terug  begin  verderprepost
[p. 120]

Woordregister

Bij de alfabetisering werden gh met g, c met k, sc met sch en z met s gelijkgesteld. De onderstreepte getallen duiden kaarten aan, de andere verwijzen naar bladzijden.

 

aacht, 14, 52
-aachtig, 49
aarve, 20, 54
*aba (wg.), 51
acht, 14, 52-53
achtelinc, 52
achtende ‘achtste’, 52-53
achter, 93-94, 98, 133
-achtig, 49, 53, 94
af, 10, 51, 94
af ‘of’, 94, 137
afster ‘achter’, 94
afte ‘of’, 94, 137
after, 93-94, 98, 133
agter, 93
ahter, 93
-aichtig, 49
al, 9, 50-51
als, 50
alse, 50
ambaachte, 51
ambacht, 11, 51-52
ambchte, 51
ambocht, 11, 51-52
amboecht, 51
amboute, 51
ambucht, 51
ambůcht, 51
ambuecht, 51
ander, 52
anderhalf, 13, 52
apen ‘open’, 83, 106
aprel, 38, 60
april, 38, 60
are ‘hier’, 80
arm, 6, 50
arve, 19, 54
atter ‘achter’, 94
aud, 90-91, 125
aut, 91, 125
ave ‘af’, 10, 51, 94
bacht, 98
bachte, 98
bachten, 98, 150
bakker, 49
bacten, 98
bamis, 60
barg ‘berg’, 17, 54
bathten ‘bachten’, 98
bede ‘verzoek’, 74, 86
bede ‘beide’, 87, 116
béde ‘beide’, 87
beek, 74, 85
begaren, 76, 90
begeerte, 76
begeren, 76, 90
behoef, 85, 86, 113
behoudenlijk, 91
behuef, 86, 113
beide, 86, 87, 116
beke, 74, 85
becke ‘beek’, 74
berg, 17, 54, 64
besterfte, 54
beter, 74, 85
bijzonder, 68
binnen, 44, 61
bisschop, 39, 60
blijven, 77
boerg ‘burg’, 64
bonder, 56, 64-65
bonnarium (lat.), 64
bonnier (fra.), 64
bonre, 64
bos, 62, 67, 69
bounre, 65
borg ‘burg’, 55, 64
bracht, 12, 52
breef, 80
bref, 80
bregge, 49, 63
breif, 80
brengen, 27, 52, 56
breue, 80
brief, 80, 101
brigge, 49, 62-63
bringen, 27, 56
brocht, 12, 52
broder, 85-86, 112
broecht, 70, 72
broeder, 85-86, 112
broicht, 52, 70
broider, 85
brooder, 85
bruder, 85-86, 112
brueder, 85-86, 112
brug, 49, 62-63
brugge, 49, 62-63
Brugge, 49, 62-63
buijnre, 65
bunder, 56, 64-65, 96
bunre, 64-65
burg, 54, 55, 64
bus, 62, 67
busschop, 39, 60
bysschop, 60
Chrispijn, 55
christelijk, 55
christenheid, 55
Christiaan, 55
Christine, 55
Christoffel, 55
d- ‘de’, 92
daag, 52
daaraf, 51
dachter ‘dochter’, 66, 94
dage, 71, 77
darde, 21, 54-55
de, 91, 92, 128
dee, 92
deel, 77, 92, 93
deen, 92
[p. 121]
degeine, 76
degene, 74, 75-76, 89
degiene, 76
degoene, 75, 89
degone, 74, 75-76, 89
degyene, 76
dei-, 92
deike ‘dijk’, 88
deil, 77
deilen, 77
dein, 92
dél, 77
delen, 77
delle, 77
denken, 26, 56
der, 92
derde, 21, 54, 55
deren, ‘derden’, 54
dertien, 54-55
dertig, 54-55
des, 92
deugd, 81
die, 91, 92, 128
dieke ‘dijk’, 88
dien, 92
dienst, 80, 101
dier ‘duur’, 82
dike, 88
dinken, 26, 56
dochter, 70, 73, 94
