In 1224 stierf in het Sint-Catharinaklooster te Mielen bij Sint-Truiden - na reeds tweemaal uit de dood te zijn opgestaan - de heilige Christina de Wonderbare voor de derde en laatste maal, na een leven vol ziektes en ‘geesteleke dronkenscap’. Acht jaar later beschreef Thomas van Cantimpré haar leven in het Latijn en nog diezelfde eeuw werd deze tekst in het Middelnederlands vertaald. De verder onbekende minderbroeder Geraert vertaalde de vita voor de nonnen van het klooster waar Christina gestorven en begraven was. De link tussen dit primaire publiek en het onderwerp van de tekst was kennelijk zo evident, dat Geraert daar niet expliciet op inging. Maar dat Christina's wederwaardigheden interessant zijn voor de nonnen uit dit klooster, ‘die engeen Latijn en connen noch en verstaen’ (vs. 24-25), stond voor hem buiten kijf.
Wèl vond hij het de moeite waard om in zijn proloog te vermelden dat hij een vriendschappelijke relatie onderhield met de bewoonsters van het klooster te Mielen (waaronder zijn zuster). Zijn vertaling is een wederdienst voor de vele goede gaven die de nonnen hem in het verleden hadden gegeven (vs. 31-69). Vgl. Bormans z.j. en Gysseling 1987.