In het café bij het station te Antwerpen wachtte Hugo Raes. Een soort jonge Ed van der Elsken, in ribfluwelen pak. Het gezicht behaarder, dunner, wilder dan te zien is op de foto aan de rugkant van De vadsige koningen. Hij is 33 en geboren onder het teken van de Tweelingen, waarvan hij wel 't een en ander gelooft. Zeker de kenmerken waartoe hij gedoemd is: zeer wisselvallig van stemming, om een kleinigheid in de put, beducht voor het nemen van beslissingen.
We reden in zijn 2 CV naar een kamer. Er stond een kleine schrijfmachine op de tafel, en er waren aan de muren abstracties, de meeste van Hugo Raes z'n hand. In het aangrenzende vertrek was een groot gedeelte van de muur (dit had hij niet zelf gedaan) bedekt met artikelen over hem en zijn boeken. Allemaal uit Nederlandse kranten en weekbladen, want z'n verhalenbundel Een tijdelijk monument is bij voorbeeld maar door één Vlaamse krant besproken. Van zijn De vadsige koningen bleef enkele weken geleden in De Standaard maar weinig heel. We zitten aan weerszijden van de oliehaard, die begint op te tornen tegen de kou. Een merkwaardig kermend geluid. 't Komt van boven.
h.r. (met afkeer): ‘Hoor je dat. Het is een kat die doof is. Als ze alleen thuis is schreeuwt ze verschrikkelijk. Het stoort me enorm als ik werk. Ik kan geen katten luchten. Deze is in 't water gevallen bij de haven en kreeg stookolie in de oortjes.’
Het leidt naar De vadsige koningen en de zenuwspanning die het schrijven ervan hem heeft gekost.
‘Ik leefde toen in een toestand van gefrustreerdheid en die had heel eigenaardige uitwassen. Veel van m'n verhalen zijn toen tot stand gekomen, veel zijn uit die toestand voortgekomen. De laatste tijd is die gekweldheid veel verminderd. Ja (lacht) 't is veel beter.’
ik: ‘Het kan een nadeel zijn voor je werk.’
h.r. (steeds lachend): ‘Dat denk ik ook wel es. Volgens Hermans wordt een goed boek alleen geschreven door een geobsedeerd auteur. Dat is zo, dat is waar. Maar ik kan me heel makkelijk verplaatsen in een sombere sfeer. En ik denk dat ik voldoende gekweld wordt. Mijn leven is ingewikkeld, gecompliceerd genoeg.’ Op de schoorsteenmantel is de foto van een meisje: sluik, zwart haar, lichte ogen, strenge mond.
h.r. (mompelend): ‘Ik denk dat het er bij mij toch niet uitgaat, zelfs een psychiater zou 't niet lukken, soms voel ik dat bijzonder goed. Vroeger had ik 't vaak, ik kon 't niet tegenhouden, ik had er de angst voor, voelde 't aankomen. Om de drie weken kreeg ik een enorme depressie, 't was een ramp. Ik voelde dat het ging komen, al die tijd kon ik niet werken en als ik weer aan het werk ging, als ik ging schrijven, kwam het opnieuw. Werd ik weer geblokkeerd, aldoor belemmerd door mezelf.’
Drank: ‘Van drinken stomp je geweldig af. Je geheugen gaat achteruit, je inbeeldingsvermogen zwakt af. Het is toch zo geweest dat ik me niets kon herinneren, me niet kon concentreren. Remco Campert was laatst hier, die vroeg: schrijf je ook als je wat binnen hebt. Ik zei nee, dan maak ik alleen onzin. Dat is ook mijn ondervinding, zei hij.
Vroeger ging ik wel door tot ik stomdronken neerstortte. De dag daarna heb je een kater, en daarna ben je moe. Het zijn drie volle dagen, die je kwijt bent door één keer drinken. Ik ben het aan het minderen. Het lijkt allemaal heel hartelijk in de Vlaamse kunstwereld, zolang je bij de pint staat... Als je wat maken wil, als je wat bereiken wilt, moet je je afzonderen. Ik blijf thuis, ik moet werken. Als we uitgaan, gaan we gewoon naar een volkscafé.
Het eerste verhaal uit Links van de helicopterlijn heb ik geschreven na een grote depressie. Ik dacht: zo kan ik 't onmogelijk volhouden. Er moet iets gebeuren. Er is iets gebeurd...
M'n nieuwe roman... 't is een liefdesverhaal, alhoewel... 't was
een moeilijk thema... 't houdt verband met de liefde. Het is zodanig erotisch... Ik weet wat het stempel zal zijn dat men er op zal zetten. Ik heb lang getwijfeld - maar ik kan alleen maar schrijven waar ik van vol zit.
