Paus Gregorius de Grote (ca. 540-604) was een van de belangrijkste kerkvaders. Hij schreef tal van teksten, waaronder de Dialogi (ca. 593-594). De tekst bestaat uit vier dialogen waarin onder andere de wonderdaden, visioenen en voorspellingen van de 5de en 6de-eeuwse heiligen en het voortleven van de ziel na de dood besproken worden. Er zijn twee Middelnederlandse vertalingen gemaakt: een 15de-eeuwse Noordnederlandse, vervaardigd in de kringen der Moderne Devoten; en een Zuidnederlandse van 1388, op hoge leeftijd geschreven door de Bijbelvertaler van 1360 (Deschamps 1972, p. 177-180).
De proloog van de Bijbelvertaler (uitgegeven in De Vooys 1903, p. 141) gaat op twee manieren in op de totstandkoming van de tekst. Eerst maakt de auteur kenbaar dat hij teruggekomen is op zijn eerdere voornemen om, in verband met zijn zwakke gezondheid en zijn slechte zicht, geen teksten meer te schrijven. Als reden voor deze ommekeer geeft hij op dat hem bij voortduring gevraagd is om Gregorius' Dialogus te vertalen. Hij ervaart deze opdracht indirect als een opdracht van God, die de wil en de intenties van de mens steeds in Zijn richting stuurt. Die opdracht van God komt terug in het verweer tegen de critici van het vertalen van schriftuurlijke teksten in de volkstaal. Met een citaat uit de Psalmen (‘de Heer is mijn hulp, ik vrees niet wat de mensen zullen ondernemen’) neemt de auteur hen alle wind uit de zeilen. Hij heeft met zijn vertaling niet de intentie om Gods geloof of de Heilige Kerk te schaden. Daarmee sluit hij aan bij menig andere proloog die uit zijn pen kwam vloeien, namelijk dat het juist een taak van de clerus is om de heilige schrift voor leken te vertalen.
2Om mine eenperleke siecheiden ende crancheiden van minen licht dat mi van out-2
3heiden sere gefalleert es, so hadde ic ghemeint - also ic vor tijts in een voerredene33-4 4 van enen boeke gescreven hebbe - dat ic nemmeer boeke uten Latine te Dietsche 5 getrocken soude hebben. Maer ic mach seggen met Jeremia den prophete: ‘Ic weet5 6 dat in den mensch sijn wech niet en es.’ Dats te verstane: dat sijn wille ende sijn 7 meenen niet gestade en sijn, want Onse Here leid se te Sinen wille, op dat de men-78sche betrouwen in Hem heeft. Want seder dat ic den vorseiden wille ontfinc, so heb 9 ic daer af binnen een croenen gehadt ende eenperleke vermanen ende nopen sonder9 10 rusten om Sente Gregorius Dyalogum (dat men bedieden mach ‘ondertalen’ dat es10 11 ‘vragen ende antwerde’) te Dietsche te treckene, ten profite van den ongeleerden 12 menschen.
13Ende dit Dyalogus es gedeilt in vier boeken, also de materie van den werke 14 heischt. Mer vele geleerde liede becnagen ende lachteren dat men den leecken men-1415schen de scrifture in Dietsche maect. Selke om dat sijt niet gedoen en connen dat1515-16 16 anderen doen, andere om dat men verholenheit dat scrifturen den gemeenen lie-1616-1717den oppenbaert. Maer in wat dat ic te Dietsche getrocken hebbe, daer ic gedoelt 18 mach hebben met miere onconstecheit, biddic ende begere dat elc dat betere dies18 19 wel vroet es. Want mijn wille en es niet yet jegen Gods geloeve, ocht jegen de hei-20lege kerke te doene. Hier omme mag ic jegen dusdane becnagers met Davitte ant-20 21werden: ‘De Here es mijn hulpe; ick en sal niet ontsien wat de mensche doen sal.’21