terug  begin  verderprepost
[p. 30]

3
Jacob van Maerlant: Istorie van Troien

Jacob van Maerlant (ca. 1235-ca. 1290) is de geschiedenis ingegaan als de ‘vader der dietschen dichteren algader’. Dat epitheton dankt hij niet aan de vroege datering van zijn teksten; menig Middelnederlands dichter ging hem voor. Wel heeft hij in het Middelnederlands vele nieuwe literaire wegen gebaand. Hij is beroemd geworden als de auteur van het meest gevarieerde en omvangrijke oeuvre van de Middelnederlandse letterkunde. Hij steekt met zijn werklust en zijn brede belangstelling zelfs iemand als Chaucer naar de kroon. Hij schreef ridderromans, lyriek, natuurwetenschappelijke teksten, hagiografie, en historiografie. De hele Middeleeuwen door hebben zijn teksten de bewondering van lezers en collega's afgedwongen (Van Oostrom 1996).
Maerlant schreef zijn Istorie van Troien rond 1263. Het is een omvangrijk werk van bijna 41.000 verzen, waarin hij de Trojaanse oorlog beschrijft. Kenmerkend voor Maerlants werkwijze is zijn brede documentatie. Hij beperkt zich bij het schrijven van zijn boeken maar zelden tot één bron. Ook voor de Istorie van Troien verbeterde en vermeerderde hij de informatie uit zijn hoofdbron (de Roman de Troie van Benoît de Sainte Maure) met menige andere tekst, zoals de Middelnederlandse Trojeroman(s) van Segher Diengotgaf (Janssens 1987), en teksten van Homerus, Ovidius, Statius en Vergilius (Jongen 1988). Van de meeste van deze bronnen legt Maerlant al in zijn proloog rekenschap af. Hij belooft in zijn tekst zorgvuldig aan te geven waar hij van de ene bron op de andere overstapt (vs. 46-48).
De proloog van de Istorie van Troien (uitgegeven in De Pauw en Gailliard 1889-1892) is een verantwoording van de beweegredenen om de Trojaanse geschiedenis in het Diets toegankelijk te maken (vs. 4-20) en een verzekering van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen. Wat dat laatste betreft laat Maerlant de hele tekstgenese de revue passeren, beginnend bij het (vermeende) ooggetuigenverslag van de Trojaan Dares (de tekst van Dares zou alleen bekend zijn uit een Latijnse vertaling uit de 5de of 6de eeuw na Christus (vgl. vs. 38-42), maar die tekst is in de 18de eeuw als een 5de eeuwse vervalsing ontmaskerd).
 
Myn hert ende myn syn ende myn ghepeyns
 
Is sculdich enen swaren thyns2
 
Dien ic ommer gelden moet,3
 
Dat is: een historie goet
[p. 31]
5
Te dichtene int Duytsche woert,
 
Die men int Walsche heft gehoert.
 
Oeck is ghedicht in Duyts een deel,7
 
Mer ic wil se al gheheel
 
Van beghyn ten eynde maken,
10
Gan my Got al sulker saken10
 
Dat my myn syn niet en is te laf.11
 
Seger Dengotgaf
 
Heft daer af ghedicht een deel,
 
Dat is van Troyen dat proyeel14
15
(Dit is ghedicht oeck langhen tyt)15
 
Ende aent proyeel die vij stryt.16
 
Mer ic wil van yersten beghynnen,
 
Dat ghy moghet weten ende kennen
 
Hoert Jason voer om Gulden Vlies,
20
Daer synder af quam groet verlies.
 
Nu bid ic Gade dat Hy my sende21
 
Synen Geest, daer ic by vinde
 
Vray, reyn ende scone woert
 
Ende by Synre cracht ghestoert24
25
Die ghene syn te alre tyt25
 
Om myn ghedichte draghen nyt.
 
In die stat van Troyen was
 
Een duer clerck, die veel las28
 
Ende gherne in boecken oec studeerde
30
Die wyle dat men die stat verweerde30
 
- Daeres leest men dat hy hiet -
 
Tot dien dat men die stat verriet.
 
Van den yersten dat al begonde
 
Screef hy totter lester stonde.33-34
35
Al was hy vander stat gheboren,
 
Doer dat en brocht hy niet te voren
[p. 32]
 
Anders dan hy hoerde ende sach.
 
Syn boeck was wel menighen dach
 
Verlaeren, mer daer nae wast vonden39
40
Tot Athenen tenen stonden.
 
Cornelius mit groter pynen41
 
Dichtent van Griexen in Latynen.
 
Homerus ende Ovidius
 
Ende van Romen Stachius44
45
Die screef daer af een stuck.
 
Mer binnen den yersten so sal ick
 
U doen weten ende verstaen
 
Waer haer werken aen gaen.48
 
Nae dien dat ic bescreven hore,
50
Een, hiet Bonoot van Suette More,50
 
Dichtet in Latyn van Romans
 
Mit ryemen scoen ende gans.
 
In den Duytsche dichtet Jacop
 
Van Merlant. Doer nyemans scop54
55
So en wilt hys niet begheven,55
 
Eer dit boeck is al volscreven.
 
Hier toe voren dichten hy Merlyn
 
Ende Allexander uytten Latyn,
 
Toerecke ende dien Sompniarys
60
Ende den cortten Lapydarys.57-60

2thyns: schuld, verplichting.
3gelden: inlossen.
7Oeck ... deel: Maerlant verwijst hiermee naar de Middelnederlandse Troje-teksten die Segher Diengotgaf deels uit het Frans en deels uit eigen koker dichtte(vgl. vs. 12-16).
10Gan: vergunde.
11laf: week, krachteloos, slap.
14van Troyen dat proyeel: beter bekend als tPrieel van Troyen.
15Dit ... tyt: deze tekst is lang geleden geschreven.
16die vij stryt: de zevende veldslag voor Troje, zoals beschreven door Segher.
21Gade: God.
24ghestoert: verwoest, in het verderf stort.
25syn: lees: ‘die’ na dit woord.
28duer: voortreffelijk.
30venweerde: verdedigde.
33-34Van ... stonde: hij beschreef de gebeurtenissen van het begin tot het eind.
39Verlaeren: in vergetelheid geraakt.
41Cornelius: de Latijnse vertaler van Dares' tekst (vgl. echter de inleiding).
44Stachius: Publius Papinius Statius (ca. 40-ca. 96), auteur van de Silvae, de Thebais en de Achilleis. Maerlant heeft in zijn Istory van Troien m.n. gebruik gemaakt van die laatste tekst.
48aen gaen: beginnen.
50Bonoot van Suette More: Benoît de Sainte-Maure, auteur van Maerlants hoofdbron, de Roman de Troie (ca. 1160).
54scop: spot, hoon.
55begheven: zijn schrijfarbeid opgeven, staken.
57-60Hier ... Lapydarys: Maerlant somt hier zijn oudere oeuvre op. Van beide laatste titels is geen exemplaar overgeleverd.
prepostterug  begin  verder