De Latijnse Visio Tnugdali is rond 1149 in Regensburg geschreven. Het beschrijft de visionaire reis van de Ierse ridder Tondalus door het vagevuur en de hel naar het paradijs. Doel van de auteur was een religieuze strekking te verpakken in attractief proza. De tekst was uitzonderlijk populair in heel Europa en is in het Middelnederlands viermaal vertaald (Palmer 1982). Drie van die vertalingen zijn in handschriften overgeleverd en de vierde in druk.
De drie handschriftelijke versies (uitgegeven in Verdeyen en Endepols 1917) stammen uit de eerste helft van de vijftiende eeuw. Ze bespreken in hun proloog allemaal de achtergrond van de vertaling. Alle drie benadrukken zij het belang van de tekst als een waarschuwing voor de pijnen van hel en vagevuur en als een bron van inspiratie om het leven in dienst van een zalige eeuwigheid te stellen. Redactie G (vgl. Palmer 1982 redactie H) staat kennelijk aan het begin van de prozatraditie in het Middelnederlands. Dat blijkt uit de manier waarop de vertaler verantwoordt dat hij zijn tekst niet in rijm zet. Rijmen zijn alleen maar aangenaam voor het oor, zo betoogt hij. De essentie van de brontekst daarentegen zou ernstig lijden onder een berijmde vertaling. Redactie H (vgl. Palmer 1982 redactie F) geeft aan dat deze vertaling tot stand kwam ten behoeve van de medechristenen. De auteur drukt voorts het besef van zijn creatieve onvermogen uit: zonder Gods hulp brengt een mens niets tot stand. En dan nog zullen er vanwege de menselijke gebreken fouten in zijn tekst sluipen. Die neemt hij geheel voor zijn rekening en hij verzoekt de mensen die ze ontdekken die fouten te verbeteren. Al het goede, zo benadrukt hij, is rechtstreeks afkomstig van God. Redactie N (begin vijftiende eeuw via een Middelhoogduitse intermediair in het Middelnederlands vertaald; vgl. Palmer 1982 redactie E) is gemaakt om Paulus' waarschuwing over het einde der tijden kracht bij te zetten. Deze tekst bevat overigens niet alleen een vertaling van Tondalus' visioen, maar ook een verwant verhaal over Patricius' Vagevuur.
1 Van eenen rudder hiet Tondalus, een edel man. Hier naer so volghet een harde 2 scone materie als vanden tormenten die de sielen moeten ghedooghen naer dit 2 3 allendeghe leven de welke tormente waren vertooghet eenen rudder diemen 4 hiet Tondalus ende staet ghescreven inden Spieghel Hystoriael 4
5Inden name Ons Heeren ic beghinne ten profijte ende ter heeren ende ter weerdi-56cheit van eender hedelre Jonfer, wiens salichede ic hebbe begheert van langhen ti-67den, alst wel recht es. So willic hu eenen bouc bedieden dien hic vonden hebbe in 8 den Latine ende huut trecken in Dietsche, ende hare dan senden, want ic hope het8 9 sal haer sijn bequame.
10Maer men sal weten dat ic desen bouc niet en begheere te rimene, om dat icker10-11 11 no af no toe doen ne wille van den ghenen dat ic vand in Latine. Ende ooc so en 12 es men gheen helighe scriftuere sculdich te rimene, want in den rijm en es gheen 13 ander voordeel dan dat den hooren gheeft soeten luut. Ende metten rimene so wert13 14 alle helighe scriftuere gheconfondeert.14
15Dit visioen van desen bouke ghesciede int jaer Ons Heeren als men screef .M.C. 16 ende .XLIX., in eenen ruddere die men heet Tondalus, wies ziele te menigher pi-17nen ende te grooter glorien ghevoert was, also desen bouc verclaren sal hier naer. 18 Ende om dat een vulmaect goed wille ende een claer jonste vulcomen sal, ende ic18 19 meene dat huerbuerlic sal sijn uwer sielen ende allen menschen diet sal ghebue-1919-2020ren te visenteerne ende te lesene, so, hedele jonfrouwe, ic bidde hu dat ghi blidelic20 21 dese cleene ghifte ontfaen wilt, die ic om uwen wille ende om uwe salecheit besocht21 22 hebbe.
