Berg 1938, 73-108 met kaarten; V. Haverbeke 1955, 56; Heeroma 1935, 32-33, 110-111 en kaart 21; Hoebeke 1968, 197-198; Jacobs 1911, 64; Klankleer § 2a; Willemyns 1971, 174.

 

KAART 22: KERST/KARSTaant.

 

AKertsavond, kerstdag, Christiaan, Christine, Christoffel, Chrispijn (voor zover metathesis van r optrad), Kerstans, Kersteloot, christelijk, christenheid.
BWVL (a).
CDe spellingen e, a en o zijn verregaand gelijk verdeeld zoals op de derde-kaart. De u is nu ook te vinden in het oosten van Zuid-Holland.
DAAR V (ae).

 

KAART 23: KERKE/KARKEaant.

 

AKerk (appellatief en in plaatsnamen) en de samenstellingen kerkhof en kerspel.
BKGV (e), KHB (e), WVL (e), ZEE (e2).
CBehalve in het Limburgs-Nederrijns ontwikkelde i vóór r + consonant zich tot e en in het westen sporadisch ook tot a.
DKHB II (ee), rekkingen ook in het jongere Zuidwestbrabants.
EV. Haverbeke 1955, 56; Hoebeke 1968, 197 en 477; Jacobs 1911, 64-65; Klankleer §§ 8 en opm, 52; V. Loey 1937, 164-170; Willemyns 1971, 174.

4.1.2.1.2. Willem/Willam

KAART 24: WILLEM/WILLAMaant.

 

AWillem en zijn verbogen vormen.
BKGV (e), KHB (e), VAM (e), VLA (e), ZEE (e4).
CHoe de typische Hollandse vorm Willam in de tekst van ODA XIV terechtgekomen is, kunnen we evenmin verklaren als Hoebeke. Van Loey schrijft de a aan Romaanse invloed toe.
DDOR VII (wilamens - genitief, als a opgenomen).
EHoebeke 1968, 198; Klankleer § 2 opm. 3.

4.1.2.2. Nnl. ε correspondeert met mnl. i

In een lange reeks woorden met nnl. ε verschijnt in het mnl. een i. In Van Loey's Klankleer worden deze gevallen behandeld in § 15. Zoals uit de kaarten blijkt mogen deze ontwikkelingen geenszins allemaal over één kam geschoren worden. In de rangschikking van de voorbeelden volgen we de grammatica van Van Loey.

 

KAART 25: GELDEN/GILDENaant.

 

AGelden (inf., presensvormen meerv., part. pres.) en zijn afleidingen. De 3de pers. enk. pres. komt onder D ter sprake.
BKGV (e), KHB (e3), VAM (e2), VLA (e), WVL (e).
CDe Zuidbrabantse vocaal i in gilden is misschien ontstaan doordat de brekingsvocaal i in vormen als hi gilt (zie D) analoog in de infinitief en de meervoudsvormen presens binnengedrongen is10), terwijl in de overige streken de analogie in omgekeerde richting werkte.
De merkwaardige ei van LEF II blijft niet tot deze ene scribent en tot dit ene woord beperkt (zie b.v. ook sterven en met), maar komt ook nog na de 13de eeuw te LEF voor.
[p. 56]
Van Loey verklaart deze ei met een mouillering van de volgende 1, die ook nog in de moderne Brabantse dialecten te horen is. Het verschijnsel blijft echter niet tot de positie vóór 1 beperkt. Misschien wijst de ei op een diftongische of lange realisatie en is hij zodoende te vergelijken met de ee-spelling bij KHB II.
DIn de 3de pers. enk. pres. trad oorspr. breking op, die tot de vorm hi gilt leidde.
Sporen daarvan vonden we alleen te MEC en te OUD, in de schrijfcentra AAR, ASN, BOE, BRG, DAM, DOE, DOR, GEN, GER, HES, HOE, HOL/KGH, HUL, MAA, MAL, MID, OBG, ODA, ROE, UTR, VOR en ZOT staat steeds hi gelt. Opvallend is nog geilt bij BRE I.
EV. Loey 1937, 168; Vormleer § 49d.

 

KAART 26: DENKEN/DINKENaant.

 

A(Ge-) denken (inf., presensvormen meerv., part. pres), gedenkenis, gedenkelijk.
CDe ontwikkeling van deze (uit een oorspr. a) tot i blijkt van een andere aard te zijn dan die van de ë in gelden. Het gesloten vocalisme treedt vooral in het zuidwesten op, waar ook in de moderne dialecten e vóór nk vernauwd wordt, verder ook in Zuid-Brabant en Zuid-Limburg.
Het is niet uitgesloten dat de i bij de handen KGH XV en XIX aan vreemde invloed toegeschreven dient te worden. Beide schrijvers spellen doorgaans e. KGH XIX is al eerder door Vlaamse of andere ongewone spellingen opgevallen.
DVan ei-spelling (zie 4.1.2.6) zijn in ons materiaal geen sporen voorhanden.
EKlankleer § 15b en opm. 1; Kluge 1975, 127; V. Loey 1937, 171; Taeldeman 1979b, 55 en kaart 6.

 

KAART 27: BRENGEN/BRINGENaant.

 

ABrengen (inf., presensvormen meerv.; 3de pers. enk.).
BKHB (e), ZEE (i).
CBrengen wordt in de Klankleer niet vermeld maar gelijkt in zijn geografische verdeling van e en i duidelijk op denken. Onduidelijk is de etymologie van brengen. Kluge neemt een dubbele herkomst aan: een oud sterk werkwoord met i-stamvocaal dat ook zwakke imperfectumvormen naast zich had en een jongere, analoog gevormde zwakke infinitief met uit a. Voor het mnl. is de laatste mogelijkheid waarschijnlijkst.
De vormen met i, ook in de 3de pers. enk., zijn overwegend zuidwestelijk. In het centrum HOL/KGH lijken ze tot de oudste periode te behoren (HOL II, KGH I en VIII). In het laatste decennium vinden we i (naast e) alleen nog bij KGH XIX.
EBesch 1967, 95-96 en kaart 11; V. Haverbeke 1955, 69; Hoebeke 1968, 191-192; V. Kienle 1969, § 211 Anm. 2; Kluge 1975, 101; V. Loey 1937, 171; Taeldeman 1979b, kaart 6; Willemyns 1971, 263, 267-268.

 

KAART 28: KENNEN/KINNENaant.

 

AKennen (inf., presensvormen meerv.), kennelijk, kenning, kennis.
BKGV (e2), KHB (i), VAM (e), WVL (e), ZEE (e4).
CTen oosten van de Denderlijn vinden we in het mnl. evenals in de moderne dialecten veelal vernauwing tot i. Buiten ons materiaal is de i ook geattesteerd voor OUD en in het jongere Zuidwestbrabants.
DASN III (ee); TIE I (ij).
EGoemans 1897-1898, 30, 67 en 178; Hoebeke 1968, 196-197; V. Loey 1937, 171; Weijnen 1937, § 14.

 

KAART 29: RENTE/RINTEaant.

 

ARente, renten (inf., presensvormen meerv.)
[p. 57]
BKGV (e), ZEE (e2).
CVernauwing van e tot i komt alleen voor bij MEC XVII, die echter ook e spelt. Hand KLE III schrijft ei (zie 4.1.2.6).
EKlankleer § 15 opm. 1.

