Omstreeks 1270 vertaalde Jacob van Maerlant in opdracht van de Zeeuwse edelman Nicolaas van Cats de natuurwetenschappelijke encyclopedie De natura rerum van Thomas van Cantimpré. In 13 boeken worden achtereenvolgens de mens en de mythologische wezens, de viervoeters, de vogels, de zeemonsters, de vissen, de slangen, de insecten, de bomen, de specerijen, de geneeskruiden, de bronnen, de stenen en de metalen beschreven (Van Oostrom 1996).
In de onderstaande passage uit de proloog (Gysseling 1981, vs. 101-116) verwijst Maerlant naar het bestaan van een (overigens tot dusver niet teruggevonden) Middelnederlands bestiarium van de Aardenburgse priester Willem Utenhove. Maerlant vindt zijn Der naturen bloeme verre te verkiezen boven Utenhoves tekst, omdat hij zich baseerde op de betrouwbare autoriteit van Albertus Magnus (‘broeder Albrechte van Colne’ (vs. 13-14); Maerlant verkeerde in de veronderstelling dat Albertus Magnus de auteur van zijn bron was, een misvatting die ook in een aantal handschriften van De natura rerum te vinden is). Utenhove daarentegen gebruikte voor zijn bestiarium een Franse bron. Maerlant (en veel van zijn collega's) vonden Franse teksten per definitie veel onbetrouwbaarder dan Latijnse bronnen.