Het Oudfranse Livre de Sidrac (ofwel Livre de la fontaine de toutes sciences, tweede helft dertiende eeuw) is een caleidoscopisch werk over godsdienstige, natuurkundige en ethische onderwerpen. Om de tekst de schijn van autoriteit te geven, kaderde de auteur het in de heilsgeschiedenis in: Sidrac was (847 jaar na Noach) een wijze filosoof uit het geslacht van Jafet, die de heidense koning Boctus van Battorien aan de hand van meer dan 400 vragen onderwees over het verleden, het heden en de toekomst. Na vele omzwervingen zou de tekst uiteindelijk in West-Europa terecht zijn gekomen. Sidrac zou rechtstreeks door God geïnspireerd zijn. Daarmee profileerde het boek zich positief ten opzichte van vergelijkbare boeken.
Het Livre de Sidrac werd in 1318 of 1329 vertaald door een Antwerpse auteur. In zijn proloog (m.n. vs. 1-159) en epiloog (uitgegeven in Van Tol 1936) legt de vertaler uitgebreid rekenschap af van zijn werkzaamheden. Bijzonder is het feit dat die proloog en epiloog berijmd zijn, terwijl de vertaling zich conformeert aan de prozavorm van het origineel. De vertaler betoogt dat alleen een prozavertaling de goddelijke kennis van Sidrac volledig recht kan doen. Dat hij in zijn eigen verantwoording in de proloog gebruik maakt van de versvorm, komt omdat de Middelnederlandse literaire traditie in het begin van de veertiende eeuw nog nauwelijks bekend was met proza. Vandaar ook dat de vertaler zoveel moeite doet om die ‘nieuwe’ vorm te verantwoorden (vs. 52-80). De belangrijkste reden dat hij voor de prozavorm kiest, is dat het in een berijmde vertaling onmogelijk is om een letterlijke vertaling te maken. Bij een versvertaling zou hij onherroepelijk gedwongen zijn de oorspronkelijke inhoud te verdraaien.
Naast zijn voornemen de Franse bron zo letterlijk mogelijk te vertalen, neemt de auteur de vrijheid om een aantal passages onvertaald te laten, sommige omdat hij ze te moeilijk achtte voor zijn publiek en ‘sommige omdat ze mij niet aan het hart gingen’ (vs. 149-159). Wat hij daarmee precies bedoelt, is niet duidelijk. Opmerkelijk is dat een letterlijke vertaling niet per se een complete vertaling hoeft te zijn. De auteur bepaalt wat wel en wat niet voldoende belang heeft voor zijn publiek. Hij ‘herschept’ zijn bron (vgl. Lie 1994b).
In de epiloog van de tekst komt de auteur in een dankwoord aan God terug op zijn verzoek uit de proloog om hem voldoende tijd van leven te geven voor de voltooiing van zijn tekst.