terug  begin  verderprepost
[p. 112]

32
Jacob Vilt: Troost van philozophien

In 1466 vertaalde de Brugse goudsmid Jacob Vilt De consolatione philosophiae van de Romeinse politicus en en filosoof Boethius (ca. 480-524). Hij biecht daarbij overigens eerlijk op dat hij als bron voor zijn vertaling een Franse vertaling gebruikte. Ten onrechte schreef Vilt die vertaling toe aan de bekende Franse auteur Jean de Meung (ca. 1240-1305). Die schreef - naast zijn voltooiing van de Roman de la Rose en een reeks andere teksten - inderdaad een Franse vertaling van De consolatione philosophiae. De bron die Vilt echter gebruikte, was een jongere Oudfranse vertaling, die evenwel de proloog van Jean de Meung had overgenomen. De vergissing lag dus voor de hand. Vilt vertaalde de zeer uitgebreide proloog van Pseudo-De Meung (in totaal 672 verzen, vgl. Sonnemans 1995, p. 195-212) in zijn geheel. Hieronder worden het begin en eind van die proloog uitgegeven (resp. vs. 1-85 en 655-672).
De vertaling heeft de prosimetrische vorm van het oorspronkelijke werk van Boethius behouden. Alleen daaruit spreekt al een ontzag voor de brontekst. Dat ontzag wordt in de proloog inderdaad geëxpliciteerd: in navolging van Pseudo-De Meung neemt Vilt zich voor de tekst ‘van woorde te woorde’ te vertalen (vgl. vs. 48). Dat hij zich daarbij heel wat op zijn hals haalt, realiseert Vilt zich maar al te goed, want verschillende malen verontschuldigt hij zich bij voorbaat voor de eventuele fouten. In vs. 95 zegt hij zelfs letterlijk dat hij ‘qualic translateren can’. Vgl. Goris 1996 en Goris en Wissink 1997.
 
In Gods heylighe waerde name
 
Ende in zijn eere om elx vrame,2
 
Heb ic te dichtene seer vercoren
 
Een boucxkin dat mittelic wort om hooren
5
Den gheenen die thoochste goet begheeren.
 
Hoement vercrijcht, machmer in leeren
 
In Dietsche, wil my God levens jonnen.7
 
Ten alder besten dat ic sal connen,
 
Sal ict stellen, dat es mijn meenen,
10
Wil my God zijn gracie verleenen.
[p. 113]
 
Maer elc mensche die moet wel weten
 
Dat ic my niet en mach vermeten12
 
Dat ic de materie studeerde
 
Of dat ic den bouc eerst oordeneerde,
15
Maer een goet man, in liden, in pine,15
 
Maecte dien eerst in scoonen Latine.
 
Boecius was zijn rechte name,
 
Een harde wijs clerc van groter vrame.
 
Ende huut den Latine, langhe daer na,
20
Stelden een ander, zo ict versta,20
 
In Walsche. Men hiet dien meester Jan
 
Van Meun, goet clerc ende oec wijs man.
 
Gheerne soudicken, const ict gheraken,
 
Om elx profijt in Dietsche maken
25
Huut den Latine ende huut het Walsche,
 
Ten naesten, dat ict lettel valsche.26
 
Om die Latijn noch Walsch en connen
 
Heb ic den arbeit eerst beghonnen.
 
Dies biddic elcken, wort het vuldaen:29
30
Dat zij diet lesen ende beede verstaen,
 
Dat es het Walsche ende het Latijn,30-31
 
Dat si doch in mijn hulpe zijn,
 
Up dat ic yeuwers of meer of min
 
Stelde dan de verstannesse heeft in,33-34
35
Midts dat ic in consten ben seer weec
 
Ende in verstannessen ooc een leec
 
Ende int Latijn wel na al stom.
 
Dus comter wat in dat clercken dinct crom,
 
Bij goeden besceede zo biddic dien
40
Dat si mijn simpelheit willen an sien
 
Ende rechten tcromme ter Gods eeren,41
 
So dat het wel sta om elckerlijx leeren.
 
