terug  begin  verderprepost
[p. 34]

Anton van Duinkerken:
Ik neem liever psalmen in dan rattenkruit

‘Andersen, die sprookjes maken kon, is meer waard dan een hele toren van Babel met de opeengestapelde lijken van kerels die allemaal geleerde woorden hebben geschreven of ingewikkelde dingen konden uitrekenen. Van de karkassen kan je nog niet eens een fabel van La Fontaine maken. Een fabel van La Fontaine is meer waard dan de volledige bibliotheek, dan de volledige geschriften van de universiteit van Göttingen.’

‘God is er ook helemaal uit! Nee? Nou, het vertelsel is er ook niet uit. Men gaat er tegenwoordig bijna groots op niet te geloven. Maar het is niet meer waard dan mijn rechterarm. Niet geloven is de pick-up in plaats van de piano. Groots zijn op het niet geloven is: “God wat ben ik knap, ik kan geen piano spelen...” Het is het tot deugd verheffen van iets niet kunnen. Lees het allemaal wat ze maken. En lees dan één verhaal van Balzac.

En lees Andersen. Laat ze maar geleerd doen. Maar nooit zal er een tijd komen, dat men zal zeggen, waar is Andersen gebleven. Andersen is in het hart van elk kind.’

 

‘Als je in dit land zegt dat Godfried Bomans en Simon Carmiggelt tien maal beter zijn dan W.F. Hermans, heeft dat een uitwerking of je overal alle ruiten ingooit. Maar als Carmiggelt jenever is van 45 pct, dan is wat Hermans maakt nog geen 3.5 pct. Hermans is dun bier.’

‘Mulisch is een enorm prozaschrijver, Hugo Claus is groot. Hermans niet. De donkere kamer van Damocles is veel minder dan Gekken van Van Looy, het is bijna een gat in de grond daarbij en dan nog met de volledige miskenning van de werkelijkheid zoals

[p. 35]

die was. Dat wreekt zich altijd. Meneer Hermans wéét niet hoe het was. Die geheimzinnige opdrachtgever heeft niet bestaan. Mulisch' geheimzinnige opdrachtgever van Eichmann bestaat. Die van Hermans niet, die heet geen God, geen paus, geen duivel. Die is niet echt.’

‘Als Mulisch de mis ziet opdragen na de dood van zijn vader, beschrijft hij die doorleefde vuiligheid. Hermans heeft het in Ik heb altijd gelijk over holle tanden van het hosties kauwen. Ziet u, Mulisch is een groot schrijver. Hermans is een zwak fantast. Tussen Mulisch en Hermans is een even groot verschil als tussen Shakespeare en... en... en... die De Monnik heeft geschreven. Het laatste wat je zijn moet is een stijlvernieuwer. Het eerste wat je moet zijn is stijl. Mulisch is de stijl van Mulisch. En als hij zo oud is als ik, heeft hij ook een standbeeld. Dat geeft niks. Hij zal altijd zijn sabel trekken.’

‘Als Hermans zegt dat hij iets tegen me heeft, is dat onbelangrijk. Ik zou het me wel hebben aangetrokken als Ter Braak niet had ingezien wat ik waard was. En (mompelend) Mulisch nu. Die leeft net zo goed in 1923 als nu. Hij zou geleefd kunnen hebben in de twaalfde eeuw. Maar Hermans die een Karolingische roman zou schrijven... wees nou wijs. De tranen der acacias, vergelijk dat met welk werk van ook van Dostojewski. Dan zeg je: daar heeft Hermans ook in gelezen en daar is Mulisch ook in gegroeid. Die hoeft het nergens te halen. Hij heeft zijn eigen mosterd.’