donderdag, 66, 69, 96, 143
donredag, 96, 143
dorde, 21, 54
draaien, 72
dragen, 72
dreyen ‘draaien’, 72
duur, 82
echt- ‘acht-’, 53
echterste ‘achterste’, 93
een, 77, 92, 93
eerst, 79, 98
eerve, 20, 54
eest, 60
egen, 87, 117
eigen, 86, 87, 117
eigendom, 87
eigenlijk, 87
ein, 77
einde, 86, 87, 115
eist, 60
elter ‘ouder’, 90
emmer, 47, 61-62
én, 77
eraf, 51
erfachtig, 54
erfelijk, 54
erfenis, 54
erfgenaam, 54
erfnaam, 54
erm, 6, 50
erre, 77
érst, 79
erve, 19, 54
erven, 54
es, 42, 60
és, 60
ét, 76
eten, 76
étet, 76
fluit, 89
fruit, 89
fuut, 81
ga, 71, 78
gaan, 71, 72, 78
gaat, 72, 79
gaets ‘gods’, 83
gane, 71, 78
gast, 53
gat ‘gaat’, 72
ge-, 97, 145
gebleven, 74, 87
gedenkelijk, 56
gedenken, 56
gedenkenis, 56
gedragen, 72, 80
gedregen, 72, 80
geen, 77, 92, 93
geeft, 76
geest, 78, 95
géést, 78
geestelijk, 78
geet ‘gaat’, 72, 79
gegolden, 71, 76
gegouden, 71, 76
geilt, 56
gein, 77
geist, 78, 95
geit, 78
gelden, 25, 55-56, 59, 70
gelt, 56
gemeen, 78, 88, 97
gemeenlijke, 78
gemeente, 78
gemeentucht, 78
gemein, 78, 97
gemet, 97
genade, 71, 78
gén, 77
gene, 75
genoemd, 85, 111
genomd, 85, 111
genuemd, 85, 111
genumd, 85, 111
gereden, 74, 87
gerief, 88
gerre, 77
geschreven, 74, 87
gesede, 59
gezeecht, 59
gezegd, 37, 59
gezeget, 37, 59
gezeid, 37, 59, 86
gezeit, 37, 59, 86
gesiede, 59
gestade, 72-73, 82
gestadelijk, 72
gestadig, 72
gestadigen, 72
gestaich, 73
gestede, 72-73, 82
geven, 76, 93
ghi-, 97, 145
gichte, 94, 135
gifte, 93, 94, 135
[p. 122]
gilde, 62
gilden, 25, 55-56
gilt, 56
git ‘geeft’, 76
glasijn, 72
glesijn, 72
gode, 86
godes, 83
goed, 85, 86, 114
goit, 86
got ‘gaat’, 72
gouden, 70
graaf, 72, 73, 83
graefnede, 73
grave, 73, 83
gravin, 73
greve, 73, 83
gued, 86, 114
guetlijc, 86
gulde, 62
haet ‘heeft’, 76
hagan, 98
hait ‘heeft’, 76
hactar ‘achter’, 94
halden, 91, 126
halege ‘hellingen’, 96
half, 95, 140
hard, 95, 140
hare ‘hier’, 80
hat ‘heeft’, 76
hauden, 91, 126
hebben, 76
heeft, 76, 91
heeft ‘helft’, 59, 95
heelft, 35, 59
heenrich, 98
heft ‘heeft’, 76, 91
heft ‘helft’, 95
heilig, 86, 87, 88, 95, 118, 140
Heinric, 59, 98, 148
Heinrich, 98
heir ‘hier’, 80
Heirijc, 98
helecht, 59, 95
helechtschede, 94
heleft, 59
heleleft, 94
helf ‘helft’, 94
helfschede, 94
helft, 35, 58, 59, 94-95, 138
helig, 87, 118
helling, 96
hellinge, 96-97, 144
hellingen, 96-97, 144
helpen, 58
helt ‘helft’, 94, 138
helt ‘hield’, 80, 103
helt ‘houdt’, 91
hemleden, 90
hender ‘achter’, 98, 150
Hendrik, 96, 98, 148
Henric, 59, 98, 148
hepe ‘heup’, 81
her ‘hier’, 80
here ‘hier’, 80