't Is moeilijk om van die dingen iets te zeggen wat nog niet gezegd is. Dat het terrein zeer beperkt is, is te zien aan Miller. Als hij één boek geschreven had was 't eigenlijk voldoende geweest. Het erotische is allemaal hetzelfde. Ik vind trouwens De rosse bietser (The Gingerman) beter.
Ik dacht: ik wil nu niet altijd de zwartkijker zijn, ik zal eens iets zonnigs gaan maken. Het is niet gelukt. Er is een gedeelte zonnig en een deel zwart. 't Is er geloof ik wel interessanter door geworden.
Het eerste deel is de liefdesgeschiedenis, in het tweede deel blijkt de onmogelijkheid van alles. De onmogelijkheid van 't blijvende van de liefde, 't wordt geprojecteerd in de Derde Wereldoorlog. Een a. b. c., een atoom, bacterie, chemische oorlog. De grote waanzin, de totale verwarring breekt los. De onmogelijkheid van het voortduren van de liefde. 't Eerste deel is heel erotisch, 't tweede wordt de ondergang, 't is de heel pregnante vorm van frustratie.’
(Vrij lange onderbreking. Gedeelte dat niet gepubliceerd mag.)
h.r.: ‘Ze heeft weinig respect voor mannen. Ik kan me dat best begrijpen. 't Is iets wat in m'n boek is verweven, dat een man in de ogen van een vrouw verachtelijk is. De instelling van de man tegenover de vrouw is totaal fout. Dat is zeker iets waar Miller geen oog voor heeft. Het is daarom... (aarzelt, lijkt verlegen) dat ik me kan voorstellen, 't klinkt vreemd, dat m'n boek juist wel vrouwen zal aanspreken, veel meer misschien dan mannen. Ik geloof dat een man een vrouw niet begrijpt. Een man is niet toevallig genoeg om een vrouw echt te verstaan. Een man is veel dierlijker van instelling, veel oppervlakkiger ook.’
ik: ‘Vrouwen zijn grillig.’
h.r.: ‘Nee, het is juist de man die grillig is. Een vrouw is veel meer oprecht. Een man wil Don Juan blijven.’
ik: ‘Is het de roman van je schuldgevoel?’
h.r.: ‘Néé. Ik wou totaal iets anders maken dan De vadsige koningen.’
Oprechtheid: ‘Ik vind het moeilijk. Zelfs tegenover mezelf kan ik niet oprecht zijn. Een mens is totaal onberekenbaar. Vaak denk ik: Wat ik heb geschreven of geschilderd, is dat wel echt? Is dat geen flauwekul? Ben ik eigenlijk wel zo? Moet ik 't laten staan of schrappen? Schrappen is even kunstmatig. Ik heb het ook met dingen die ik zeg, een paar uur daarna zeg ik 't anders. Kijk, 't grootste gevaar is als je te veel wilt zeggen, meer dan je in je hebt. Iedere auteur heeft een tijd van bloei als die voorbij is gaat 't verwateren. Je zou de moed moeten hebben op te houden. Willem Elsschot heeft het gedaan, heel radicaal.
Ik geef 23 uur per week les, dat is veel, maar ik zou me erg beroerd voelen moest ik niets anders doen dan schrijven. Ik zou een schuldcomplex krijgen als 't me niet lukte.’
ik: ‘Frans de Bruyn zei dat jullie van die fijne baantjes kregen, sinecuurtjes.’
h.r. (opgewonden): ‘Dat wás zo, tot voor 4 jaar, toen is plotseling besloten ze niet meer aan schrijvers te geven, maar aan gediplomeerde ambtenaren.’ Vertelt van de betrekking die vrij kwam, een zeer begeerlijke, weinig energie eisende post. Iedereen dacht dat zal Louis Paul Boon krijgen. Iedereen vond dat het hem toekwam. Hij had geen schijn van kans. Een onbekende - wie bleef verzwegen - werd uitverkoren.
Het literatuur onderwijs (Engels en Nederlands) is verschrikkelijk. Onze intellectuelen lezen praktisch niet. Al wat geen literatuur en slecht is lezen ze. 't Is bij ons heel normaal dat universitair gevormden nooit een boek van Miller gelezen hebben en niets van Céline. Neerlandici denken dat de literatuur ophoudt bij Marnix Gijsen en Lampo. Te oordelen naar de verkoop van het werk van Hermans, Wolkers, Mulisch, Campert, Van het Reve en zelfs van mij in Nederland moet er daar veel meer aandacht zijn. Bij ons, op veel middelbare scholen, op gymnasia wordt er zelfs niet aangeraakt. Claus is een uitzondering. Hij is (onafhankelijk van z'n wil) een modeverschijnsel geworden. Hij wordt geaccepteerd, zowel door de bakvisjes als de jonge studentjes, die hem lezen zonder inzicht, zonder begrip.’