 

KAART 30: LETTER/LITTERaant.

 

ALetter.
BKGV (e2), KHB (e2), VAM (e3), VLA (e), WVL (e), ZEE (e6).
CBij het woord letter wordt op de kaart geen gesloten i-landschap zichtbaar. Met het oog op enkele i-spellingen bij de 14de-eeuwse klerken uit OUD kunnen we echter vermoeden dat de i in hoofdzaak Zuidhollands, Utrechts, Limburgs en Zuidoostbrabants is. In het westen komen evenwel ook i-vormen voor, zoals te BRG en te MID.
Er dient nog aangemerkt te worden dat de etymologie van letter niet onomstreden is. Als het woord rechtstreeks uit het Latijnse littera werd ontleend, dan bevat het een oorspr. i, als de ontlening echter via het Franse lettre is verlopen, wat algemeen wordt aangenomen, dan ligt aan het mnl. vocalisme een e ten grondslag. Voor deze laatste mogelijkheid pleit b.v. de overeenkomst met kaart 34 (wet/wit).
DBRG II (ii).
EFranck-v. Wijk 1912, 380; De Vries 1971, 394.

 

KAART 31: MET/MITaant.

 

AMet (voorz. en bijw.).
BKGV (e2), KHB (e3), VAM (e4), VLA (e2), WVL (e), ZEE (e5).
CNiet uitsluitend Hollands, maar wel beperkt tot de streek boven de Maas is de i in met. In jongere documenten komt deze i echter ook in Brabant en Limburg voor, b.v. bij de 14de-eeuwse klerken uit OUD.
Het is merkwaardig dat de i, die in Holland waarschijnlijk wel uit de spreektaal afkomstig was, in de oorkonden uit HOL/KGH relatief zelden aangetroffen wordt. Bij dit zeer frequente woord wordt de i blijkbaar door de schrijftaalnorm uit het zuiden verdrongen.
De unieke vindplaats met i te BRG is van hand II, dezelfde die ook li(i)tter schrijft. Hij behoort dus tot de oudste periode van de schriftelijke overlevering van het Brugs.
DLEF III (meit - rekking?).
EHeeroma 1935, 29, 108 en kaart 18; Klankleer § 15 en Aant.

 

KAART 32: RECHTER/RICHTERaant.

 

ARechter (subst.).
BVAM (e).
CDe vermoedelijk etymologisch oorspr. i in rechter is alleen voorhanden te HEV en OUD, zodat we blijkbaar een tegenstelling met e in het westen en i in het oosten krijgen. Of de tekstsoort (het document uit HEV is een afschrift, dat uit OUD een akte) hierop invloed uitoefende is niet uit te maken.
EFranck-v. Wijk 1912, 538.

 

KAART 33: WELK/WILKaant.

 

AWelk.
BKGV (e2), KHB (e), VAM (e4), VLA (e2), WVL (e), ZEE (e3).
CDe vernauwing van e tot i is blijkens kaart 33 een eigenaardigheid van het Kustmnl. Merkwaardig is dat van deze i in jongere mnl. teksten weinig of geen sporen meer bewaard zouden zijn (Willemyns).
[p. 58]

De voor VEU gedocumenteerde vorm met geronde klinker en al of niet gevocaliseerde l is in West-Vlaanderen nog steeds in gebruik.
DHEV II, LEF II (weelk), LEF III (weilk).
EV. Haverbeke 1955, 51-52; Hoebeke 1968, 196-197; Jacobs 1911, 98; Klankleer §§ 12 opm., 52 opm. 2; V. Loey 1937, 172; Taeldeman 1979b, 53-54 en kaart 5, 103-104 en kaart 50. Willemyns 1971, 268.

⊊sp

KAART 34: WET/WITaant.

⊊sp

AWet, wetachtig, wettelijk, wettig.
BKGV (e), KHB (e1/i1), VAM (e2), ZEE (e).
CWit is Brabants, Limburgs en Hollands. Bij een vergelijking met met valt op dat i in HOL/KGH niet door het zuidwestelijke vocalisme werd verdrongen. Waarschijnlijk is dit het gevolg van de geringere frequentie van wet, waardoor de schrijftaalnorm minder vat kreeg op de spelling.
De rekking in weet en wetelike bij Vlaamse en Zuidbrabantse scribenten kan teruggaan op vormen waarin de vocaal van de oorspr. tweede lettergreep tussen twee dentalen nog niet was uitgestoten (onfr. witat, witut). Hun verspreidingsgebied is opvallend kroonvormig.
DDOR VIII (wiit naast wit).
EFranck-v. Wijk 1912, 790; Hoebeke 1968, 190, 197; V. Loey 1937, 174, 182.

4.1.2.3. Nnl. ε correspondeert met mnl. ü

Voor de ronding van e tot ü (type scelp/sculp)11), zijn in ons materiaal nauwelijks bewijsplaatsen te vinden. In het werkwoord helpen (inf., presensvormen indic. meerv., presensvormen conj.) verschijnt overal e12); aan hulpen bij KGH XIX (CG nr. 1240), dat na de constructie ware dat zake dat ongetwijfeld als een conj. pret. begrepen moet worden, ligt een andere ablautklinker ten grondslag13).

4.1.2.4. Nnl. ε correspondeert met mnl. o

Vóór r + dentaal treedt in de woorden derde, kerst e.a. een o op. We verwijzen hier naar de kaarten 21 en 22.

4.1.2.5. Nnl. ε correspondeert met mnl. ē

Rekking van e tot ē kan van tweeërlei aard zijn. Vooreerst kan in het oosten evenals bij a (zie 4.1.1.3) in nomina met e de gerekte ē uit de casus obliqui in de onverbogen vorm overgenomen worden14). In ons materiaal treffen we dit verschijnsel alleen bij OUD I aan, die in de datief na een voorz. 2 maal weech naast 38 maal wech spelt, terwijl zijn collega's, de handen II, IV, V en VIII in dezelfde positie steeds een korte klinker schrijven. Goossens bemerkt terecht dat deze voorbeelden niet overtuigen omdat het hier ook om een klankwettige datief met apocope van de eind-ə kan gaan.

Een tweede vorm van rekking is die van e (of oorspr. i) vóór bep. consonanten en consonantclusters. We kunnen hier verwijzen naar de kaarten 16, 17, 18 en 20 (e > ē), 23 (i > ē) vóór r + cons., kaart 25 en de commentaar bij kaart 33 (e > ē) vóór 1 + cons. en de commentaar bij kaart 28 (e > ē) vóór gedekte nasaal, terwijl dergelijke rekkingen sporadisch ook elders ter sprake kwamen. We gaan hier alleen nog op het voorbeeld helft nader in.

[p. 59]

KAART 35: HELFT/HEELFTaant.

 

AHelft en zijn samenstellingen.
BKGV (e), VLA (e), WVL (e).
CDe rekking van e (uit oorspr. a) in helft is Oostvlaams. De spellingen heleft en helecht, waarbij niet uitgemaakt kan worden of in de eerste syllabe een lange of een korte klinker bedoeld wordt (svarabhaktische e in de 2de lettergreep?) hebben we bij het samenstellen van de kaart buiten beschouwing gelaten. Behalve in Oost-Vlaanderen vinden we ze bij klerken uit GRI, KHB en MEC, dus niet ver van het heelft-gebied verwijderd.
DMEC XV (heeft - schrijffout, elders steeds helft).
EV. Haverbeke 1955, 52-53; Hoebeke 1968, 194-195; Jacobs 1911, 41; Klankleer §§ 12, 52 en opm.; V. Loey 1937, 170; Taeldeman 1979b. 86.

