Een mogelijk nog omvangrijker oeuvre dan dat van Jacob van Maerlant schreef de Bijbelvertaler van 1360 (zo genoemd naar zijn belangrijkste werk, de vertaling van het grootste deel van het Oude en het Nieuwe Testament, ca. 1359-1360). Van deze auteur zijn maar liefst 13 teksten (of liever gezegd: vertalingen) overgeleverd, terwijl minstens twee andere werken van hem niet bewaard zijn gebleven. Naast de bijbelvertaling kennen we onder andere zijn vertaling van de Legenda Aurea (waarschijnlijk zijn eersteling, uit 1357-1358) en de verderop in onze bloemlezing figurerende Benedictus regule (1372), Sinte Gregorius Omelien (1380), Der heyleghere vadere collacien (1382) en Sente Gregorius Dyalogus (1388).
Deze Oostvlaamse auteur schreef voor twee soorten publiek. Het ene deel van zijn teksten was bestemd voor leken en het andere deel voor kloosterlingen. Waarschijnlijk leefde en werkte de Bijbelvertaler in de omgeving van Brussel.
De Bijbelvertaler had voor zichzelf een bijzondere missie voor ogen: de canon van het christelijk geloof in de volkstaal omzetten, opdat iedereen zelf kennis kon nemen van het woord Gods en de uitleg daarvan door de kerkvaders. Aan al zijn teksten (alsmede aan de verschillende bijbelboeken) gaat een proloog vooraf waarin dit voornemen op telkens nieuwe wijze herhaald wordt.
Maar niet alleen in de prologen en epilogen geeft de Bijbelvertaler zijn missie als vertaler van de ‘verholenheit vander scriftuer’ te kennen. Ook midden in zijn teksten maakt hij met grote regelmaat gebruik van glossen om specifieke vertaalproblemen kenbaar te maken. Zo legt hij bij de vertaling van ‘virago’ (Gen. 2, 23; krachtige vrouw, mannin) verantwoording af van zijn vertaling ‘manhaghet’ (de man behagend): ‘Deze sal heten manhaghet, want si es van den man ghenomen. In Hebreeusch hiet die man is, ende omdat dwijf van den man was, soe hiet hise issa. Man hiet in Latijn vir ende daer af eest wijf interpreteert virago, ende dat was properlijc des eerst wijfs name. Nu es dat alre wyve name, eer si haer suverheit verliesen, maer nu laet men die a claer ute ende seit virgo. Dese virago Duutschen wi manhaghet, want met late daer oec ute een a, soe eest oec maghet, dat virgo bediet.’ Dergelijke etymologieën werden in de Middeleeuwen als volkomen legitiem beschouwd.
Hieronder volgen achtereenvolgens enkele passages uit de algemene proloog en de subprologen op die ander partye van der bibelen (bedoeld is de ‘historiserende’ versie van Petrus Comestors Historia scolastica, hier m.n. het gedeelte dat correspondeert met Kronieken en de daaropvolgende bijbelboeken) en Ecclesiasticus. Omdat de Bijbelvertaler van 1360 zijn werk in fasen voltooide, bevatten niet alle handschriften de volledige vertaling. Bij zijn uitgaven heeft De Bruin verschillende handschriften gevolgd.
In al deze prologen komt op indringende wijze de polemiek aan de orde tussen de Bij-
belvertaler van 1360 en zijn - voor ons anoniem blijvende - tegenstanders inzake het vertalen van de bijbel voor (het Latijn niet machtige) leken (De Bruin 1967-1971; de hier opgenomen prologen zijn uitgegeven in respectievelijk De Bruin 1977 (p. 1-4), De Bruin 1984 (p. 5) en De Bruin 1978 (p. 350).
1Om deze sake heeft mi langhe int herte gheweest, dat ic gherne dit fundament van-1-22der Scriftueren uuten Latine te Dietsche trecken soude: om dat ic hope datter me-23nich salich mensche die ongheleert es van clergien, sijn profijt in doen soude, ende3 4 dat oec enighe lude den tijt daer in corten souden, als si te anderen idelheiden gaen4-5 5 solden op die heileghe daghe die gheordineert sijn ende gheset sijn vander heile-56gher kerken. Dat die ghemeyne lude op die daghe die die kerke oeffenen souden6 7 ende hon dan meer wachten van sonden dan op dandere daghe, dat sy moeten dan7 8 veronledicht sijn in haren werke8.