het ‘heeft’, 76
heupe, 81
heur, 82, 105
hevet, 76, 91
hi ‘hier’, 80
hie ‘hier’, 80
hield, 80, 103
hielt, 80, 103
hier, 80, 102
hij, 88
hinter ‘achter’, 98, 150
hode ‘houde’, 91
hodene ‘houdene’, 91
hoet ‘houdt’, 91
holden, 91, 126
holpen, 80
honderd, 68, 68, 69
honderste, 68
hoog, 95, 140
houden, 80, 91, 126
houder, 91
huere, 82
huis, 89, 122, 123
huize, 89
huizen, 89
hulpen, 58
hunderd, 68, 68
hure, 82
huren, 82, 105
huur, 82, 105
i-, 97, 145
ich, 95
ierst, 79, 98
-ig, 91
ik, 95
imber, 93, 131
immer, 47, 61-62, 93, 131
ip, 67
is, 42, 60
jare, 71, 78
jaren, 71, 78
jegen, 75
jegens, 88, 174-175
jof, 94, 137
joft, 94, 137
jofte, 94, 137
jogen, 75, 99
jong, 69, 70
jonkvrouw, 69, 91
jueghen, 75
jung, 69, 70
cam, 97, 147
camen, 97, 147
karke, 23, 55
karst, 22, 55
kennelijk, 56
kennen, 28, 56
kenning, 56
kennis, 56
keren, 76
kerk, 23, 55
kerke, 23, 55
kerkhof, 23, 55
kerspel, 55
kerst, 22, 55, 58
Kerstans, 55
kerstavond, 55
kerstdag, 55
Kersteloot, 55
[p. 123]
kiburch, 64
kind, 44, 61
kinnen, 28, 56
kerchaue ‘kerkhove’, 83
kleen, 87, 119
klein, 86, 87, 88, 119
kleur, 81
kocht, 70, 74, 93, 132
coht, 93
koend, 68
koft, 70, 93, 132
comen, 83-84, 97, 108
commen, 83-84, 108
kond, 66, 68, 69
koning, 83, 107
koningin, 83
koocht, 70, 74
koost, 70, 75
kopen, 93
kost, 70, 75
kosten, 70
koucht, 70
krachtig, 49
kund, 66, 68
kwam, 97, 147
-lake, 92, 129
lauelicke ‘lovelijk’, 83
lecht, 40, 60
leden ‘lieden’, 90, 124
leen, 77-78, 94
legen, 61
leggen, 61
leggen ‘liggen’, 45, 61
lêhan (ohd.), 77
leiden ‘lieden’, 90, 124
lein, 77-78, 94
-leke, 92, 129
-lecke, 92
lenen, 77-78, 94
lezen, 74, 86
lettel, 54, 64
letter, 30, 57
lettre (fra.), 57
leugen, 81
leven, 76
leveren, 74, 87
licht, 40, 60
lichtmis, 60
lieden, 89, 90, 124
-lieke, 92
ligen, 61
liggen, 45, 61
liicht, 60
liitter, 57
-lijk, 91, 92
-lijke, 92, 129
-lijcke, 92, 129
-licke, 92
lītila (wg.), 64
litter, 30, 57
littera (lat.), 57
lucht ‘licht’, 60
luden, 89, 90, 124
lui, 89, 90, 124
lutila (wg.), 64
luttel, 54, 63, 64
maart, 73, 84
machen, 95
machte ‘mocht’, 60, 66, 94
machtig, 49
magister (lat.), 78
maistre (fra.), 78
maken, 95
manneke, 49
Margareta, 7, 50
Margriete, 7, 50
mart ‘maart’, 73, 84
Marten, 5, 49-50
Martijn, 49
martius (lat.), 73
meen, 78
meenlijke, 78
meente, 78
meentucht, 78
meester, 78, 96
mein ‘min’, 96
meins, 36, 59, 87
meister, 78, 96
meit, 57
men ‘min’, 43, 61
menneke, 49
mens; 36, 59, 87
Mergriete, 7, 50
mert ‘maart’, 73, 84
Merten, 5, 49-50
messe, 41, 60
met, 31, 55, 57, 60
mich, 95
mien ‘min’, 61
miin ‘min’, 61