4.1.2.6. Nnl. ε correspondeert met mnl. ei

Op mouilleringen bij e vóór n of l + cons. hebben we al eerder gewezen (vgl. gelden, rente). We vullen dit hoofdstuk nog aan met het voorbeeld mens. Een mnl. ei ontstaan uit -eg- vinden we in het volt. deelw. van zeggen. De eigennaam Henric/Heinric tenslotte, waarvan de etymologie niet helemaal duidelijk is, behandelen we op kaart 148 in de appendix.

 

KAART 36: MENS/MEINSaant.

 

AMens.
BKHB (e).
CDe spelling ei in mens is zelden en treedt alleen op te Gent en te Brugge. De enige Brugse klerk die ei spelt, hand XXII, gebruikt zelf (zoals 30 van zijn collega's) ook e.
EV. Haverbeke 1955, 41; Hoebeke 1968, 199; Jacobs 1911, 41; Klankleer § 15 opm. 1; V. Loey 1937, 170; Taeldeman 1979b, 54-55, 87, 105-106.

 

KAART 37: GEZEIT/GEZEGETaant.

 

AVolt. deelw. van zeggen en zijn samenstellingen.
BKGV (ei2/ē1), KHB (ei1/ē1), VAM (ei2), VLA (ei), WVL (ei), ZEE (ei5/ē1).
CGezeit is overal de gewone vorm voor het volt. deelw. van zeggen, maar alleen in het Vlaams en het Zuidwestbrabants ondervindt het geen concurrentie van gezeget of gezeecht (met syncope van e). De huidige vorm gezegd treedt vooral op in Brabant (ook bij KHB II) en Limburg, een enkele keer ook bij KGH II (dictaat van Aleit van Henegouwen? Is de scribent een Hollander? Vgl. 1.3.3.5.1).
DAAR XIV, BRG XVIII, XXII en L, KGH VII, MEC VII, OED I (gesede); RUM I (gesede of geseide); ASN IV (gesiede - schrijffout?); KGV I, KGH XIX en XXIX (gezeecht - zie kaart).
EKlankleer § 93; Schönfeld-v. Loey 1970, $ss 64; Vormleer § 54 opm. 3 Aant.

4.1.3. Nnl. I en mnl. i

In de correspondentie nnl. I = mnl. i zijn twee afwijkingen te registreren, nl. gevallen waarin aan nnl. I in het mnl. een e of een ü beantwoordt.

4.1.3.1. Nnl. I correspondeert met mnl. e

Preterita van reduplicerende werkwoorden die in het nnl. I en in het mnl. e hebben (type ik ving/ic venc)15) kunnen vanuit de 13de-eeuwse oorkonden niet voldoende

[p. 60]

gedocumenteerd worden. We beperken ons hier daarom tot de gevallen die Van Loey in § 9 van zijn Klankleer behandelt.

 

KAART 38: APRIL/APRELaant.

 

AApril.
BDe vormen met e zijn in Zeeuws-Vlaanderen en Holland te vinden. Ronding van i tot ü treedt op in Zuidoost-Vlaanderen en Zuidwest-Brabant, maar om over de omvang van dit verschijnsel precieze uitspraken te doen is de kaart te zwak bezet.
EHoebeke 1968, 206-207; Jacobs 1911, 82; Klankleer § 23.

 

KAART 39: BISSCHOP/BESSCHOPaant.

 

ABisschop.
BKHB (i).
CZowel de e als de geronde ü zijn uitsluitend in het Goederenregister van Oudenbiezen te vinden.
DDOR III, HOL XII, MAA I (bysscop - bij DOR III en MAA I ook bisscop).
EHoebeke 1968, 207; Jacobs 1911, 88; Klankleer § 23; Willemyns 1971, 273, 275-278.

 

KAART 40: LICHT/LECHTaant.

 

ALicht (subst.) en de samenstelling lichtmis.
BKHB (i).
CDe vorm lecht schijnt een Noordvlaams-Zeeuwse karakteristiek te zijn. Ronding tot lucht is niet gedocumenteerd.
DKGH XXII (liicht - rekking?).
EV. Haverbeke 1955, 66; Klankleer § 23 en opm. 2; Taeldeman 1979b, 57-58; Willemyns 1971, 274.

 

KAART 41: MISSE/MESSEaant.

 

AMis (subst.) en zijn samenstellingen (bamis, lichtmis, enz.).
BKGV (e), KHB (e), VLA (e), WVL (e).
CMisse komt in Holland, Utrecht, Brabant en - blijkens een aantal jongere spellingen uit OUD - ook in Limburg voor. In het zuiden overheerst e.
EV. Haverbeke 1955, 66-67; Hoebeke 1968, 203; Jacobs 1911, 88; Willemyns 1971, 265 en 269-270.

 

KAART 42: IS/ESaant.

 

ADerde pers. enk. pres. van zijn.
BKGV (e2), KHB (e3/i1), VAM (e3), WVL (e), ZEE (e5).
CNiet in de Klankleer opgenomen maar duidelijk gelijkenis vertonend met het geval misse is de wisseling is/es. Opvallend is dat de klerken uit de KGH overwegend e spellen en de i bijna systematisch verdringen (vgl. ook met/mit). Dit is goed waar te nemen bij de handen KGH VII en VIII, die in hun oudste documenten (CG nr. 556 resp. 308, d.i. een akte) allebei i spellen maar later definitief op e overstappen. Alleen de handen XXIX, XXX en XXXI gebruiken in jongere teksten nog is, echter steeds afwisselend met es.
DBuiten beschouwing gelaten werden de meest door enclise van het ontstane vormen met ee en ei (eest, eist). GEN I (és - met accent).
EV. Haverbeke 1955, 66-67; Vormleer § 74.
[p. 61]

KAART 43: MIN/MENaant.

 

AMin(der), minderen, mindering, minderbroeder.
BVAM (i), ZEE (i).
CDe opening van i tot e in min is Zuidoostvlaams, Zuidwestbrabants en Limburgs.
DDOR III, NIE I, ODA X, SIJ I (miin, mijn); GEN I (mín - met accent), OBG V (mien). In jongere Zuidwestbrabantse documenten komt ook mein voor. Voor de epenthetische d in minder, zie 4.2.5.
EHoebeke 1968, 205; Jacobs 1911, 83; V. Loey 1937, 167.

 

KAART 44: WISSELING VAN i EN e VOOR GEDEKTE NASAALaant.

 

ACombinatiekaart voor de woorden binnen (voorz. en bijw.), kind (en verbogen vormen), twintig, winter.
BKGV (i), KHB (i2/e1), VAM (i3), VLA (i), ZEE (i).
CEvenals in min blijkt de ontwikkeling van i tot e in de genoemde woorden Oostvlaams, Brabants en Limburgs te zijn. In twintig (met een oorspr. e) vinden we e ook bij KGH VII en een gerekte klinker (tveentech) bij BRE VII; e en ee komen in het 14de-eeuwse Brabants vaker voor.
EFranck-v. Wijk 1912, 716; Hoebeke 1968, 206; Jacobs 1911, 83, 87-88; Klankleer § 23 opm. 2; V. Loey 1937, 170-172.