...
9Dit werc dat ic meyne te onderstaene en es negheen cleyn dinc, mer hets een werc9 10 van groeter pinen ende arbeide, dat my menighe raste ende nacht slaep benemen10 11 sal, eer ict volbrenghe. Nochtan wetic wel dat het sal sijn seer benijdt onder die11 12 clergie, hoe dat sy nochtan wel weten ende merken selen die orberlijcheit daer af.12 13 Want Gregorius seit: ‘Ghewarighe gherechticheit heeft in compassie, mer die val-1314sche gherechticheit heeft in onwerdicheit’. Want enighen clereken tornt dat men14 15 die heymelijcheit der Scriftueren den ghemeynen volke ontbynden soude, ende en15 16 willen niet weten dat Christus apostelen in allen tonghen ende spraken haer leringhe16 17 bescreven ende predicten den volke.
18Oec en meyne ic in desen werke en neghenen poente jeghen die meyninghe18 19 der Scriftueren te doene, mer metter hulpen des Heilichs Gheests daer sy mede be-20schreven es, soe meyn icse ghetrouwelijc te dietschene soe ic naest mach, die let-2020-21
21tere houdende van woerde tot woerde oft van synne te sinne of van beiden onder-2121-2222menghet, soe dat het die lude verstaen moghen na den sede van onsen lande. Mer 23 vele woerde die hier sijn selen, diemen niet volmaectelijc ghedietschen en mach, 24 die sal ic dietschen soe ic naest mach, mer die meyninghe van sulken woerden sal-24-2625ic te eniger stat daer neven uute setten met eenre paragrafen, alsoe ict vinden sal in 26 wel gheauctoriseerden boeken.
27Mer om dat sinte Bernaert seit: ‘Altoes gheloefdic mynen synnen myn dan enen2727-28 28 anderen’, soe bid ic elken die verstandel es ende soe wel gheleert dat hi die historie 29 vander bibelen wel versteet: ghevielt dat hi in desen werke vonde enich woert oft 30 sin dien hi bat ende volmaecteliker mochte ghedietschen ten profite vanden werke, 31 ja behouden der letteren vanden texte, dat hi dat beteren wille ende mi daer in ver-3132vaen. Ende soe wat dat icker in ghemist mocht hebben, dat wite mijnre plomper 33 onverstandelheit ende niet mijnre meyninghen. Mer eer hem iemant daer in onder-34winde te beterene of te corrigerene, besie dat hi synre verstandelheit wel vast sy, ja 35 by gheauctoriseerden boeken.
36Echter soe sal men weten ende verstaen, om dat die bibele in menigher stat es 37 soe doncker van verstandenissen, soe sal ic tallen steden daert profijt ende orbere37 38 wesen sal, nemen uut Scolastica Historia ende settent biden texte, mer dat salic wel3838-39 39 tallen steden onderscheiden, waert beghint ende eynde neemt, met roden encke. 40 Ende soe wie hier namaels uut desen boeke enen anderen scryven wilt, hi moet 41 naerstelijc merken ende hem wachten dat hine scry ve alsoe dese gheordineert es,41 42 of hi soude dwerc seer blameren ende sijn pine verliesen.42
...
43Nu moet my God, om Sijn guedertierenheit, die voerseide boeke metten selven 44 gheeste daer si mede eerst bescreven sijn, volmaectelijc gheven te trecken uuten 45 Latine te Dietsche, ter eren ende ter glorien van Sinen groeten naeme ende ten or-46bere ende ten profite van Sinen volke.
47Hier wil ic beginnen die ander partye van der bibelen. Hoe die joden - die Nabugo-47-48
48donisor, die coninc van Babilonien, gevangen gevoelt hadde in Babilonien - bij-49den oerlove Cyrus, sconincs van Persen, weder keerden in Juda ende vermaecten49 50 den tempel ende die stat Jherusalem, die die voir seide Nabugodonisor gedestrueert50 51 hadde. Want zij geduerden inder gevangenisse binnen den lande van Babilonien 52 LXX jaer, also hem Got voirseit hadde bijden prophete Jeremiam.
