terug  begin  verderprepost
[p. 48]

11
Sidrac

Het Oudfranse Livre de Sidrac (ofwel Livre de la fontaine de toutes sciences, tweede helft dertiende eeuw) is een caleidoscopisch werk over godsdienstige, natuurkundige en ethische onderwerpen. Om de tekst de schijn van autoriteit te geven, kaderde de auteur het in de heilsgeschiedenis in: Sidrac was (847 jaar na Noach) een wijze filosoof uit het geslacht van Jafet, die de heidense koning Boctus van Battorien aan de hand van meer dan 400 vragen onderwees over het verleden, het heden en de toekomst. Na vele omzwervingen zou de tekst uiteindelijk in West-Europa terecht zijn gekomen. Sidrac zou rechtstreeks door God geïnspireerd zijn. Daarmee profileerde het boek zich positief ten opzichte van vergelijkbare boeken.
Het Livre de Sidrac werd in 1318 of 1329 vertaald door een Antwerpse auteur. In zijn proloog (m.n. vs. 1-159) en epiloog (uitgegeven in Van Tol 1936) legt de vertaler uitgebreid rekenschap af van zijn werkzaamheden. Bijzonder is het feit dat die proloog en epiloog berijmd zijn, terwijl de vertaling zich conformeert aan de prozavorm van het origineel. De vertaler betoogt dat alleen een prozavertaling de goddelijke kennis van Sidrac volledig recht kan doen. Dat hij in zijn eigen verantwoording in de proloog gebruik maakt van de versvorm, komt omdat de Middelnederlandse literaire traditie in het begin van de veertiende eeuw nog nauwelijks bekend was met proza. Vandaar ook dat de vertaler zoveel moeite doet om die ‘nieuwe’ vorm te verantwoorden (vs. 52-80). De belangrijkste reden dat hij voor de prozavorm kiest, is dat het in een berijmde vertaling onmogelijk is om een letterlijke vertaling te maken. Bij een versvertaling zou hij onherroepelijk gedwongen zijn de oorspronkelijke inhoud te verdraaien.
Naast zijn voornemen de Franse bron zo letterlijk mogelijk te vertalen, neemt de auteur de vrijheid om een aantal passages onvertaald te laten, sommige omdat hij ze te moeilijk achtte voor zijn publiek en ‘sommige omdat ze mij niet aan het hart gingen’ (vs. 149-159). Wat hij daarmee precies bedoelt, is niet duidelijk. Opmerkelijk is dat een letterlijke vertaling niet per se een complete vertaling hoeft te zijn. De auteur bepaalt wat wel en wat niet voldoende belang heeft voor zijn publiek. Hij ‘herschept’ zijn bron (vgl. Lie 1994b).
 
Dicke hebbic die gene bescouden1
 
Die hem ane die boeke houden
 
Daer sy clene profijt inne leren,
[p. 49]
 
Alsoe sijn geesten vanden heren,4
5
Van Pertelpeuse, van Amedase,
 
Van Troyen ende van Fierenbrase5-6
 
Ende menich boec datmen mint
 
Daer men luttel orboers in vint;8
 
Nochtan half logene es ende mere9
10
Ende anders en hebben engene lere10
 
Dan vechten ende vrouwen te minnen
 
Ende lant ende stede ende borge te winnen.
 
Daer anders niet inne en leit
 
Dan der werelt ydelheit;
15
Ende leggen die boeke onder voet15
 
Daer men wijsheit, doget ende goet16
 
Ende troest van allen goeden rade
 
An leren mach, vroech ende spade.
 
In weet wat sire inne menen.19
20
Dese slachten wel den genen20
 
Die liden doer enen bogaert,21
 
Die met vruchten sijn bewaert,
 
Ende netelen ende distelen plucken gaen
 
Ende die goede vrucht laten staen,
25
Die goet sijn ende van smake soete
 
Ende van evelen geven boete.26
 
Aldus eest ende anders niet,
 
Die de dinc te rechte besiet.
 
Die den tijt onledich maken
30
Met onoerboerliken saken,
 
My dunct dat sy zere riesen,31
 
Want sy den tyt verliesen
 
Die nemmermeer no wijf no man
 
Daer na weder verhalen en can.
35
Want die tijt es ons ghegeven,
[p. 50]
 
Omme dat wy in dit leven,
 
Dat overlijt soe cortelike,37
 
Verdienen souden hemelrike.
 