 

KAART 45: LIGGEN/LEGGENaant.

 

ALiggen (inf., presensvormen meerv., part. pres.).
BKHB (i), VAM (i2), VLA (i2).
CDe kaart geeft de indruk dat leggen niet uitsluitend in het Hollands voorkomt, maar aan een ingeweoonse ontwikkeling toe te schrijven is. Van Haverbeke denkt aan invloed van de velaire consonant of van het werkwoord leggen (dt. legen).
DOUD I, II, III, VI en VIII (ligen), KGH VIII en XI, OUD III, UTR II (legen)16).
EV. Haverbeke 1955, 66; Heeroma 1935, 13-14, 103 en kaart 4; Jacobs 1911, 82; Klankleer § 9 opm.; RNDA vragenlijst 120.

 

KAART 46: SINTE/SENTEaant.

 

ASint.
BKGV (i), KHB (e3), VAM (e3), VLA (e2), WVL (i), ZEE (e4/i1).
CDe grote verscheidenheid in de spelling van sint (zie D) is misschien ontstaan doordat het woord enerzijds direct uit het Latijn en anderzijds door bemiddeling van het Frans is ontleend, waarna het vocalisme al dan niet verschillende inheemse fonetische ontwikkelingen onderging. De geografische spreiding van i en e is zeer complex en nauwelijks met de overige i/e- alternanties te vergelijken. Ronding tot ü (sunte) treedt sporadisch op in het Brabants, Limburgs, Hollands en Nederrijns.
DAAL X, ANT I, BRS I, GRA I (ai); BRE I (o); LEI I (a); MEC XXVI (ij - rekking); OWI I, TON I (ei).
EFranck-v. Wijk 1912, 609; Jacobs 1911, § 57; Klankleer §§ 9, 16; V. Sterkenburg 1982, 7.

 

KAART 47: (N)IMMER/(N)EMMERaant.

 

AImmer, nimmer, nimmermeer, nimmeer.
BKGV (e1/i1), KHB (e1/i1), VAM (e), ZEE (e).
[p. 62]
C(N)immer is duidelijk in de minderheid tegenover de vormen met e en komt sporadisch voor in het noordwesten van Vlaanderen, in Zuid-Brabant en Holland. De twee schrijvers met i in de KGH zijn de handen XIX en XXIX. Nummer is niet uitsluitend oostelijk.
DGRA I (numer, nemer); KGH VII (nommer naast e en u).
EKlankleer § 16; Willemyns 1971, 274, 278.

4.1.3.2. Nnl. I correspondeert met mnl. ü

Rondingen van i of e tot ü17) kwamen reeds occasioneel ter sprake (zie de kaarten 38, 39, 46, 47). We kunnen dit hoofdstuk hier nog aanvullen met gulde voor nnl. gilde bij MEC I en vooral met de ridder/rudder-kaart.

 

KAART 48: RIDDER/RUDDERaant.

 

ARidder (appellatief en in eigennamen en plaatsnamen) en zijn samenstellingen en afleidingen.
BKGV (i), KHB (i2), VAM (i), VLA (i), ZEE (i2/u4).
CRudder verschijnt slechts uitzonderlijk buiten het Kustwestvlaams en het Zeeuws en heeft de vorm redder naast zich. Hand HOL XII schrijft één keer u naast talrijke vormen met i en staat daarmee alleen tegenover 17 klerken in HOL/KGH die alleen ridder kennen. We mogen hier dus import uit het zuidwesten aannemen.
DKGH VII (rider - schrijffout of oude î?).
EHoebeke 1968, 207; Jacobs 1911, 104-105; Klankleer § 23; Willemyns 1971, 274-275.

4.1.4. Nnl. Λ en mnl. ü

Aan een nnl. Λ beantwoordt niet steeds de mnl. pendant ü. In plaats daarvan komen in het mnl. ook i, e, o, ou en illustratie resp. ē voor.

4.1.4.1. Nnl. Λ correspondeert met mnl. i

Bij de ontronding van ü tot i moeten 2 verschillende ontwikkelingen onderscheiden worden. Vooreerst treedt in een viertal eilandvormige gebiedjes (aan de Dender, de Rupel, de Dijle en in Belgisch-Limburg) algehele ontronding op, waardoor de reeks geronde voorklinkers verdwijnt en de foneeminventaris aanzienlijk van ons referentiesysteem verschilt18). Anderzijds vond in het westen bij een reeks woorden ontronding van umlauts-ü plaats zonder dat de ü daardoor evenwel volledig uit het systeem verdween. Het product van deze z.g. ingwaeoonse ontronding kan i of e zijn19). We illustreren dit verschijnsel aan de hand van de woorden brug, put en stuk.

Omgekeerd kan de correspondentie ‘mnl. i = nnl. Λ’ ook door ronding van een oorspr. i ontstaan zijn, die in het mnl. bewaard was. Een voorbeeld hiervan is nnl. tussen.

 

KAART 49: BRUGGE/BRIGGEaant.

 

ABrug (appellatief en in plaatsnamen), Brugs (adj. ‘uit Brugge’).
BVLA (u1/i1), WVL (i).
CDe ontronding van ü tot i is westelijk. Van de vermelde ontrondingseilandjes is op de kaart niets te zien omdat vindplaatsen uit die streken ontbreken. Het ontrondingsproduct e is blijkbaar Hollands.
[p. 63]
DMet het oog op de verschillende etymologie van appellatief en plaatsnaam (zie Gysseling 1971) geven we hier een volledig overzicht van de verhoudingen bij de appellatieven: AAR (u2), BRG (u2), DOR (u3/i1/e1), EVE (u), GEN (u2/i6), HUL (i), KGH (i1/e1), MAA (u), MAL (u1/i1), MEC (u2), OBG (u), ODA (u3), OUD (u), SMG (u), TON (u). Verschillend vocalisme van appellatief (met u) en plaatsnamen (met i) constateren we alleen bij hand EVE II.
EANKO 1, 39-46, kaart 4; Gysseling 1971; Gysseling 1975, 41; V. Haverbeke 1955, 24-27; Heeroma 1935, 12, 86-87, kaarten 2 en 24; Hoebeke 1968, 222; Jacobs 1911, 153; Klankleer §§ 19, 39; Schönfeld-v. Loey 1970, § 46; Taeldeman 1979b, 58; Vangassen 1961, kaart 1; Verstegen 1943, 303.

 

KAART 50: PUT/PITaant.

 

APut (appellatief en in plaatsnamen) en zijn samenstellingen.
BKGV (i).
CDe geografische spreiding van ü en i komt met de brug-kaart overeen, maar e ontbreekt. De Mechelse i, die wel wat ver in het oosten zit, is van hand XXXVII, die daarnaast ook u schrijft.
DDOR I (pyt); OUD III (puͦt - als u opgenomen).
EV. Ginneken 1932c; Jacobs 1911, 155; Vangassen 1961, kaart 1; Verstegen 1943, 302; Weijnen 1966, 226.

 

KAART 51: STUK/STIKaant.

 

AStuk.
BKGV (i), KHB (u2), WVL (i), ZEE (i2).
CMet het ingwaeoonse ontrondingsgebied is hier het Zuidoostvlaams-Zuidwestbrabantse gebiedje met algehele ontronding samengesmolten. Het manifesteert zich als een overgangsgebied. Het Mechelse pit kan dus ook hiertoe behoren.
EGysseling 1975, 41; Hoebeke 1968, 208; Jacobs 1911, 156; V. Loey 1937, 190; Vangassen 1961, kaart 2; Verstegen 1943, 300; Weijnen 1966, 226.