 

‘Kijk, denken leer je niet, dat kan je alleen ontwikkelen door denkers te lezen. Al de rest kun je leren. Ook schrijven kan je leren. Maar de eenheid van zich verbeelden, denken en voelen, dat is er of het is er niet.’ Zegt dat wanneer hij zijn studenten een willekeurige bladzijde uit Hermans' werk zou geven en één uit dat van Mulisch en hun vroeg: maak onderscheid tussen denken, voelen en het zich verbeelden van de schrijver, dan zouden ze er bij Mulisch nooit uitkomen. ‘Want daar is het één geheel.’

Aan deze storm ging een andere, hoewel een minder hevige vooraf: ‘Du Perron heeft iets heel groots gedaan, hij heeft Indië begrepen. Beter dan Multatuli. Daarom is hij een groot man. Maar hij is geen Antoon Coolen, die een vertelsel kan vertellen. Driekwart van Du Perrons werk laat mij volledig koud.’

[p. 36]

ik: ‘Het land van herkomst vind ik een groot boek.’

a.v.d.: ‘Ja, dat zegt men in de twintigste eeuw, nu de roman in verval is. Ter Braak was de man die Nederland op dat ogenblik nodig had. Du Perron niet. Ik heb trouwens nooit ingezien waarom Du Perron zo'n grote bek moest hebben tegen Theun de Vries, die oneindig meer wist en beter een vertelsel kan vertellen, dan Du Perron ooit vermocht heeft.’

‘Theun de Vries is door de Duitsers ter dood veroordeeld en heeft 3 maanden in z'n cel op de dood gewacht. Kijk, dat vind ik het smerige van de mensen die de volledige Du Perron hebben gemaakt. De naoorlogse Du Perron is een vervalsing geworden. Du Perron heeft destijds zelf zijn boekje tegen Dirk Coster teruggetrokken op grond van Costers houding tegen de nazi's. Theun de Vries is dus nu communist. Maar hij heeft 3 maanden zitten wachten op de voltrekking van zijn vonnis. Hij is een hele fijne man.’ ‘Ter Braak was uit Eibergen en ik uit Bergen op Zoom. Bij hem was het begin beter, bij mij de staart. Hij was het type van de noorderling.’ Beschrijft een ontmoeting in een stationswachtkamer in Den Haag. ‘We zaten met de ruggen naar elkaar, elk aan een tafeltje. De ober kwam langs. Ik zei: Ober, een glas bier. Hij: Ober een kop thee. We draaiden ons om. Hé... ben jij hier? onze overeenkomst en verschil: We zouden geen van beiden de ober voorbij laten gaan zonder iets te consumeren. Hij nam thee, ik bier. Ter Braak was een hele fijne man. Hij heeft over mij en ik over hem dingen geschreven die we raak bedoelden. Maar we waren vrienden. We hadden een omgang die berustte op eerbied.’

ik: ‘Hebt u gelezen wat W.F. Hermans destijds in Randstad over Ter Braak schreef?’

a.v.d.: ‘Nee, nee, ik zit in Nijmegen. Ik loop over zebra's.’

Heviger storm na mijn toelichting: het noemen van Hermans sneer op Ter Braaks onvermogen om een roman te schrijven en op zijn zelfmoord.

 

‘Hermans zal maken wat Ter Braak gemaakt heeft. Ter Braak heeft een eeuw gemaakt. We zitten hier in 1963 en praten over Ter Braak. Geef Hermans die tijd en alle Willem Frederiken heten weer Van Nassau. Ter Braak blijft door echt te zijn, door doodgewoon Ter Braak te zijn uit Eibergen. Hij heeft geen zelfmoord

[p. 37]

gepleegd. Hij heeft in het lichaam van Ter Braak op Hitler een moord gepleegd. Hij heeft die man niet willen zien. Dat kon hij alleen door zijn ogen te sluiten. Als hij ze had kunnen opheffen, was het in zeker opzicht beter geweest. Maar daar had hij 150 psalmen voor nodig, die hij zich niet herinnerde. Nee, die had hij nooit gekend, hij had die troost nooit. Hij heeft Hitler uitgebannen uit het licht van zijn ogen. Hij wilde het leven niet meer. Dat kun je wel laf vinden, maar er is moed voor nodig. Ik (mompelend) neem liever psalmen in dan rattenkruit.’