Ende die hier luttel sayen
40
Selen ginder luttel mayen.40
 
Daer omme behoren sy ten vroeden,
 
Die ghene die hem hier soe spoeden
 
Te sayene dat goede sait,
 
Daer men ginder af ontfaet
45
Hondertfout van lone.
 
Te Antwerpen daer ic wone
 
Soe quam my een boec ter hant
 
Daer ic in bescreven vant
 
Vele duechden ende wijsheden
50
Ende leringe van goeden seden
 
Ende hoe die mensce soude leven.
 
Dit boec was in Walsche bescreven
 
Sonder rime in slechte woert.53
 
Doen werdic daer toe becoert
55
Dat ic dit boec woude maken
 
Uten Walsche in Dietsche spraken,
 
Sonder rime alsoe ic sach
 
Dat hy inden Walsche lach,
 
Omme dat ic van dier edelre leren
60
Een woert niet woude anders keren
 
Dant die edele wise clerc
 
Selve dichte in sijn werc.
 
Want rime, alsoe wijt vinden,
 
Doet dicke die materie winden64
65
Anders danse die makere seide
 
Ende ierstwerven int schrift leide.
 
Die de materie sal leggen wale67
 
Van ere tale in een ander tale,
 
Die sal den text leggen dan
70
Soe hy alre gelijcxt can.70
 
Dit sal van rechte sijn sine sede,
[p. 51]
 
Alsoe alse sinte Jeronimus dede,72
 
Die de bybele ende menich ander werc
 
Int Latijn dichte als een clerc
75
Uten Grixe, dat hy conste wale,
 
Ende oec ute Ebreusche tale.
 
Hy en deder toe noch af
 
Anders dant dauctor ute gaf.
 
Die anders doen, sy doen quaet.
80
Hoets hem elc, dats mijn raet.
 
Dat ic dit werc ierst ane ginc,81
 
Dat en dedic omme gene dinc
 
Anders dan dat ic niet en woude
 
Dat dese edele leringe soude
85
Den Dietscen lieden verholen wesen
 
Die geen Walsch en connen lesen,
 
Noch geen Walsch en verstaen.
 
Want ic hope sonder waen,
 
Dat sy selen daer omme bedi
90
Vriendelike bidden voir my,
 
Omme dat ic die pine bestoet.91
 
Want die leringe die es goet
 
Beide ter zielen ende ten live,
 
Die ic hier na bescrive.
95
Die boec daer icse ute trac,95
 
Es geheten die wise Sidrac,
 
Na enen clerc, wijs ende fijn,
 
Was philosophe ende astronomijn,
 
Die God alsoe hadde vercoren
100
Dat hijt al wiste te voren
 
Dat in de werelt soude gevallen
 
Ende hoe sy inden soude met allen;102
 
Van firmamenten ende van planeten,
 
Hoe der inglen coor sijn gheheten,
105
Dit was hem algader cont.
 
Hout voor eenen vont,106
[p. 52]
 
Die beter es menichfout
 
Danne ghesteente, zelver of gout,
 
Want vele beter es wijshede
110
Danne enighe erdsche rijchede.
 
Want dese bouc hevet in
 
Der warelt fundament ende beghin
 
Ende oec zal hi doen verstaen
 
Hoet metten achtersten zal gaen,
115
Daer de warelt zal nemen fijn;115
 
Ende de welke behouden zal sijn
 
Als God de warelt zal domen117
 
Ende hoe si ter bliscap sullen comen
 
Metten inglen daer boven;
120
Ende oec die werden verscroven120
 
Ende gheworpen in die pine,
 
Hoe hem in die helle staet te sine,
 
Van vagheviere ende van paradise mede
 
Ende oerbare leringhe in menigher stede,124
125
Waer of wi ons zouden hoeden,
 
Die Sydrac leerde, die vroede,
 
Eenen onghelovighen coninc,
 
Hiet Boctus, die hem leerde dese dinc,
 
Doe hine metter gracie van Gode
130
Hadde bekeert te sinen ghebode.
 
Dit was naer Noe VIIIc jaer
 
Ende XLVII daer naer.
 