 

KAART 52: TUSSEN/TUISSENaant.

 

ATussen en zijn samenstellingen.
BKGV (u2), KHB (u3), VLA (u), ZEE (u2).
CDe jongere spelling twisken, die in ons materiaal niet voorkomt, laat vermoeden dat achter de Hollandse en Utrechtse ui-vormen geen rekking maar een semivocaal w + i gezocht mag worden. De ronding tot ü heeft zich tegenwoordig overal doorgezet.
EFranck-v. Wijk 1912, 714; Heeroma 1935, 25, 106, kaart 10; Jacobs 1911, 88-89; Klankleer § 23; Schönfeld-v. Loey 1970, § 53.

4.1.4.2. Nnl. Λ correspondeert met mnl. e

De mnl. e als ontrondingsproduct uit ü kwam al eerder ter sprake (zie kaart 49: bregge); zullen/zellen wordt onder 4.1.4.5 behandeld. Daarnaast zijn er ook gevallen waarin een oorspr. e tot ü gerond werd. We bekijken hier het woord zulk en het etymologisch problematische luttel.

 

KAART 53: ZULK/ZELKaant.

 

AZulk.
BKGV (u), KHB (u), ZEE (u2)
CDe ongeronde klinker treedt op in Holland, Utrecht, Zuidoost-Vlaanderen en Zuid-Brabant. Te Oudenaarde schrijft hand XII e, de handen XIV en XV u; na
[p. 64]
1300 wordt er geen e meer aangetroffen. Het zuidelijke e-gebied overlapt het eiland met algehele ontronding zodat een deel van de e's daar symptomatisch voor het ontbreken van een foneem ü kan zijn.
De scribent MEC XXIII maakt een opvallende ontwikkeling van ü naar e door. De overgang gebeurt vrij abrupt tussen mei 1295 en april 1296.
DASS II, BRS I (seker, seler - schrijffouten?); BRE I en VII, HEV II, KGH XI (solc, soelc, soilc); HEU I, WOL I (zeelke, seilke - rekking en/of mouillering?); TON I (suelg); DUI I, DOE II, ELM I en II, KGH III en VIII, ZEE III, ZIE II (zuilc - met ü of ongerond wi? - zie de opvallende parallellie met wilk op kaart 33).
EV. Haverbeke 1955, 52-53; Hoebeke 1968, 248; Klankleer § 23; Schönfeld-v. Loey 1970, § 53.

 

KAART 54: LUTTEL/LETTELaant.

 

ALuttel en zijn afleidingen.
BVAM (e).
CWe beschikken uitsluitend over gegevens uit het zuiden van ons onderzoeksgebied, waar een scherpe grens tussen u en e dwars door Brabant te zien is. Ingewaeoonse ontronding en tendens tot algemene ontronding in de Zuidoostvlaams-Zuidwestbrabantse en Limburgse (OUD) delabialisatiegebiedjes kunnen lettel uit wg. lutila verklaren. Sommige auteurs doen hiervoor echter een beroep op een wg. vorm litila.
De Veurnse u staat in West-Vlaanderen totaal geïsoleerd en is moeilijk te verklaren.
EFranck-v. Wijk 1912, 404-405; Gysseling 1975, 41; V. Haverbeke 1955, 24-27; Hoebeke 1968, 362; Jacobs 1911, 155; Klankleer § 67; Schönfeld-v. Loey 1970, § 45; Stanforth 1967, 94-95; Taeldeman 1971, 171; Willemyns 1971, 143.

4.1.4.3. Nnl. Λ correspondeert met mnl. o

Tot het omvangrijke complex van woorden met ü/o-wisseling (vgl. 4.1.5.3) behoren ook 2 gevallen waarin het nnl. Λ bewaarde, waar het mnl. ook o heeft, nl. burg en bunder.

 

KAART 55: BURG/BORGaant.

 

ABurg ‘burcht’ (appellatief en in plaatsnamen), met zijn samenstellingen en afleidingen.
BKGV (o1/u1), KHB (o3), ZEE (o2/u1).
CVan Loey biedt 2 mogelijke verklaringen voor palataal vocalisme in burg: enerzijds kan in de casus obliqui umlaut van u opgetreden zijn, zodat ü daar alterneerde met de klankwettige o (uit u) in de onverbogen vorm, terwijl anderzijds palatalisatie van de oorspr. u voor r + cons. in het spel kan zijn.
De u-spellingen te TON en MOE (in de laatstgenoemde plaats gebaseerd op de naam Kiburch, vgl. ook berg) kunnen eventueel nog het oorspr. velare vocalisme representeren (dus u i.p.v. ü, zie 4.1.5.4).
DGRI IX, MID I (boerg - rekking?).
EFranck-v. Wijk 1912, 100; V. Haverbeke 1955, 63-64; Heeroma 1935, 26-27, 107 en kaart 14; Jacobs 1911, 150-152; Klankleer §§ 25 opm. 1, 35b en 37; Taeldeman 1971, 184 en 221; Willemyns 1971, 122-131.

 

KAART 56: BUNDER/BONDERaant.

 

ABunder (landmaat) en zijn samenstellingen.
BKHB (o), VLA (o).
CUit het lat. bonnarium (eventueel via het fra. bonnier) ontstond door palatalisatie in het mnl. bunre naast bonre, waarbij de ü in hoofdzaak westelijk is en de o vooral
[p. 65]
Brabants-Limburgs. Spellingen die op rekking wijzen (oe naast o en ue, uu naast u) hebben we op de kaart niet van o resp. u gescheiden.
DODA II (bounre); NIN II (buijnre). Op de epenthetische d wordt onder 4.2.5. nader ingegaan.
EFranck-v. Wijk 1912, 100; V. Haverbeke 1955, 67; Hoebeke 1968, 228; Jacobs 1911, 143-144; Klankleer § 25 en opm. 2.

4.1.4.4. Nnl. Λ correspondeert met mnl. ou

Klankwettig moest het nnl. schuld (met een oorspr. u) in het mnl. in de nominatief scout en in de casus obliqui evenals in het adj. op -ig ü-vocalisme hebben: sculde, sculdich. Door analogiewerking en door jongere apocope van de -e in de casus obliqui is deze regelmaat danig gestoord, dat het vocalisme van schuld moeilijk gekarteerd kan worden. Eenvoudiger en verrassend klaar is de verdeling van ü en ou in het adj. schuldig.

 

KAART 57: SCHULDIG/SCHOUDIGaant.

 

ASchuldig en zijn samenstellingen.
BKGV (u), KHB (u2), VAM (u2), ZEE (u2).
CDe vorm scoldich bij ZIE II en het gesloten ou-front dicht langs de kust laat vermoeden dat de umlaut in het uiterste zuidwesten geen invloed op de klinker in schuldig heeft gehad. Anderzijds pleit het feit dat enkele ou-spellers ook sculdich schrijven20) eerder voor analogiewerking vanuit de klankwettige nominatief scout. In dit laatste geval verrast echter de compactheid van het scoudich-gebied in tegenstelling tot de ondoorzichtige verdeling van ü en ou in het grondwoord schuld en zijn verbogen vormen.
EV. Haverbeke 1955, 48-50; Hoebeke 1968, 227-228; Jacobs 1911, 150; Klankleer § 35b opm. 1.

