1, 1. ghewout: macht - 1, 5. vernomen: ervaren - 2, 1. Die edele minne: de Bruidegom Jezus; boven tijt: die boven het tijdelijke is verheven, tegenstelling met ‘die werelt’ in str. 1 - 3, 2. luchtet: licht - 3, 3. mi saten: mij in dienst stellen - 3, 4. dat: ziet op den volgenden regel5, 2. hoet: krans - 5, 3. Natuur: zwakke, menselijke natuur - 6, 2. leliën: hier de reine zielen - 6, 3. rooc: reuk - 10, 1. Die rosen: de vurig minnende zielen - 10, 2. ghedaen: van gedaante - 10, 3. Mit claerheit omme bevanghen: van helder licht omstraald -10, 4. schijn: schijnsel 11, 2. bequaem: welgevallig - 11, 4. die daer onder staen: die aan de minne (Jezus) onderhorig zijn - 11, 15. gheladen: belast - 12, 4. discant: bovenstem, sopraan - 12, 5. Wie mach die leliën laten: Wie wordt niet door de leliën aangetrokken? - 13, 1. wel ghedaen: schoon - 13, 2. springhen: springen is sterker dan dansen, bij natuurvolken vreugdespringen -13, 3. ommebevanghen: in den kring genomen - 13, 4. Al in der minnen love te sijn: in te stemmen met den lof der minne - 14, 3. doorschoten: met de liefdeschicht getroffen - 14, 4. neighe: zink -15, 1. rosencrans: de goddelijke Minnaar wordt gedacht met een krans van rozen op het hoofd zoals de Romeinen bij hun drinkgelagen droegen. 16, 1. is so ghedaen: is van dien aard - 16, 2. Die leliën bughen, si bliven staen: als bij een middeleeuwsen reidans buigen de leliën, de lelieblanke maagdelijke zielen, nu eens en blijven dan weer staan, zoals het hoort - 16, 3. Die minne wil hoghe risen: doch de Bruidegom wil hoger stijgen d.w.z. in de richting van zijn troon - 17, 1. Die minne sit in den hoghen troon: hier zit de Bruidegom al op den hogen troon, vgl. Vondel: Wie is het die so hooch geseten - 18, 3. seraphinnen: de serafijnen, van nog hoger orde dan de cherubinnen, treden blijkbaar als maïtresses de danse op en wekken den Bruidegom ten dans op - 20, 3. Die minne rust in der minnen:
de Bruidegom smaakt het liefdegeluk in het bezit der (ge)liefde, een geluk dat ten volle bevredigt en dus rust schenkt - 20, 4. Die Minne slaept, die minne waect: de Bruidegom slaapt, maar hij ontwaakt ook weer. 21, 2. Die duurbaer vaet: het kostbare vaatwerk - 22, 1. van hoghen schijn: van voornaam uiterlijk - 22, 3. Si houden edel wise: zij hebben een edel karakter - 24, 3. springhet: ontspringt - 25, 3. satich: nederig, ingetogen