In 1466 vertaalde de Brugse goudsmid Jacob Vilt De consolatione philosophiae van de Romeinse politicus en en filosoof Boethius (ca. 480-524). Hij biecht daarbij overigens eerlijk op dat hij als bron voor zijn vertaling een Franse vertaling gebruikte. Ten onrechte schreef Vilt die vertaling toe aan de bekende Franse auteur Jean de Meung (ca. 1240-1305). Die schreef - naast zijn voltooiing van de Roman de la Rose en een reeks andere teksten - inderdaad een Franse vertaling van De consolatione philosophiae. De bron die Vilt echter gebruikte, was een jongere Oudfranse vertaling, die evenwel de proloog van Jean de Meung had overgenomen. De vergissing lag dus voor de hand. Vilt vertaalde de zeer uitgebreide proloog van Pseudo-De Meung (in totaal 672 verzen, vgl. Sonnemans 1995, p. 195-212) in zijn geheel. Hieronder worden het begin en eind van die proloog uitgegeven (resp. vs. 1-85 en 655-672).
De vertaling heeft de prosimetrische vorm van het oorspronkelijke werk van Boethius behouden. Alleen daaruit spreekt al een ontzag voor de brontekst. Dat ontzag wordt in de proloog inderdaad geëxpliciteerd: in navolging van Pseudo-De Meung neemt Vilt zich voor de tekst ‘van woorde te woorde’ te vertalen (vgl. vs. 48). Dat hij zich daarbij heel wat op zijn hals haalt, realiseert Vilt zich maar al te goed, want verschillende malen verontschuldigt hij zich bij voorbaat voor de eventuele fouten. In vs. 95 zegt hij zelfs letterlijk dat hij ‘qualic translateren can’. Vgl. Goris 1996 en Goris en Wissink 1997.