In de tweede helft van de twaalfde eeuw schreef een Noord-Franse kluizenaar (de ‘Reclus de Molinens’; de titel Rinclus is afgeleid van dit Franse woord voor kluizenaar) een paar strofische gedichten, waaronder het Miserere, een tekst over geloof en zeden. Gielijs van Molhem vertaalde (waarschijnlijk in de veertiende eeuw) de eerste 96 (van de in totaal ongeveer 300) strofen. Later voltooide een zekere Heinrec de vertaling. Over beide Dietse schrijvers is ons niets bekend, dus ook niet waarom Gielijs zijn vertaalarbeid staakte (Serrure 1859-1860).
In de proloog wordt een bijzonder spel gespeeld met de namen van de oorspronkelijk Franse auteur en diens vertaler: de kluizenaar van Molinens en Gielijs van Molhem. Gielijs verklaart zichzelf in wezen incapabel de tekst te vertalen, maar ziet in de naamsovereenkomst een teken dat hij uitverkoren is om dat werk toch (met Gods hulp) op zich te nemen. De tekst is zo'n goed afweermiddel tegen de aanvallen van de duivel, dat hij hem graag in het Diets vertaalt. Door het ‘spelletje’ met de namen wordt Gielijs wel gedwongen om te goochelen met de persoonlijke voornaamwoorden: nu eens spreekt hij over zichzelf in de derde persoon enkelvoud, dan weer in de eerste persoon enkelvoud (Sonnemans 1995, p. 117 en 125-126).