 

Dit waren uit een lang gesprek enkele spectaculaire fragmenten die belangrijk zijn voor deze poging tot een portret. Nu wat lichtere toetsen. Het begin is huiselijk: prof. Asselbergs, zijn vrouw en ik drinken koffle. De gouache, die ik wel zou willen hebben, blijkt van een van de zoons, die schilder is. Het ‘biologisch museum’ (een geweldige verzameling stenen, schelpen, schedeltjes enz. in de kelder), dat ik straks mag bekijken, is van een andere zoon: bioloog van nature, een aanleg geërfd van zijn moeder. Ik noteer dat haar man haar een expert noemt op het gebied van de Franse keuken en de Franse klassieken. En dat hij elke keer dat een van de 8 kinderen geboren werd, een nieuwe boekenkast kreeg. Er worden me sterk versleten bundels met Kronkels getoond: ‘Zo wordt Carmiggelt bij ons gelezen.’

a. van duinkerken (soepel gestemd): ‘Nou kijk, ik was op het seminarium tot mijn 24ste jaar, tot drie weken voor het laatste examen, toen ben ik er weggegaan.’ Later zou hij hieraan iets essentieels toevoegen, nu blijft het bij: ‘In '29 begon De Tijd voor het eerst met een ochtendblad en een avondblad. Ik kwam (als letterkundig redacteur) bij het ochtendblad.’

Noemt de journalistiek de beste vooropleiding voor een hoogleraar. ‘Je leert je gedachten in de kortst mogelijke tijd zo scherp mogelijk formuleren. Ik heb nooit anders gehoord dan dat professoren op mensen van de krant en journalisten op hoogleraren schelden. Ik ben er zo'n beetje tussen in geraakt. Het werken voor de krant deed ik eigenlijk liever. Ik was toen ik er in 1952 uitging 50. Een ouwe man kan beter professor zijn. De tijd bij de krant heb ik heerlijk gevonden. Mijn eerste college is altijd over de journalistiek.’

[p. 38]

‘Ik had altijd gedacht, je zult zien als ik een paar borrels op heb, dan is Kloos dood. Kloos stierf toen ik aan een diner in Den Bosch zat. 's Avonds om 10 uur kwam het bericht door. Ik zat net aan de cognac. In die tijd moest je kopij, als je die per trein als perspakje verstuurde, een bepaald gewicht hebben.’

Hij vroeg de kelner een plavuis (platte tegel). ‘Ik schreef het stukje, ik had mijn rechterhand toen nog en de kelner met witte handschoenen kwam op een zilveren blad de plavuis brengen. Het stukkie was rot, maar die plavuis hadden ze in de keuken schoongewassen. Evengoed was Kloos dood.’

‘Eigenlijk heb ik als journalist het liefst gedaan wat heel snel moest.’ Besluit (in de lach schietend) zijn verhaal over het stuk dat hij op de valreep moest schrijven over de Zweedse Nobelprijswinnaar van 1935. ‘Wat je daar dan van maakte, van zo'n vent waar je eigenlijk niets van wist. Het ruwe werk, dat heb ik graag gedaan. Ik kan het me nu niet meer veroorloven.’

Zegt over Romme: ‘Hij lijkt mij een zeer onpraktisch man.’

‘Waarom?’

‘In het gijzelaarskamp was een directeur van de Hoogovens en iemand die aan het hoofd stond van Openbare Werken. Ze wisten niet waar de vuilnisbakken moesten staan. Er was maar één man die de plek aanwees, waar iedereen bij gebaat was, dat was Vestdijk. Conclusie: De onmiddellijke visie op de knooppunten van ruimte en tijd heeft alleen de kunstenaar. De meest praktische mensen zijn musici, beeldhouwers, schilders, dichters, dansers. Ik bedoel praktisch, niet in de zin van bedreven zijn in het invullen van een belastingbiljet.’