mij, 88, 95
mijn ‘min’, 61
min, 43, 61
min, 61
minder, 43, 61, 96
minderbroeder, 61
minderen, 61
mindering, 61
minre, 96
minuut, 81
mis, 41, 60
misse, 41, 60
mit, 31, 57, 60
mocht, 60, 66, 69, 94
mochte, 60, 66
moeder, 85, 110
moegen, 83, 107
mogen, 83, 107
molen, 83, 107
molenaar, 83, 107
mouchte, 66
muchte, 66
muder, 85, 110
mvchte, 66
na, 71, 78
negen, 74, 75, 88
negentig, 74, 75, 88
neggentich, 75
neighentich, 75
némd, 76
nemen, 74, 76, 86
nemer, 62
nemmer, 47, 61-62
neuwe, 81
[p. 124]
newe, 81
nie ‘nieuw’, 81
nieuw, 81, 104
nieuwelinge, 81
nimber, 92, 93, 131
nimmeer, 61
nimmer, 47, 61-62, 92, 93, 131
nimmermeer, 61
noemen, 85
nommer ‘nimmer’, 62
nu ‘nieuw’, 81
numer, 62
nummer, 62
nuw, 81, 104
oc ‘of’, 94
oc ‘ook’, 84
óc ‘ook’, 84
och ‘of’, 94
och ‘ook’, 84, 95
ochte, 94, 136
oct ‘of’, 94
octe ‘of’, 94
oec, 84, 109
oecten ‘acht’, 53
oem ‘om’, 69
of, 94, 136, 137
of ‘af’, 10, 51
of noerthalf, 51
ofe ‘of’, 94
oft, 94
ofte, 94, 136
oic, 84
oigh ‘ook’, 84
ol, 9, 50-51
old, 90, 125
om, 69, 92-93
omb, 93
ombe, 92-93, 130
ome, 69, 93
omme, 69, 72, 92-93, 130
omne, 93
onder, 65, 67, 69
onder ‘ander’, 52
onderhalf, 13, 52
ons, 68, 69, 69
onse, 68, 69
onsleden, 90
ooch, 95, 139
ook, 19, 84, 95, 139
oorkende, 61, 66
oorkonde, 61, 66, 68
oorkonden, 61, 66, 68
oorkondschap, 66
op, 64, 67, 69
óp, 67
ope, 67
open, 83, 106
openbaar, 83
orcende, 66
oud, 90-91, 125
ouk, 84, 109
out, 90-91, 125
ove ‘of’, 94, 137
overal, 50
pacht, 82
peenge ‘penningen’, 96-97, 144
peil, 78, 86
pene ‘penningen’, 96
penege, 96-97, 144
penge ‘penningen’, 96
peninge, 97
penne ‘penningen’, 97
penneghe, 97
penning, 96
penninge, 96-97, 144
penningen, 96-97, 144
pit, 50, 63
prieme, 88
put, 50, 62, 63
puͦt, 50, 63
pyt, 63
rechter, 32, 57
redder, 62
rente, 29, 56-57, 59
renten, 29, 56-57, 59
reuk, 81
richter, 32, 57
ridder, 48, 62
rider, 62
rijden, 77
rinte, 29, 56-57
rudder, 48, 62
sceelge ‘schellingen’, 96
scele ‘schellingen’, 96
scelege, 96
scelge ‘schellingen’, 96
scelinge, 97
scelle ‘schellingen’, 97
scelleghe, 97
schelling, 96
schellinge, 96-97, 144
schellingen, 96-97, 144
scelp, 58
scheuren, 81
scoldich, 65
schoudich, 57, 65
scout, 65
screif, 77
schuld, 65
sculde, 65
schuldig, 57, 65
sculp, 58
schuur ‘bui’, 82
zael ‘zal’, 50
zake, 71, 77
zal, 8, 49, 50
se ‘zij, weze’, 88
see ‘zij, weze’, 88
zeelke, 64
zegel, 74, 87
zeggel, 74
zeggen, 59
zei, 78
zeil 78, 86
seilke, 64
sein ‘zijn’, 88
zeker, 74, 87
zeker ‘zulker’, 64
zel, 8, 49, 50
zelen, 59, 65
seler ‘zulker’, 64
zelk, 53, 63-64