Dese Sydrac was van Gode vercoren
 
Ende van den geslachte van Japhette geboren.
135
Nu bid ic Jhesum van Nazarenen
 
Dat hi mi wille verlenen
 
Macht, sin ende ghesonde
 
Ende te levene zo langhe stonde,
 
Dat ic dit werc bringhe toe
140
Ende mijn leven betren zoe
 
Dat ic daer naer sciere
 
Come te ghenadighen vagheviere.
 
Daerbeit zal mi wesen zwaer,
[p. 53]
 
Want ic oud was vichtich jaer
145
Doen ic dit werc ierst began,
 
Ende hebbe versleten nochtan
 
Met dichtene minen sin,
 
Daer sonder ic nemmeer en ben.
 
In dichte niet, dat weet wale,
150
Dien boec ute altemale:
 
Vanden cruden latic nut
 
Ende vanden stenen die virtuit,152
 
Ende oec eenderhande sotterie,
 
Die men sonder astronomie
155
Niet toe gebringen en can.153-155
 
Het es te swaer elcken man;
 
Ende oec some ander dinc,
 
Die my int herte niet en ginc,
 
Hebbic al gelaten uut.

Epiloog (vs. 1-21)

In de epiloog van de tekst komt de auteur in een dankwoord aan God terug op zijn verzoek uit de proloog om hem voldoende tijd van leven te geven voor de voltooiing van zijn tekst.

160
Ghelooft zi God van hemelrike
 
In Sine glorie ewelike,
 
Dat Hi mi so langhe spaerde
 
Ende minen zin also verclaerde163
 
Dat ic dit werc met minen arbeide
165
Uten Walsce in Dietsce leide.165
 
Want ict niewer omme dede
 
Dan omme gemene zalichede
 
Al der goonre dieze lezen.168
 
Ic hope God mijn loon sal wezen.
170
Ende ic bidde hem allen met trauwen
 
Die desen boec selen scauwen
 
Dat sij Gode bidden vor mi
 
Dat Hi mijns genadich sij;
[p. 54]
 
Alst comt te minen laetsten stonden
175
Dat Hi mi dan al mine zonden
 
Verre van mi wille werpen.
 
Al in die stat tAntwerpen
 
Wast dat ic dit translateerde,
 
Doe men Gods jare noteerde
180
XIIIc XV ende drie.180

1bescouden: beschuldigd.
4geesten: heldendaden.
heren: hoge heren, krijgslieden.
5-6Van ... Fierenbrase: dit zijn verwijzingen naar populaire ridderromans (nl. de verhalen van Parthonopeus, Amadis, de Trojaanse oorlog en Fierabras), die volgens de vertaler van de Sidrac maar weinig leerzaam zijn.
8orboers: nut.
9Nochtan ... mere: bovendien is het voor de helft of nog meer gelogen.
10engene: geen enkel.
15Ende ... voet: en (deze mensen die dit soort boeken lezen) leggen (andere) boeken terzijde.
16doget: deugd.
19In ... menen: ik snap niet waarom ze dat doen.
20slachten: lijken op.
21liden: lopen.
26van evelen geven boete: van ziekte doen genezen.
31riesen: dwalen, dom handelen.
37Dat ... cortelike: dal zo snel voorbij gaat.
40ginder: aan gene zijde.
53slechte: eenvoudige.
64winden: veranderen.
67leggen: vertalen.
70Soe ... can: zo letterlijk mogelijk.
72sinte Jeronimus: Hiëronymus stond in het geval van de bijbel slechts een strikt woordelijke vertaling toe (vgl. de algemene inleiding).
81ane ginc: op mij nam, begon.
91Omme ... bestoet: omdat ik deze moeite voor hen deed.
95trac: vertaalde.
102inden: ten einde komen.
106vont: schat.
115zal nemen fijn: tot een eind zal komen.
117domen: oordelen.
120verscroven: verdoemd.
124oerbare: nuttige.
152virtuit: kracht.
153-155eenderhande ... can: een dwaasheid die niet zonder astronomie uitgevoerd kan worden.

163verclaerde: verlichtte.
165leide: vertaalde.
168dieze: die dit werk.
180XIIIc XV ende drie: deze datering (1318) is onzeker. Een ander handschrift geeft 1329 als datum van voltooiing.
prepostterug  begin  verder