Begint met woorden te goochelen, lanceert paradoxen: ‘Wie eeuwigheidsduur heeft, heeft tijd, ook als hij geen tijd heeft.’ Stelt Milton, die precies wist wat een puritein met zijn gedichten kon doen tegenover Debussy, wiens plezier het was ‘maar raak te Debussiëren.’

Mompelt, snel uitblussend, dat voor iedereen het moment komt dat hij weet: dit is praktisch mogelijk binnen mijn vermogen. En roept: ‘Pas op hoor, pas op, dat durf ik niet te zeggen, omdat ik geloof dat wanneer iemand een talent in zich heeft, dit zich ook uit. Wie schrijven kan, schrijft.’

a.v.d.: ‘Vergeet niet dat we nu een zekere eerbied hebben voor

[p. 39]

de mens die iets aan cultuur bijdraagt, maar de bijdragen van het vroegere type heilige lagen op een ander terrein.’ Zegt met grote overtuiging dat Rimbaud dichter ligt bij wat we als het ideaal van een groot mens beschouwen.

‘Ik heb eens tegen Boutens gezegd, dat was op de zestigste verjaardag van Van Deyssel, het moet in 1934 geweest zijn, toen sprak Boutens zo'n beetje zijn minachting uit over heiligverklaringen, toen zei ik: “Meneer Boutens, er is voor we honderd jaar verder zijn een kerk denkbaar waar u en ik toe kunnen behoren en 't is mogelijk dat we het eens zijn over de opvatting, dat wat mensen als Tolstoj en Schweitzer deden tot de werkelijke prestaties behoren voor God.”’

‘De mens die niet gelooft in iets dat groter is dan hij zelf, kan niet iets maken. Hij hoeft het geen god te noemen. Hij moet zich als instrument beleven. Zou het niet mogelijk zijn dat straks de heilige iemand is die zich zelf ertegen aangooit? Die maakt wat ze nog niet maakten. Dat doet Karel Appel net zo goed als Rembrandt het deed. Als hij het niet begrijpt van zich zelf, het raadsel dat hij is, weet door te stoten door het patroon van het begrijpelijke. Descartes heeft het gedaan. Hij was een groot mysticus.’

ik: ‘Als u niet 3 weken voor dat examen was weggegaan, was u priester geworden, maar u wou in de journalistiek.’

a.v.d. (haastig afwerend): ‘Ja, maar dat weet je niet op dat moment. Je gaat het seminarium af, je staat reddeloos in de wereld. Het is een diepe toestand van weerloosheid, het is het helemaal onzeker zijn.’ Voegt er mompelend aan toe wat lijkt op: ‘Het zou niet onmogelijk zijn dat het instinct dat zoekt’.

 

Hij vertelt, zacht, zonder franjes van zijn familie, zijn broers en neven die allemaal in de ijzerindustrie zijn. ‘Ik vorm de enige uitzondering.’ Van de overgrootvader die bij zijn dood 12 fabrieken naliet en een straat die hij zelf bouwde.

‘Mijn vader had een bierbrouwerij, hij gaf niet om de industrie, hij was graag buiten, hield van de natuur.’ Een oom was priester en had gedichten geschreven. ‘M'n moeder kon enorm mooi vertellen. Ze vertelde van toen ik heel klein kind was af, verhaaltjes die ze zelf verzon. Dat speelt een grote rol. Ze vervlocht haar fantasie met werkelijkheid en ze las ons voor uit van die kinder-

[p. 40]

boekjes. Uit vaders familie ging iedereen de industrie in of werd priester. Niemand had meer dan de lagere school. Kijk, dat is het boek van het eeuwfeest van de fabriek. Honderdjarig bestaan. Dat is mijn overgrootvader, dat is mijn vader.’

