terug  begin  verderprepost
[p. 85]

20
Theophilus

De Theophilus is een Mariamirakel over een in ongenade gevallen geestelijke die zijn ziel aan de duivel verkoopt. Als hij berouw krijgt, roept hij met succes Maria's hulp in. De Latijnse bron gaat terug op een negende eeuws verhaal, terwijl de anonieme Middelnederlandse vertaling waarschijnlijk in de tweede helft van de veertiende eeuw geschreven is.
De vertaler wilde het verhaal toegankelijk maken voor mensen die het Latijn niet machtig waren. Uit de proloog (uitgegeven in Blommaert 1858) blijkt dat hij bang was dat men hem zijn vertaalarbeid kwalijk zou nemen. Daarom houdt hij zijn naam angstvallig verborgen (vgl. vs. 17-20). Voorzover wij weten, is dit motief nergens anders in de Middelnederlandse letterkunde zo expliciet verwoord.
 
Gode biddic dat Hi mi sende
 
Tallen beghinne goeden inde.
 
Ene dinc willic beghinnen
 
Daer ic mi bat moch ane bekinnen.4
5
Dats, of ic mochte ende of ic conste
 
Ende mi God Siere hulpen onste,
 
Ene miracle van Siere goeder
 
Ende van Siere ghebenedider moeder,
 
Van der moeder ende van der maghet
10
Die ons heeft tparadijs bejaghet.7-10
 
Dese mieracle willic bescriven
 
Om dat sal behouden bliven
 
Van den Latine in Dietschen bediede;
 
Doer dat sijn vele liede
15
Dies niet te vroeder en souden wesen,
 
Al hoerdent sijt in Latine lesen.
 
Oft noch worde openbare,
 
Ende iement wiste wie ic ware,
[p. 86]
 
Hine sal mi dit niet lachteren19
20
Noch minen name daer bi niet achteren.20
 
Dat ic mi noch onderwinde
 
Dat ic in Dietsche rimen binde22
 
Dies orconde die soete vrouwe23
 
Die ic naest Gode best betrouwe,
25
Dat ic doer ghene idelhede
 
Noch doer den prijs van iement mede
 
Hebbe begonnen dese sake;
 
Maer omme te sine met ghemake
 
Jeghen idelheit ende sonder sonde,
30
Hebbic in Dietsche onderwonden.
 
Ende oec doer den groten lof,
 
Daer ons al goet es comen of.
 
Nochtan vresic achtertale.33
 
Mochtic mi oec wachten soe wale34
35
Dat men neghene van mi en seide,
 
Soe mochtic segghen voer waerheide
 
Dat niemen en ware mijn ghenoet.37
 
Want mijn gheval ware soe groet,
 
Na dien dat mi ghescepen staet,38-39
40
Bedi die werelt es soe quaet,40
 
Datter alle liede plien.41
 
Wilden si hem selven besien
 
Die der achtertalen pleghen,
 
Si souden hem wachten daer jeghen.
45
Nochtan die de beste wanen sijn
 
Sijn vele argher dan venijn,
 
Ende die die liede meest begripen,47
 
Men mach se metten selven nipen.48
 
Al es dit ghedichte niet wel ghemaect,
50
Ende niet alsoe wel als een ander smaect,
 
Tighet mijnre ongheraecthede51
[p. 87]
 
Ende minen haesteghen sin mede.
 
Al hebbic recht of en doe,
 
Ic hebbe den wille goet daer toe.
55
Nu biddic der soeter coninghinne,
 
Daer ic dit omme beghinne,
 
Dat ic des moete volcomen,57
 
Gode teren ende ons te vromen.

4Daer ... bekinnen: waar ik goed van op de hoogte ben, weet van heb.
7-10van ... bejaghet: (een omslachtige omschrijving van) Maria.
19lachteren: berispen, euvel duiden.
20achteren: benadelen.
22binde: vastleg.
23Dies ... vrouwe: daarover kan Maria getuigen.
33achtertale: achterklap, laster.
34Mochtic ... wale: als ik ervoor zou kunnen zorgen.
37ghenoet: gelijke.
38-39mijn ... staet: ik vrees grote tegenspoed.
40Bedi: want.
41plien: verantwoordelijk voor zijn.
47begripen: belasteren.
48metten selven nipen: met gelijke munt terugbetalen.
51ongheraecthede: onvermogen, onvolmaaktheid.
57volcomen: voltooien.
prepostterug  begin  verder