In de eerste helft van de vijftiende eeuw schreef een Amsterdamse dichter een aantal geestelijke gedichten in de voor het Middelnederlands ongebruikelijke jambische versmaat. Ook de prologen bij die teksten getuigen van een eigenzinnige geest van de auteur, die zich afzet tegen de bestaande Dietse literatuur. Zijn meest bekende tekst is Ons Heren passie, een evangeliënharmonie, waarvoor de auteur de Vulgaat als bron gebruikt heeft.
In de proloog kant de dichter zich met name tegen een bekende Middelnederlandse tekst over het leven van Christus, Vanden levene Ons Heren. Hij beschuldigt de auteur van die tekst omwille van het rijm dingen aan het verhaal toegevoegd te hebben die overbodig en soms zelfs pertinent onwaar zijn. Om zijn betoog kracht bij te zetten citeert hij enkele verzen uit Vanden levene Ons Heren om de miskleunen aan te kunnen wijzen. Voor dergelijke fouten heeft de auteur van Ons Heren passie zich gehoed. Hij daagt zijn lezers uit om de Vulgaat ter vergelijking naast zijn tekst te leggen. Vgl. Kienhorst en Sonnemans 1996.