zellen, 50, 59, 63, 65
sente, 46, 61
[p. 125]
seulen, 65
zeven, 74
zi, 88, 89, 121
zie, 88, 89, 121
siin ‘zijn’, 88
zij, 89, 121
sin ‘zijn’, 88
sinte, 46, 61
slaan, 72
sleutel, 81
slotel, 81
zo ‘zij’, 88, 89, 121
zoe ‘zij’, 88, 89, 121
zoelen, 58, 65
soelk, 64
soender, 68
soilc, 64
solen, 58, 65
solc, 64
sollen, 65
zonder, 67, 68, 69
zonderling, 68
sone, 75
spegel, 80
spiegel, 80
spreekt, 76
spreken, 76
sprict, 76
staan, 72
stade, 72
stadelijk, 72
stadig, 72
stadigen, 72
starven, 18, 54
stat ‘staat’, 72
stát ‘staat’, 72
stéct, 76
steirf-, 54
steken, 76
steref, 54
sterfelijk, 54
sterfkoop, 54
sterfte, 54
sterven, 18, 54, 55
stik, 51, 63
stuk, 51, 62, 63
zu ‘zij’, 89, 121
zuelen, 65
suelg, 64
suene, 75
zuͦi, 79
zuilc, 64
zulen, 65
suͤlen, 65
suͦlen, 65
sulk, 53, 63-64
zullen, 58, 63, 65
zunder, 67, 68
sunte, 61
suulen, 65
zuur, 82
tachtig, 52
tegen, 74, 75, 88
Thoneburch, 54
Tomberg, 54
tuissen, 52, 63
tussen, 52, 62, 63
tveentech, 44, 61
twaalf, 72, 81
twaalfde, 72
twalf, 72, 81
twalif, 72
twee, 79, 99
tweeing, 79
tweelf, 72, 81
tweeschatte, 79
tweevoud, 79
twelef, 72
twelf, 72, 81
twie, 79, 99
twier, 79
twintig, 44, 61
twisken, 63
uit, 96, 141
umme, 69, 72
under, 65, 67-68
uns, 68, 69
up, 64, 67
us ‘ons’, 68
vaast, 15, 53
vader, 71, 77
valt, 49
vast, 15, 53
vasten, 53
veel, 74, 75, 88
veertien, 79, 100
veertig, 79, 100
vel ‘viel’, 80
velt ‘valt’, 49
venc ‘ving’, 59
verdiersen, 82
veren ‘varen’, 55
vergoeden ‘vergolden’, 71
vercouten ‘verkochten’, 70, 93
vernieuwen, 81
verstanen, 97
versterfenis, 54
versterfte, 54
veulen, 81
vichtig, 94, 134
viel, 80
vieren, 79
vijf, 94
vijftien, 94, 134
vijftig, 94, 134
ving, 59
vitech ‘vijftig’, 94
voel, 67
voentnisse, 69
vol, 63, 67, 69
vonnis, 69, 71
vortien, 79
vrauwe, 91, 127
vrihe, 96, 142
vrij, 96, 142
vroewen, 91
vrouw, 91, 127
vrouwe, 91, 127
vul, 63, 67
vullinge, 67
vunnis, 69, 71
wale, 98, 149
waref, 16, 53, 54
warf, 16, 53
[p. 126]
warp, 80
water, 71, 77
we ‘wij’, 88
wech, 58
weech, 58
week, 74, 75, 88
weelk, 58
weer, 74, 87
weet ‘wet’, 58
weilk, 58
wel, 98, 149
welk, 33, 57-58
wer ‘wij’, 88, 120
werf, 16, 53
werst ‘worst’, 66
wet, 34, 57, 58
wetachtig, 58
wetelike, 58
wettelijk, 58
wettig, 58
weugeltje, 75
wi, 88, 120
wie ‘wij’, 88, 120
wier ‘wij’, 88, 120
wierook, 79
wiit ‘wet’, 58
wij, 88, 120
wijr ‘wij’, 88, 120
wilamens, 55
wilk, 33, 57-58, 64
willam, 24, 55
Willem, 24, 53, 55
winter, 44, 61
wir ‘wij’, 88, 120
wir ‘wet’, 34, 57, 58
wittat (onfr.), 58
wittut (onfr.), 58
worst, 66
wy, 88
prepostterug  begin  verder