terug  begin  verderprepost
[p. 17]origineel

Hoofdstuk Twee

Een van de vreselijke canons was deze:

 
Daar sprong de rover Kaarsendover
 
op zijn paard het zeegat over
 
van Calais naar Dóóóver.
 
 
 
Maar halverwege riep de rover
 
ben ik 't water nog niet over?
 
Hee, ligt Dover zóóó ver?

Als hij driestemmig werd gezongen hoorde je alleen maar OVER, en dat vond de Rode Prinses schitterend. Ze riep telkens ‘Over!’ als het lied uit was, en de rovers begonnen dan overnieuw.

‘O, wat een heerlijk ritje!’ riep de Rode Prinses. Ze zat inderdaad met haar neus platgedrukt tegen het raampje van de koets. ‘Is dit de hoofdstad?’ vroeg ze, op het kale landschap wijzend. De hofdames hadden zich niet meer goed kunnen houden en waren in bang snikken uitgebarsten. De Rode Prinses begreep het niet. Ze had gedacht dat de dames haar met de aanwijsstok alles zouden leren wat ze zag, maar ze hadden de stok niet bij zich en zaten angstig te piepen.

‘Waar is het volk?’ vroeg de Rode Prinses. ‘Er zouden allemaal mensen langs de weg staan, had u gezegd. Het volk. Waar is het volk?’

‘Kind!’ bracht dame Paula uit. ‘Weg van dat raam!’

Maar de Rode Prinses was ongehoorzaam blijven zitten. Ze begreep dat dit niet de hoofdstad was, en dus de Rest van de Wereld moest zijn: ze zag voor het eerst hoeveel er onder de blauwe lucht lag. ‘Wat een hoop stenen!’ riep ze handenklap-

[p. 18]origineel

pend. ‘En vallend water! En bomen met dode takken! En ongemaaid gras. En wat is dat?’ riep ze. ‘Wat is dat? Wat is dat?’ Maar de dames Laula en Paula zaten met welriekende zakdoekjes tegen hun neus o hemeltje te roepen, en gaven geen antwoord op de vragen. Daar moest de Rode Prinses vreselijk om lachen, en het drong tot haar door dat ze naar de Rest van de Wereld kon kijken zonder hem te hoeven leren. Nog nooit had ze zich zo prettig gevoeld. Ze staarde en staarde uit het raam ondanks het gehotsebots van het rijtuig en nam de wereld zonder namen in zich op. O wat mooi, o wat mooi was het woeste berglandschap en wat ging het lekker door de bocht, en ‘harder!’ riep ze, ‘harder, harder!’ Tenslotte begon ze mee te zingen, een lied dat de mannen op de bok uit volle borst zongen en dat de Rode Prinses nooit van de dames geleerd had:

 
Hop!
 
De rooie rooie rooie
 
is heden onze buit
 
en levert ons een mooie
 
een mooie mooie duit
 
op!

‘Hop!’ riep de Rode Prinses heel hard. ‘Nog eens!’

Maar toen hield het rijtuig plotseling stil, de deur werd geopend, en voor het eerst zag de Rode Prinses een man. Niet een lakei met een witte poederpruik en een stijf gestreken uniform, maar een kerel in een vuile broek, een half open hemd en met een stoppelbaard.

De hofdames gilden en probeerden de Rode Prinses onder de bank te duwen, maar de rover trok haar ruw lachend aan de arm en zei: ‘Kom meiske!’

‘Meiske?’ riep de Rode Prinses. ‘Wij heten geen meiske. Wij heten Hoogheid.’

[p. 19]origineel

Daar moesten de mannen verschrikkelijk om lachen. ‘Oooh!’ zeiden ze. ‘Hoogheid! Nou, beste Hoogheid, zoudt u de goedheid willen hebben uit het voertuig te stappen?’

‘Zeker wel,’ antwoordde de Rode Prinses. Met een aanloopje sprong ze naar buiten en begon rond te dansen. ‘De Rest van de Wereld!’ riep ze zingend. ‘Wij zijn in de Rest van de Weehee-reld!’