53Nu salmen weten dat Esdras ende Neemias, die van deser wederkeringe scri-5354ven, zeer doncker ende zwair zijn te verstaen ende tonthoudene. Dair om sullen wij 55 dair af die historie scriven also Historia scolastica hout, ende settent in Duytsch. 56 Ende Hesters historie ende oic van Alexander ende vanden Machabeuschen, elc te56 57 sijnre stat, al soet behoert ende wij naest moegen, die lettere houdende, also wij in57 58 dierste partie hebben gedaen. Mer nochtan weet ic wel ende voersie dat onse werc 59 hier af zeer benijt sal werden ende beknaecht van verwoeden honden, die lachteren 60 willen datmen die heymelicheit der Scrifturen den leecken volc ontbint. Mer die60 61 meyningen dair ict om doe, die weet Got. Ende dair om mach ic seggen met Davit:61 62 ‘Ic hoepe in Gode, ic en sal niet ontsien, wat my die mensche doet. Der menschen62 63 kindere haer tande sijn wapen ende geschut, ende haer tonge is een scherp zweert.’ 64 Mer ic bidde elken oetmoedelick, die hire in sijn prophijt doen sal, dat hij Gode 65 bidde oever my sondare, dat hij my oever mynen arbeyt den ewelicken loen wille 66 verlenen. Amen.
67In Sydracs Soens boec die men noemt Ecclesiasticus om dat hi is ghescreven inder67 68 bibelen metten boeken die van der wijsheit spreken, daer omme willen wien oec uut68 69 trecken te sijnre steden, alsoet behoert, in Dietscher spraken. Dese boec spreket van 70 alte scoenen dinghen die ten heilegen levene toe behoeren, ende oec vanden goeden 71 ende vanden quaden ende van ghetrouwen ende van onghetrouwen, waer in ende 72 waer bi datmen deen onder den anderen onderkennen mach openbaer. Mer ghelijc72
73 dat die heileghe kerke Judith, Thobiam ende Machabeorum leest, nochtan dat sise73 74 niet ontfaen en heeft onder den gheesteliken scriftueren die haer toe behoren, alsoe 75 leest si oec dese boeke die vander wijsheit spreken om die scone notabilen ende75 76 leringhe die daer in sijn bescreven. Niet dat bi desen boeken tgheloeve vander hei-77leger kerken wert ghestarct. Hier omme eest dat yemant in onser translacien vindt 78 yet daer hi sijn profijt ende sijn salicheit in doen mach, ende hem dunct dat wi dit 79 nae rechter letteren van Latijne in Dietsche ghetrocken hebben sonder missen, soe 80 dancke hi den ghevere van alre gracien, Gode den Vader ende Jhesum Cristum, si-81nen Zone, ende den Heileghen Gheest, die welke drie een sijn inder Gotheit ende 82 drievoudich inden personen. Mer eest dat daer yemant in vindet dar hem dunct dat 83 wi daer in ghemist hebben, hi wite dat onser kintscheit ende onser ongheleertheit 84 ende hi bidde voer ons den ghenen, die gherecht ordelere es, die ontfermich is, dat84 85 Hi ons die mesdaet verlate. Want onse vrient, die ons die bibel dede beghinnen, hi 86 en laet ons niet gherusten, en si dat wise hem leveren in gheliker talen al uut. Mer 87 nochtan weten wi, want het is ons nu kenlec, datter vele selen sijn, die dit werc 88 meer selen achter spreken overmits hatie dan van doechden prisen, ende selen voer88 89 plompe liede selke woerde onser translacien valsch willen maken, daer si nochtan 90 selve niet af en souden weten, waren si voer die ghene diet verstonden. Van desen 91 lieden voerseide wel David die prophete: ‘Si scarpten haer tonghen alse serpenten,91-92 92 der aspiden venijn is onder haer lippen.’92