Meester Jan, oec hier vooren vermont,43
[p. 114]
 
Die seecht ende maect my int Walsche cont,
45
In zijn prologhe: ‘Waer gheordonneert
 
Dit bouc juyste ende ghetranslateert
 
Na tLatine in eenighe tale
 
Van woorde te woorde alte male,
 
Gheleerden clercken diet lesen zullen
50
En zoudent niet wel verstaen te vullen.’50
 
Dus stelde hijt, zeit hij, sonder haesten,51
 
Ten besten verstane, ende ten naesten.
 
Ende hem wil ic nu volghen mede
 
Ten naesten, na mijn mueghenthede.
55
Maer sonder hulpe ende gracie van boven
 
Ende zonder bede, ende sonder loven
 
Es mine mueghentheit veel te cleyne.
 
O, maecht Maria, moeder Gods reyne,
 
Wilt doch nu doen mijn behouflike bede
60
Ende draghen die ter hoochster stede
 
Voor Jhesum Cristum wiens moeder ghij sijt,
 
Die tsondaers bidden te gheenre tijt
 
Hooren en wil noch bringhen in state
 
Ten zij dat ghij Sijn advocate
65
Sijt. Maria, fonteine vul duechden,62-65
 
Pryeel des hemels, vul euwigher vruechden,
 
Van ontfaermicheden coninghinne,
 
Troost vul zoeticheden, zuvre minne
 
Ende hope der dolende buten den weghe
70
Van allen gracien ende van zeghe,
 
Ic bid hu oetmoedelic met natten ooghen,
 
Suchtende, bevende: wilt moederlic pooghen
 
Altoos te sine mijn advocate
 
Ende voor my nu bidden dat ic in state
75
Van hu kijnts gracie mach gheraken,
 
Zo dat ic dit bouc doch mach vulmaken
 
Ende bringhen tot eenen profiteliken heynde
 
Van elcken mensche die in elleynde78
 
Ende in keytivicheden licht ghevanghen
80
So vaste, dat hij leeft in verlanghen
[p. 115]
 
Ende om sijn doot eenpaerlic bidt,81
 
Om dat hem zijn aermoede so zeere verhit.
 
Dus helpt my, Maria, sonderlinghe,
 
Als nu ter tijt dat ict vulbringhe
85
Ende zo maken dat het elc versta.
 
...
 
Dits vander prologhe thende dan,
 
Die maecte van Meun meester Jan,
 
Of emmers de maniere wel na
 
Ten beste also ic tWalsche versta.
90
In prose staet sijn Walsch ghescreven;
 
In dichte heb ic mijn Vlaemsch ghegheven.
 
Dus esser yet dat niet juuste en gaet,
 
Dats om dat tVlaemsche in dichte staet
 
Ende oec om dat ic ben leec man
95
Ende qualic translateren can.
 
Maer doch so willic voort volghen an96
 
Den bouc, om dat ict daer om began
 
Ende daer in vaste moyen mijn sinnen,
 
Ende dien voort in Vlaemsche beghinnen
100
Van welcken tLatijn beghint alzo:
 
‘Carmina qui quondam studio - vt super’.
 
tWalsche beghint up deze maniere:
 
‘Je qui souloie ditter et escripture...’

2vrame: nut.
7wil ... jonnen: als God mij voldoende tijd geeft het te voltooien.
12Dat ... vermeten: dat ik mij er niet op kan beroemen.
15in liden, in pine: Vilt refereert hier aan het gegeven dat Boethius zijn tekst in zijn dodencel schreef.
20Stelden: vertaalde hem (te weten: deze tekst).
26Ten ... valsche: zo letterlijk mogelijk, om de inhoud niet te veel te verdraaien.
29wort het vuldaen: wordt het werk voltooid.
30-31zij ... Latijn: degenen die mijn tekst lezen en bovendien het Frans en het Latijn machtig zijn.
33-34Up ... in: omdat ik waarschijnlijk nu eens iets aan de betekenis toevoegde en dan weer iets over het hoofd zag.
41Ende: geëmendeerd uit ‘Et’.
43vermont: genoemd.
50te vullen: ten volle.
51Dus: daarom.
62-65Die ... Sijt: die enkel luistert naar het gebed van zondaars als u Hem adviseert.
78Van: ten bate van.
81eenpaerlic: voortdurend.
96doch: ondanks mijn beperkte kwaliteiten als vertaler.
prepostterug  begin  verder