23So wie datter neerenstelic in wille lesen ende de woorden merken, hi sal van23 24 anxenen hem wachten van sonden ende sijn leven belyen sinen gheesteliken vader.24 25 Want alle creaturen hebbens te doene, want van gheere saken so en es men sekerder25 26 dan de doot ende niet onsekerder dan den tijt vander doot.
1Hijr begint dit bueck van eynen vroemen ridder, wel geleert inden wereltliken 2 consten der ridderscap, ende genoempt Tondalus. Ende is van sijnre verschei-2-33denisse ende wiedercomst overmits die ontfermherticheit Gods, als hi selve na-34maels vertelt.
5Want wy niet een moeghen noch en willen eynich werck beghinnen noch volbren-6gen daer eynighe doecht in is, sonder den genen die ierste sake is alles dincs, so bid-6
7den wy den voerseyden - dat is Gode - dat hi al onse beghen teynen gueden eynde7 8 moet bringhen.
9Dit nae volgende bueck was ghesonden ende ghedicht uuter barbarscher talen in9 10 die Latijnsche van eynen manne van gheestliken ordenen ende leven die genoempt10 11 was Marchus, eynre heyliger - of God wilt - abdissen. Ende want eyn groet gebot11 12 van Jhesus Cristus den Soen Gods is: ‘Du salt dijnen even kerstene mynnen ge-1213lijck dy selven.’ Hijr by sijn wy sculdich te begheeren dat ellic minsche so Gode 14 ontsaghe ende diende, dat sijn seel Gode ewelike mochte aenschouwen. Omme14 15 dese sake voerseyt hebbich dit werck voerwaert uter Latijnscher talen wille in Duyt-16sche te setten. Want ic wel kenne my selven ende mijnen sen niet so subtijl alse dit 17 toe te brenghen sonder sonderlingen hulpe van den ghenen die was ende is ende17-18 18 wesen sal sonder begen ende sonder eynde. Helpt mit my, allen diet horen, bidden 19 te Gode dat ich volbrengen moet dit werck mit salicheden ende mit eren. Ende dat 20 erghens moet werden gehoert ende gelesen, dat eynich mijns evenkersten te badt20 21 heb aen sijn seel. Oec biddich hem allen dijt horen solen ochte lesen, vernyemen 22 se hijr in yet dat te calegierene si, dat si dat verbeteren ende niet en ergeren, omme22 23 alre clercke ere. Want esser yet guets in, dat comet van Gode ende al dander comet 24 van mijnen gebreken.
1 Hier beghint dat prologhe of voersprake op Tondolus
2Sancte Pauwel die apostel secht tot Thimotheum sinen jonger: ‘In den lesten da-23ghen sullen ancomen vreselike tijde. Ende die menschen sullen wesen hem selven3 4 mijnnende, gierich, overmodich, hoveerdich, blasphemieres, onghehoersam, on-5dancber vader ende moeder, mysdadich, sonder mijnne, sonder vrede, overdadich, 6 sonder suverheit, sonder guedertierenheit, verraders, wreet mynres der ghenoech-7ten meer dan Gods. Oec hebbende die ghedaente ofte den schijne der heilicheden, 8 mer die doechden daer van loechende.’
9Als men apenbaer sien mach, soe steet de werlt meest als Paulus voersecht heeft.9 10 Ende omdat die mijnne Gods voel menschen gheen vrese in en brenget, daer om-
11op dat sij de vrese der pijnen die nae comen sal bedwijnghen sal van den sunden 12 ende brengen tot ghewariger penitencien en bekenninge hoers selves - soe mene ic12 13 Tondolus visione van Irlant (vanden pijnen die hi sach ende leet inden vegevuer) in 14 Duutsche te setten uutten Latijn. Ende oec Patricius - des apostels van Irlants - ve-14-1515ghevuer. Tot enen spiegel alre menschen an te sien, also alst enen ynnigen monick15-17 16 van Irlant dient dese Tondolus openbaerde en voirt screef eenre ynniger abdissen 17 diet an hem versochte.