Rond 1283 begon Jacob van Maerlant aan zijn opus magnum, de Spiegel historiael, de vertaling van Vincentius van Beauvais' Speculum historiale (ca. 1250). Het is een kroniek die de complete wereldgeschiedenis van de schepping tot Maerlants tijd moest gaan bevatten.
In 1288 brak de dichter, vermoedelijk vanwege ouderdomsverschijnselen, zijn werkzaamheden af. De ruim 90.000 verzen die het werk toen telde, corresponderen met ruim de helft van de Speculum historiale. Maerlant ging bij zijn Spiegel even eigenzinnig te werk als bij zijn overige teksten. Hier liet hij wat uit zijn hoofdbron weg, daar voegde hij er uit een andere tekst wat aan toe. De meest in het oog springende bewerking kondigde hij al in zijn proloog aan: in zijn Dietse vertaling zouden voornamelijk de historische gebeurtenissen (de ‘jeesten’, zie hieronder, vs. 7) een plaats vinden, en niet de ‘clergie’ (vs. 8), waarmee hij de geleerde betogen over geloofswaarheden en andere gevoelige, religieuze onderwerpen bedoelde. Maerlant was al eens eerder voor een gewaagde tekst over bijbelse ‘heimelichede’ met de geestelijkheid in aanvaring gekomen (zie vs. 12-18). Hij wilde zijn vingers niet nog een keer branden. Uit de betreffende passage valt niet met zekerheid op te maken of we hier te maken hebben met een voorloper van de later oplaaiende controverse tussen voor- en tegenstanders van bijbelvertalingen in de volkstaal (vgl. m.n. de tekst van Zerbolt van Zutphen, verderop in deze bloemlezing).
Vers 19-24 in de onderstaande passage uit de openingsproloog (vs. 69-100, uitgegeven in De Vries en Verwijs 1863-1879) van de Spiegel historiael bevat een inspiratiebede gericht tot Maria, waarin Maerlant onder andere vraagt om gezondheid van lijf en leden, opdat hij zijn tekst kan voltooien. Zoals hierboven al is gememoreerd, werd hem dit niet vergund. Na vier jaar moest hij zijn werk afbreken. Uit het feit dat Maerlant in vs. 22 specifiek vraagt om ‘ghesonde daghe’ kan wellicht worden opgemaakt dat zijn krachten het reeds aan het begin van dit karwei lieten afweten. In ieder geval maakt dit gebed nogmaals duidelijk dat middeleeuwse auteurs zich bewust waren van hun afhankelijkheid van God, zowel in hun dagelijks leven als in hun werk.