4.1.4.5. Nnl. Λ correspondeert met mnl. ö, ē en e

Doordat zich in het nnl. de (zuid-)westelijke vorm zullen doorzette, vinden we in dit werkwoord een correspondentie nnl. Λ tegenover mnl. illustratie en ten gevolge van ontronding (?) ook een tegenstelling nnl. Λ tegenover mnl. e en ē.

 

KAART 58: ZULLEN/ZO(E)LENaant.

KAART 59: ZELLEN/ZELENaant.

 

AZullen (inf. en presensvormen meerv.).
BKGV (u2), KHB (ō1/ē3), VAM (u3), WVL (u), ZEE (u7)
CKaart 58 vereenvoudigt de werkelijke toestand in zoverre dat onder het type zo(e)len alle spellingen opgenomen zijn die een vocaal met de eigenschappen gerond en lang laten vermoeden, dus ook zulen, zuelen, sillustratielen, sillustratielen en seulen. De tegenstelling tussen de (zuid-)westelijke vormen met ü en de oostelijke met illustratie komt op kaart 58 duidelijk te voorschijn. De uitzonderlijke u-spelling te Zutfen mogen we wel weer op rekening van de Hollandse destinataris schuiven.
Op de 2de zullen-kaart zijn alleen de vormen met een ongeronde klinker opgenomen. Zelen is vooral Brabants en reikt in het westen tot aan de Dender, de oude grens tussen Brabant en Vlaanderen. Verder westelijk vinden we deze vorm alleen bij de handen BRG XXVII en GEN LXXII, die hem ongetwijfeld uit het oosten hebben geîmporteerd. Zellen is vooral Hollands-Utrechts, maar komt ook wel in Brabant voor.
DDOR III (sollen); OBG II (suulen). Schrijffouten?
EV.d.Berg 1966, 20; Gysseling 1975, 41; Heeroma 1935, 31; Hoebeke 1968, 248-249, 272-273; Klankleer §§ 54, 61 opm. 1; Schönfeld-v. Loey 1970, § 146 IV; Vangassen 1962; Vormleer § 68.
[p. 66]

4.1.5. Nnl. ɔ en mnl. o

Door een hele reeks ontwikkelingen kan het correlaat van nnl. ɔ in het mnl. zeer verschillend zijn. We registreren mnl. a, e, ü, u, ō en ou.

4.1.5.1. Nnl. ɔ correspondeert met mnl. a

Het omgekeerde van het verschijnsel dat we onder 4.1.1.2 besproken hebben, doet zich sporadisch voor bij mnl. o vóór ch(t). We illustreren dit fenomeen aan de hand van het woord mocht. Vóór r + cons.21) troffen we deze ontwikkeling in ons materiaal niet aan.

 

KAART 60: MOCHTE/MACHTEaant.

 

APreteritumvormen van mogen.
BKGV (o2), KHB (o3), VAM (o), ZEE (o).
CAlleen de handen KRT I en MEC II spellen machte. Te ODA, dat tussen beide in ligt, komt noch in de 13de eeuw noch later een a voor, zodat het hier blijkbaar om een zeer geïsoleerd verschijnsel gaat22).
Rekkingen tot ō (oe gespeld bij KGH XIX, XXVII en MID I, oi bij ARK II, BRE I en DOR VIII) komen onder 4.1.5.6 ter sprake.
DBRS I en II (mouchte); KGH XIX, TON I (muchte, mvchte).
EHoebeke 1968, 217; Klankleer §§ 2 opm. 4, 32; Vormleer § 67 en Aant.

4.1.5.2. Nnl. ɔ correspondeert met mnl. grafie e (sjwa?)

Voorbeelden met een e i.p.v. o vóór r + cons. (type worst/werst)23) komen in ons materiaal niet voor. Wel vinden we een spelling e waar een o verwacht kon worden in samenstellingen met oorkonde.

 

KAART 61: OORKONDE/OORKENDEaant.

 

AOorkonde (simplex en samenstellingen), oorkonden (inf. en presensvormen meerv.).
BKGV (o), KHB (o2/u1), VAM (o3), VLA (o2), WVL (o), ZEE (o3).
CKaart 61 loopt in zijn thematiek en zijn manier van karteren op de wisseling ɔ/ü (4.1.5.3) vooruit. Behalve bij ANT I, die ook in het simplex orcende spelt, komt e alleen in de samenstelling oorkondschap voor. Gezien de zwakke klemtoon mag deze e waarschijnlijk als sjwa geïnterpreteerd worden.
EKlankleer § 97d.

4.1.5.3. Nnl. ɔ correspondeert met mnl. ü

Uit wg. u kan vóór een umlautsfactor in de regel een ontwikkeling tot mnl. ü en in andere omgevingen tot mnl. o verwacht worden. In werkelijkheid komen echter alle denkbare afwijkingen voor: in het oosten blijft soms de oppositie uo bewaard (zie 4.1.5.4), eveneens in het oosten ontbreekt soms de klankwettige umlaut (dus mnl. o i.p.v. ü, zie 4.1.4.3), in het westen treden ook z.g. spontane palatalisaties op24). In het bijzonder op dit laatste verschijnsel, waarbij de spreiding van o en ü van woord tot woord verschillend blijkt te zijn, gaan we hier nader in25).

[p. 67]

KAART 62: BOS/BUSaant.

 

ABos (appellatief en in plaatsnamen).
BKHB (o2).
CDe spontane palatalisatie in bos is Vlaams en Hollands.
DV. Haverbeke 1955, 22-24; Hoebeke 1968, 214-215; Jacobs 1911, 145; Klankleer § 25b; Taeldeman 1971, 185-186 en kaart 1; Willemyns 1971, 122-123.

 

KAART 63: VOL/VULaant.

 

AVol en zijn samenstellingen en afleidingen.
BKGV (o1/u1), KHB (o2), VAM (u), ZEE (ú).
CMet uitzondering van VEU heeft het zuidwesten tot aan de Dender consequent ü, ook Zeeuws-Vlaanderen waar ten gevolge van bijzondere historische ontwikkelingen26) tegenwoordig vol gesproken wordt. Ten oosten van de ü/o-lijn vinden we vul nog bij de handen MEC XXIII en PER I, waar we vermoedelijk westelijke invloed mogen aannemen.
Het Tongerse vullinge (hand I) zal wel door umlaut verklaard moeten worden. De Limburgse dialecten hebben in vol steeds klankwettig o.
DHOL XII (voel - rekking?).
EDupont 1922, 134; Goemans 1897-1898, 121; Grootaers 1908-1909, 150; V. Haverbeke 1955, 22; Hoebeke 1968, 226-227; Jacobs 1911, 144; Klankleer § 25b; RNDA vragenlijst 62; Taeldeman 1971, 188-189 en kaart 2; Willemyns 1971, 125-126.

 

KAART 64: OP/UPaant.

