terug  begin  verderprepost
[p. 33]

4
Jacob van Maerlant: Heimelicheit der heimelicheden

De Heimelicheit der heimelicheden (1266) is een vorstenspiegel waarin naast de zeden en (on)deugden van vorsten, de staatkunde en de krijgkunst, ook gezondheid, hygiëne en natuurwetenschap besproken worden. Er is geopperd dat Jacob van Maerlant de tekst schreef voor de 12-jarige graaf Floris V van Holland (1254-1296), de ‘lieve neve’ uit vers 8 (Van Oostrom 1996).
De tekst is een verkorte vertaling van het Latijnse traktaat Secretum secretorum (ca. 1220-1235), dat op zijn beurt weer een vertaling door Philippus Tripolitanus is van de Arabische tekst Sirr al-Asrar. Die Arabische tekst presenteert zichzelf als een traktaat in briefvorm, geschreven door de bejaarde Griekse filosoof Aristoteles aan zijn leerling Alexander de Grote. In de Middeleeuwen werd niet aan het auteurschap van Aristoteles getwijfeld, maar inmiddels is bewezen dat die toeschrijving onjuist is (Lie 1996).
Interessant in de Middelnederlandse proloog (Brinkman en Schenkel 1997, p. 461, vs. 1-28) is de impliciete parallel die gelegd wordt tussen de leraar-leerling-relatie van Aristoteles en Alexander en die van Maerlant en zijn leerling. Maar Jacob van Maerlant stelt zich bescheiden op: alle goede ideeën in de tekst zijn van Aristoteles, maar dat wat onbruikbaar is, neemt Maerlant voor zijn rekening.
 
Die gheven mach, gheve alle weghe.
 
Elken radic dat hijs pleghe,2
 
Want dat men ghevet, dats dat ment vint,3
 
Ende dat men hout, waert niet I twint.4
5
Noyt mi gheven en vernoyde5
[p. 34]
 
Van dat uut minen zinnen vloyde,6
 
Ende noch helpt mi alsic gheve.
 
Nu ontfaet dit, lieve neve,
 
Van mi, Jacoppe van Merlant,
10
Van dat ic in Latine vant
 
Hoe dat Aristotiles, ende gheen ander,
 
Sinen jongre Alexander12
 
Leerde die weerelt berechten
 
Ende jeghen die sonden vechten.
15
Want het hoghen heeren betaemt,
 
Ende elken mensche die hem scaemt,16
 
Dat hi wete hoe lant bedriven17
 
Ende selve in sijnre eeren bliven.
 
Vindire yet in dat te prisen es,19
20
Dat visierde Aristotiles.20
 
Vindire oec iet onnuttes inne,
 
Dat tyhet minen dommen zinne.22
 
Dit bouc es in Latine gheseit
 
Heymelichede der heymelicheit.
25
Gode biddic ten beghinne
 
Dat Hi mi helpe hierinne,
 
Ende Siere moeder - der reinre maghet -
 
Diet al met haerre beden draghet.

2dat hijs pleghe: dat hij deze raad opvolgt.
3dats dat ment vint: daar krijg je iets voor terug.
4dat ... twint: wat men voor zichzelf houdt, is niets waard.
5Noyt ... vernoyde: ik heb nooit spijt gehad van mijn vrijgevigheid.
6Van ... vloyde: (het geven) van dingen die uit mijn geest ontsproten.
12jongre: leerling.
16elken ... scaemt: ieder mens met eergevoel.
17bedriven: regeren.
19Vindire: vindt gij er.
20visierde: bedacht.
22tyhet: op rekening zetten van.
prepostterug  begin  verder