‘Ik heb de eerste telefoon zien komen. Mijn oudoom zat op kantoor. Hij nam aan de telefoon z'n kalotje af als hij met de gouverneur van Brabant telefoneerde. We hadden nr. 5, en nr. 8 was de nonnenschool. Mijn oudoom belde nr. 8 als ze het bier konden halen. Ja, het bier, dat is pas sedert 1905 tegen hitte en kou bestand. Het is een uitvinding van de Denen. Het bier ging naar de gestichten, het weeshuis, de nonnen, omdat het op moest. Dan kregen de kinderen het bij hun boterham. Dat mag nu niet meer. Ik ben bij bier opgevoed, men zegt dat het slecht is.’

‘Ik heb de eerste vrachtauto Breda zien binnenrijden. Mijn oudoom zei: “Als het nu nog vuur uit de hemel gaat regenen, is de dag van het laatste oordeel gekomen.”’

‘Hij stierf na het bombardement van Antwerpen in 1914, overtuigd dat het zo ver was.’

Hoogleraarschap: ‘Ik heb de vorming meegebracht van iemand die journalist is, en niet van een geleerde. Ik ben wel iemand die iets geleerd heeft. De meeste geleerden hebben niets geleerd. Kritiek op de instelling die mij zelf niet gevormd heeft, lever ik liever niet. Maar willen wij over 50 jaar niet volledig verzinken in totale onkunde op het gebied van de Nederlandse letteren, dan moet het rijk nu al beginnen met een 2 jaar langere studie te bekostigen. En het moet de jongens die zich aldus kunnen specialiseren, als ze klaar zijn, meer dan het salaris van een leraar betalen. Nu worden ze opgeslokt door het onderwijs, daar is een tekort dat zeker in 10 jaar niet is ingelopen.’

ik: ‘U heeft geschreven over het belang van het gebrek voor de creativiteit. Wat beschouwt u als uw gebrek?’

a.v.d.: ‘Mijn rechterarm is in 1945 verbrijzeld, dat is iets rëels. En verder, je zou het een gemist gevoel kunnen noemen. Ik ben een verkapt melancholicus.’ Zwijgt na mijn antwoord. Mompelt over de spanning door 2 betrekkelijk mislukte dichtregels. ‘Het ergste is niet de spanning ervóór. Maar iets is af, je bent blij. En dan ziet het er de volgende dag zo grauw uit. Oh, dat verzinken van alle gloed in as, dat je altijd meemaakt. Alle dingen waaraan

[p. 41]

je je volle hartstocht geeft, worden net zo goed as. Dat bij iedere wieg de verkapte doodkist staat, dat besef hebben wij te sterk. Daardoor word je opgejut om te doen of 't niet waar is, dat te grote gevoel van betrekkelijkheid, vergankelijkheid, waardeloosheid. Ik heb nu 3 delen verzameld werk. Ik heb alles wat ik schreef min of meer opnieuw gemaakt. Dat is uitputtend geweest, om het nu naar mijn zin te krijgen.’

ik: ‘En uw gedichten?’

‘Ik schrijf niks, ik dicteer.’ Strekt de arm, schuift mouw omhoog. ‘Het spaakbeen is eruit...’

ik: ‘Maar ik geloof niet wat Gab. Smit schreef in de Volkskrant dat het door uw arm komt en dat u geen gedichten meer chrijft.’

a.v.d.: ‘Dat is ook niet waar. Ik schrijf ze nog wel. Maar niemand geeft er wat om. Laat ze eerst maar die van al die anderen lezen.’

 

Slot: ‘Politiek en geloof hebben niets met elkaar te maken. Uit het hele evangelie is eigenlijk maar één politiek beginsel af te leiden, dat is dat je de ander niet mag onderdrukken.’ ‘Nee, ik heb geen enkel manifest ondertekend sedert 1952. Ik wind me nog wel op, maar ik geloof er niet meer in.’

 

5 januari '63

prepostterug  begin  verder