 

AOp (voorz. en bijw.) en zijn samenstellingen.
BKGV (u), KHB (o3/u1), VAM (u2), VLA (u), WVL (o), ZEE (o1/u5).
CAls het Oostvlaamse up niet aan westelijke schrijftaalinvloed toegeschreven dient te worden, dan heeft de op/up-lijn zich sinds de 13de eeuw naar het westen verplaatst. Tegenwoordig valt zij ongeveer met de grens tussen Oost- en West-Vlaanderen samen. Van het Centraal-Westvlaamse ip zijn in de oorkonden geen sporen bewaard. Interessant is op in het ‘verre westen’ (DUI, MER, VEU en - met het nodige voorbehoud - WVL), dat tot vandaag de dag bewaard is. De vorm vol te VEU laat vermoeden dat o daar oorspr. niet uitsluitend in op voorhanden was. Langs de hele kunstlijn tot in Zuid-Holland blijkt de ingwaeoonse palatalisering te vinden te zijn, al komt in Holland vaak op voor. Tegenwoordig is up er verdwenen.
De oostelijke up-stellingen zullen waarschijnlijk een u en geen ü representeren (zie ook 4.1.5.4), waarmee dit gebied aan het Nederduits aansluit.
DGEN I (óp); MER I, VOO II (ope).
EV. Haverbeke 1955, 22-24; Heeroma 1935, 28, 107 en kaart 13; Hoebeke 1968, 237-247; Jacobs 1911, 145; Klankleer § 25b; Lasch 1974, § 184; Peters 1973, 96; Taeldeman 1971, 193-195, 221-234 en kaart 4; Vangassen 1963, kaart 1; Wethlij 1980, 301, 314-315; Willemyns 1971, 124, 129-131.

 

KAART 65: ONDER/UNDERaant.

 

AOnder (voorz. en bijw.) en zijn samenstellingen.
BKGV (o), KHB (o), VAM (o), WVL (o), ZEE (o2).
COp deze eerste van 4 kaarten met oude u vóór n + d is de grafie u tot het Limburgs-Nederrijns beperkt. In die streek komt sporadisch u-uitspraak voor.
[p. 68]

In de Sittardse oorkonden behoort de u-spelling tot de 15de eeuw en kan door oostelijke schrijftaalinvloed verklaard worden. De Gentse u van hand I is ongetwijfeld een archaïstische spelling.
EJacobs 1911, 143; Klankleer § 25a opm. 1; RNDA vragenlijst zin 120; Wethlij 1980, 300 en 314; Willemyns 1971, 132.

 

KAART 66: KOND/KUNDaant.

 

AKond.
BKGV (o2), KHB (o4), VAM (o), ZEE (o4).
CDe u-spelling in kond, waarin eventueel een umlautsfactor heeft meegespeeld, blijft niet beperkt tot het Limburgs-Nederrijns maar treedt ook in Zuid-Holland op. In oorkonde (kaart 61) vonden we deze u-grafie ook in Brabant en Vlaanderen.
DVOO II (koend).
EFranck-v. Wijk 1912, 335; V. Haverbeke 1955, 23; Hoebeke 1968, 215; Klankleer § 35.

 

KAART 67: ZONDER/ZUNDERaant.

 

AZonder (voorz. en voegw.), zonderling, bijzonder.
BKGV (o), KHB (o3), VAM (o), ZEE (o2).
COok in zonder moet met de invloed van een eventuele umlautsfactor rekening gehouden worden. De verdeling van o en ü is met die op kaart 66 vergelijkbaar. De Gentse u-spellingen zijn weer van de oudste handen GEN I en II (telkens naast o).
DOBG V, UTR XII (soender).
EFranck-v. Wijk 1912, 826; V. Haverbeke 1955, 23; Klankleer § 35; Wethlij 1980, 300, 314; Willemyns 1971, 133.

 

KAART 68: HONDERD/HUNDERDaant.

 

AHonderd(ste) en zijn samenstellingen.
BKGV (o2), KHB (o2), VAM (o3), VLA (o2), ZEE (o5).
CDe u-spellingen zijn oostelijk en Hollands-Utrechts.
EJacobs 1911, 143, 146; Klankleer § 25a en opm. 1; Willemyns 1971, 132.

 

KAART 69: ONS/UNSaant.

 

AOns(e) (pers., refl. en bezittelijk vnw.).
BKGV (o2), KHB (o4), VAM (o3), VLA (o3), WVL (o), ZEE (o7).
CIn de oostelijke dialecten en in het Utrechts, een enkele keer in het Brabants en bij de oudste scribent uit Gent vinden we uns i.p.v. ons. In het moderne Limburgs staan (vooral in de Maasstreek) us en ons naast elkaar. De noordoostelijke uns-spellingen kunnen bij het mnd. aansluiten dat uns en us heeft.
In ons materiaal treedt us alleen in de tekst uit Ter Duinen op, waar het echter mede bepalend voor de lokalisering van de tekst is geweest en dus van geringe betekenis moet blijven. De enkele uns-spelling te BRG is van hand XXXIX.
DBRE I (oi naast o); GEN XIX, LXXII, UTR XII, ZEG I (oe meestal naast o); KGV I (oo naast o); UTR XII (vi naast o en v).
EV. Haverbeke 1955, 23; Jacobs 1911, 143; Klankleer §§ 25a en opm. 1, 90; Lasch 1974, §§ 403, 405; Peters 1974, 100; RNDA kaart 123; Vormleer § § 26g, 30 opm. 2; Wethlij 1980, 300, 314; Zelissen 1969, 157, 200-209.
[p. 69]

KAART 70: JONG/JUNGaant.

 

AJong, jonkvrouw.
BKHB (u), VAM (u).
CVóór nasaal + velaar in jong wijkt de spreiding van o en ü blijkbaar niet erg van die vóór nasaal + d (b.v. in zonder) af.
EHoebeke 1968, 215; Jacobs 1911, 143; Klankleer § 25a en opm. 1; Willemyns 1971, 132, 134-135.

 

KAART 71: VONNIS/VUNNISaant.

 

AVonnis.
BKGV (o), KHB (o2).
CDe spelling u blijft beperkt tot Oost-Brabant en Limburg.
DMEC XVIII (voentnisse).
EJacobs 1911, 143; Klankleer § 25a en opm. 1.

 

KAART 72: OMME/UMMEaant.

 

AOm (voorz. en bijw.) en zijn samenstellingen.
BKGV (o2), KHB (o4), VAM (o3), VLA (o), WVL (o), ZEE (o4).
CDe spreiding van o en ü vóór oorspr. m + b verschilt weer niet wezenlijk van die vóór n + d. De middeleeuwse spelling is ook hier weer hinderlijk voor een inzicht in het kaartbeeld. De o-grafie, die een velare klinker laat veronderstellen, kan zowel de westelijke o als de Brabantse u representeren, waarbij de afwijkende u-spellingen in MEC en RUM symptomatisch zouden kunnen zijn27). Anderzijds kan zich achter het u-teken dat we geneigd zijn als een palatale klinker te interpreteren in een deel van Limburg ook een velare klinker verbergen28).
DGEN VI (oem); VLO I en WAA I (ome).
EHoebeke 1968, 216-217; Jacobs 1911, 143; Klankleer § 25a opm. 1; Taeldeman 1971, 203-204, kaart 17; Vangassen 1963, 149-151, kaart 1; Wethlij 1980, 297-298.