‘Ik heb nu De Bezige Bij gezegd m'n nieuwe roman niet in Vlaanderen te laten verschijnen. Het wordt er toch zo weinig verkocht. Van de 10.000 exemplaren van De vadsige koningen zijn er 1000 in Vlaanderen gegaan. Ik wil het niet. Het zou bepaalde mensen makkelijk een argument kunnen leveren. Ik ben nu 10 jaar bij 't rijksonderwijs en nog steeds niet vast benoemd. De inspecteur zegt: het is niet goed. Ik protesteer tegen de eisen die ze ons opleggen. De manier van les geven wordt ons opgelegd. Bij ons staat elk programma van uur tot uur vast, zelfs in de kinderklassen. De vrijheid van de leraar bestaat niet in België.’ In 1955 werd de toen op een school in Turnhout invallende leraar, H. Raes, op de zwarte lijst geplaatst. Hij kreeg geen werk meer omdat er brieven waren gekomen van ouders, die hem beschuldigden van het maken van socialistische, vrijzinnige propaganda. Hij had in de geschiedenisles de hervorming besprekend, voorbeelden van de decadentie gegeven: ‘De priesters en pausen hadden vrouwen,’ had hij gezegd.
‘Ik werd zachtjes, in alle stilte verwijderd. Dat is een ingreep op de persoonlijke vrijheid. Ik mocht, ik kon me op niets beroepen.’ (Na een half jaar kon hij door de hulp van vrienden, terugkomen.)
h.r.: ‘Dat is de neutraliteit van 't onderwijs: vooral alle christelijke waarden propageren, maar niets ertegen zeggen. Bij ons hangt in elk lokaal een kruisbeeld, dat is neutraliteit. Het zijn rijksscholen, maar als er geen kruisbeeld hangt sturen de ouders hun kinderen niet. Zulke dingen gebeuren alleen in Vlaanderen. Schrijvers zoals ik zijn bedervers.
Ik geloof dat men in Nederland veel breder denkt. Ik heb het verzoek gekregen om een spreekbeurt te houden voor de kro, het was een heel vriendelijke aanbieding, ik ben ook gevraagd om te schrijven in een katholiek blad. Hier is dat nooit gebeurd. Zelfs niet door een vrijzinnig. De Franse film A bout de souffle zou voor de tv komen. Er is van katholieke zijde druk uitgeoefend en de film is niet gegeven.
Claus alleen valt overal buiten. Hij is een instelling geworden. Men heeft over het algemeen geen benul van wat cultuur is. Men is zeer materialistisch gebonden aan dagelijkse belangen, aan een nieuwe wagen, een eigen huis. De welvaart is bij ons al langer aan
de gang dan bij jullie. En hoe ze ertoe geraken?’ Noemt driftig de honoraria van Vlaamse kranten f 30, f 20, f 35 per artikel. Alleen De Standaard moet meer betalen, hoeveel weet ik niet. Het honorarium voor het verhalen van een anderhalf uur durend radio- of tv-stuk, f 210. Hoont kwaad het deftig doen, het we-willennetjes-zijn, het laat ons beschaafd zijn (dat bij de welvaart past). ‘Het komt tot uiting in het gebruik van het Frans. Dat is de uiting van een snobbistische mentaliteit. In Nederland zien jullie het verkeerd. Er zijn hier ook veel mensen heel laks. Ik ben ook geen actief Vlaams strijder, maar er zijn een aantal dingen die me tegen de kop stoten. Jullie ziet dat niet goed. We gaan elke zomer naar zee, de kust is zuiver Nederlands. Dat men daar uitsluitend Frans spreekt is bijna hetzelfde als jullie in je land aan te spreken met Duits, en in jullie winkels Duitse opschriften te plaatsen. Het is niet meer dan rechtvaardig dat wij krijgen waar we recht op hebben.’
Zo komen we bij Willem Elsschot, die tegen de conducteur van de trein, die om ‘les billets’ vroeg, zei ik versta u niet. En u leest een Franse krant, zei de conducteur. ‘Dat is mijn zaak,’ zei Elsschot.
h.r.: ‘Hij was (wijst) zo kort als ik. Had een dun snorretje. Toen hij Links van de helicopterlijn had gekocht, zei hij: “Ik ga het met aandacht lezen. Ik heb er een en ander van vernomen”.’
‘Wil je z'n stamkroeg zien?’
We rijden naar smalle straten. Het is een heel rustig, comfortabel café, de cliëntele lijkt welvarend. Aan een tafeltje wordt gekaart. ‘Dat is het bier waarvan hij hield.’ Ik hap in het dikke schuim. ‘En hier speelde hij graag.’
Werpen met een metalen schijf in de genummerde holten van een donkerbruin houten bord.
4 januari '64