Der vrouwen heimelijcheit is een gynaecologisch-obstetrisch traktaat dat in de veertiende eeuw uit het Frans vertaald werd. De bron van die Franse tekst is De secretis mulierum dat aan Albertus Magnus (ca. 1193-1280) wordt toegeschreven. De Middelnederlandse tekst is mogelijk in de buurt van Kleef geschreven (Van Doorn en Kuiper 1976-1977 en Claassens 1996).
De Middelnederlandse tekst is bijzonder omdat de auteur zijn tekst gelardeerd heeft met 24 lyrische intermezzi, waarin hij zijn liefde voor de dame in wier opdracht hij de tekst schreef tot uitdrukking brengt (zie ook de proloog, uitgegeven in Blommaert 1846). Nu eens uit hij zich bijzonder hoopvol, dan weer ten einde raad (vgl. ook Van der Poel 1996).
De vertaalreflectie in de proloog beperkt zich tot de opmerking dat de tekst in opdracht van de dame vertaald is. Verderop in de tekst laat de auteur zich explicieter uit over het vertalen. Opmerkelijk daarbij is dat hij steevast verwijst naar zijn Latijnse bron, terwijl onderzoek heeft uitgewezen dat hij hoogstwaarschijnlijk gebruik gemaakt heeft van een Franse intermediair (vgl. Van Doorn en Kuiper 1976-1977). Mogelijk speelt hier de algemeen geaccepteerde betrouwbaarheid van Latijnse bronnen (en het ontbreken van betrouwbaarheid in het geval van Franse bronnen, vgl. ook de proloog van het Bouc van seden) een rol.
In het laatste citaat geeft de auteur inzicht in zijn bevoogdende werkwijze. Hij zegt het grootste deel over methoden voor het plegen van abortus weg te laten, om niemand in die verleiding te brengen. Abortus is immers een zondige daad. Maar om eventuele critici die zouden willen beweren dat hij niets van dit onderwerp afweet de mond te snoeren, heeft hij toch een paar methoden beschreven.