 

SAMENVATTING: Mnl. ü (of u) i.p.v. mnl. o

 

Uitgaand van de geografische verdeling van de grafieën o en u kunnen de kaarten 62-72 in drie groepen verdeeld worden. De kaarten 62-64 (bos, vol, op) en ook kaart 134 (donderdag) illustreren met een telkens verschillend breed uitvallende u-strook langs de kust de westelijke palatalisatie van wg. u tot mnl. ü. Op de kaarten 66-68, 70 en 72 (kond, zonder, honderd, jong, om) verschijnt een u-landschap dat met wisselende omvang het noorden en het oosten van de kaart bestrijkt. De u-spelling is hier minder gemakkelijk te interpreteren. De moderne dialecten laten vermoeden dat er in het oosten een velare en naar het westen toe soms een palatale, soms een velare vocaal achter schuilgaat. Het geval ons (kaart 69) ten slotte vormt met de wel als u te lezen u-spellingen in het oosten de derde groep. De oostelijke up-vormen op kaart 64 zullen hiermee wel in verband gebracht moeten worden. Wat de woorden onder (kaart 65) en vonnis (kaart 71) betreft, beschikken we over te weinig materiaal om ze bij de 2de of de 3de groep onder te brengen.

[p. 70]

4.1.5.4. Nnl. ɔ correspondeert met mnl. u

Bewaard bleef de u als foneem in oostelijke en noordelijke dialecten, waardoor we in die streken een opposotie uo krijgen29). Aan de spelling is het meestal moeilijk te zien of een u of een ü bedoeld wordt. We verwijzen hier naar de kaarten 66-72.

4.1.5.5. Nnl. ɔ correspondeert met mnl. ō

Rekking van o vond behalve in open syllabe ook vóór bepaalde consonantclusters (b.v. r + cons., ch(t) en st) plaats. De gevallen mocht (met rekkingen in Holland, Zeeland en Noordwest-Brabant) en broicht/broecht (met ō<o<a) kwamen eerder ter sprake (4.1.5.1, kaart 60 en 4.1.1.2, kaart 12). We behandelen hier nog de woorden dochter, kocht en kost.

 

KAART 73: DOCHTER/DOOCHTERaant.

 

ADochter.
BVAM (o).
CDe rekking in dochter wordt maar zeer zelden geschreven en geeft de indruk een zeer sporadische ontwikkeling te zijn. Bij BRE I vinden we oi, bij HUL III oe. Ook één van de jongere handen uit OUD spelt oe. Tegenwoordig treden deze rekkingen op in het oosten van Noord-Brabant en sporadisch in Zuid-Limburg.
EV. Haverbeke 1955, 65; Hoebeke 1968, 217; Jacobs 1911, 111-112; Klankleer § 79 opm.; V. Loey 1937, 173; RNDA vragenlijst 82 (dochtertje); Stevens 1952, 9.

 

KAART 74: KOCHT/KOOCHTaant.

 

APreteritumvormen en volt. deelw. van kopen en zijn samenstellingen en afleidingen.
BVAM (o2).
CIn kocht of koft (zie 4.2.2, kaart 132) is de vocaal niet verkort in Brabant, Holland, Utrecht en aan de Nederrijn. De spelling is oe (DWO, HOL/KGH, LEE, MEC, UTR), oi (BRE, HEI, LEF) of oo (GER).
DAAL IV, VI, VOG I (koucht); BRG VIII (vercouten ‘verkochten’). Een variant met a en ae verschijnt bij WVL I (vgl. 4.1.5.1 en kaart 60).
EKlankleer §§ 32, 79 opm.; Weijnen 1937, 108.

 

KAART 75: KOST/KOOSTaant.

 

AKost (subst.), kosten (werkw., alle vormen) en hun samenstellingen en afleidingen.
BKHB (o), VLA (o).
COok hier zijn rekkingen zelden. Ze verschijnen in Brabant en Utrecht: oe bij MEC XV en UTR I, oi bij ANT I. Een spelling ou is te vinden bij AAL V, ANT I en OBG III.
EV. Haverbeke 1955, 66; Hoebeke 1968, 218-221; Jacobs 1911, 112; Klankleer §§ 32, 79 opm.; V. Loey 1937, 173-174.

4.1.5.6. Nnl. ɔ correspondeert met mnl. ou

Klankwettig ontwikkelde zich in het mnl. een o vóór l + d of t tot ou (vgl. 4.1.15). Binnen het paradigma van een werkwoord konden zodoende vormen met l + dentaal naast vormen met ou optreden (type gelden/wi gouden). In het nnl. werd de o + l + dentaal gewoonlijk analogisch hersteld.

[p. 71]

KAART 76: GEGOLDEN/GEGOUDENaant.

 

AVolt. deelw. van gelden en zijn afleidingen.
BKGV (ol 2), KHB (ou). VAM (ol).
CHet oorspronkelijke old bleef bewaard of werd in analogie met de infinitief en de presensvormen hersteld in het oosten van Vlaanderen en in Holland. In plaats van ou treedt in Oost-Vlaanderen ook weer au op.
De old-vorm in een Maastrichtse oorkonde mag misschien aan oostelijke, Nederrijnse schrijftaalinvloed toegeschreven worden. Opvallend is dat het Coederenregister van OUD (een akte) de spreektaalsituatie met vocalisering van de l beter weerspiegelt.
DASN III, HUL III (uld); KHB IV (vergoeden); KGV II, ODA XIV (au).
EGoossens 1970, 71-73 met kaart; Jansen-Sieben 1975, 169; Klankleer §§ 33, 96; Schönfeld-v. Loey 1970, § 60; Vormleer § 58c; Wethlij 1980, 408-433.

 

LANGE VOCALENaant.

4.1.6. Nnl. a: en mnl. ā̂

Terwijl in ons mnl. referentiesysteem evenals in het nnl. ā (rekking uit a) en â (voortzetting van wg. â) tot één foneem samengevallen zijn, worden beide vocalen in enkele oostelijke dialecten nog onderscheiden, zodat we mogen veronderstellen dat zulks ook in de mnl. periode het geval was. Een enkele keer wordt de oppositie tussen ā en â in de spelling zichtbaar, terwijl secundaire ontwikkelingen na de samenval van beide vocalen in westelijke dialecten in de regel niet in de spelling weerspiegeld worden30).

 

KAART 77: SPELLING VAN ā IN OPEN SYLLABEaant.

 

ADage(n), vader, water, zake en hun samenstellingen.
BKGV (a2), KHB (a4), VAM (a4), VLA (a), WVL (a), ZEE (a7).
CDe ae-spellingen zijn i.h.a. Vlaams (AAL, DOE, GEN, HUL, ODA), maar met uitzondering van hand GEN LXII spelt elke ae-schrijver daarnaast ook a.
EKlankleer § 41.

 

KAART 78: SPELLING VAN â IN OPEN SYLLABEaant.

 

AGa(ne) (stam en gerundium van gaan), genade, jare(n), na en hun samenstellingen en afleidingen.
BKGV (a2), KHB (a4/ae1), VAM (a2), VLA (a), ZEE (a4).
CAls representant voor â kent de spelling ae een grotere verspreiding dan als grafie voor ā. Vaak gebruiken schrijvers echter a en ae naast elkaar. Alleen ae kennen de handen AAR XII, BRE VI, DOE IV en VII, LEF I en III, MID VI en VIII.
Duidelijk van ā onderscheiden is â te OUD door de spelling o. In de andere documenten uit het gebied met de oppositie āâ komt geen o-spelling voor. Moet dit aan het akte-karakter van de tekst uit OUD worden toegeschreven?
EGoossens 1967a; G