Jacob van Maerlant vertaalde de Legenda Major van Bonaventura rond 1275, zo'n tien jaar na de voltooiing van het origineel (vgl. de proloog, uitgegeven in Maximilianus 1954, vs. 87-92, hieronder vs. 1-6). Zijn vertaling kwam tot stand op verzoek van de Utrechtse minderbroeders, met wie hij een uitstekende relatie onderhield. Maerlant was zich duidelijk bewust van het feit dat hij schreef voor een publiek dat een ander dialect sprak en las dan hijzelf. Daarvoor verontschuldigt hij zich bij voorbaat, temeer daar de versvorm hem dwingt gebruik te maken van woorden uit verschillende dialecten en talen (proloog vs. 125-133, hier vs. 7-16). Om deze klus toch naar volle bevrediging te klaren, roept hij de heilige Franciscus (wiens leven onderwerp van de tekst is) aan om inspiratie (vs. 17-18).