In 1372 vertaalde de Bijbelvertaler van 1360 de regels van Benedictus voor het benedictinessenklooster in Vorst. Opdrachtgever was Lodewijc Thonijs, een Brusselse burger wiens zus Maria in dit klooster was ingetreden. Op verzoek van diezelfde Lodewijc Thonijs maakte de Bijbelvertaler tien jaar later zijn Der heyleghere vadere collacien (zie hieronder, tekst 15).
De nonnen waren kennelijk onvoldoende op de hoogte van de inhoud van hun (Latijnse) kloosterregels. Waarschijnlijk ging het daarbij niet zozeer om de kennis van de regels, als wel om de achterliggende gedachten. Opmerkelijk is natuurlijk dat de vertaling tot stand kwam dankzij de bemiddeling van een relatieve buitenstaander, een man van buiten de geestelijke stand. Dat lijkt een bewijs voor een grote betrokkenheid tussen leken en regulieren (vgl. De Bruin 1970-1971, m.n. p. 23-26).
1Dese regule dede te Dietsche maken Lodewijc Thonijs van Bruselle, omme jonc-2vrouwe Marien wille, sijnre zuster, nonne te Vorst, om dat si ende dandere jonc-23vrouwen van dien cloestere (beide die nu sijn ende hier na wesen selen) te bad de3 4 regule selen moghen verstaen ende weten wat si sculdech sijn te doene. Daromme44-5 5 elc dier sijn profijt in doen sal, hi bidde, over hen beide te live ende ter doot ende5 6 over den ghenen die den arbeit dede.
Amen.