De rovers hadden daar niet zo op gerekend. De hofdames ook niet. ‘Koninklijke Hoogheid!’ krijsten ze wit van angst. ‘Kom onmiddellijk hier!’

Maar Koninklijke Hoogheid bleef dansen, trok een lange neus en riep ‘Stomme gekke wijven!’ tegen Laula en Paula.



illustratie

Dat was te erg. Ze begonnen zielig te jammeren, de twee deftige hofdames uit het paleis, en ze wilden in hun radeloosheid weglopen. Maar de rovers grepen ook hen bij de arm en riepen: ‘Hier lekkere meid! Als we niet zo'n haast hadden dan kreeg je een Parijse van ons.’ En ze knipoogden naar elkaar. ‘Een goeie Parijse, hè Schwanzenstolz?’

De dames huiverden zonder te weten wat een Parijse was, maar de rovers lieten hen los, en Schwanzenstolz schreef een briefje. Dat moesten ze meenemen en aan de koning geven. Met een brede grijns zei hij: ‘We pakken drie paardjes, dan hebben jullie

[p. 20]origineel

er nog negen over om mee thuis te komen. Genoeg?’

Onder bulderend gelach spanden ze de drie voorste schimmels uit, sprongen er zonder zadel op (wat konden die kerels rijden zeg!) en riepen: ‘Koninklijke Hoogheid? Zin in een ritje?’

‘O jaaah!’ De Rode Prinses juichte. ‘Ja ja! Mogen Wij vóór op het paard?’

Er was bijna ruzie ontstaan tussen de drie.

‘Kom maar bij mij!’ riep Holz.

‘Nee bij mij!’ riep Bolz.

‘Bek houden!’ had Schwanzenstolz toen op beveel-toon geroepen. ‘Het hoogheidje komt hier.’ En met één arm had hij de Rode Prinses, licht als een veertje, bij zich op het paard getild. ‘Hop!’ riep ze.

En het Knoestige Woud in rijdend zette ze zelf de verschrikkelijke canon van de Rooie Rooie Rooie in.

Zou het een duit opleveren?

 

Het was de eerste keer in haar leven dat de Rode Prinses in een bos kwam. Ze zag knoestige eiken en beuken, kromgegroeide dennen en ranke berken zonder te weten dat ze eik, beuk, den en berk heetten, en het smalle pad maakte een bocht zoals nergens in het park van het Witte-Torenpaleis een bocht zat.

Het was ook de eerste keer dat ze op een paard zat, en de hobbelende beweging van de warme rug voelde. Ze keek naar de rechte scheiding in de manen van de hals en naar de oren die twee handvaten leken waaraan je je zou kunnen vasthouden als je groter was. Maar ze hoefde zich niet vast te houden want de arm van de rover zat stevig om haar heen. De Rode Prinses rook mannezweet voor het eerst in haar leven, vies maar toch lekker.

‘Harder!’ riep ze weer. ‘Harder, harder! Mogen Wij sturen?’ Ze wilde de teugels pakken, maar dat mocht niet van Schwanzenstolz. ‘Blijf af!’ zei hij.

[p. 21]origineel

‘Blijf af, Hoogheid!’ riep de Rode Prinses. Haar schaterlach klonk galmend tussen de bomen. ‘Lekker hard!’ riep ze. ‘Ta-ta-plok! Ta-ta-plok! Mogen wij nu bij die andere meneer?’

Na een uur mocht het en ze reed ta-ta-plok voorop bij Holz die een ruw jek droeg dat in haar hals kriebelde, en na weer een uur bij Bolz die onder het rijden proestend in haar rode haren niesde.

‘Dat willen Wij niet hebben!’ riep de Prinses. ‘Gebruik uw zakdoek!’

Maar rovers hebben geen zakdoek en Bolz proestte nog twee keer onder het rijden.

‘Wij zitten het liefste bij u hoor,’ zei de Rode Prinses tegen Schwanzenstolz toen ze weer gewisseld hadden.

‘Hoogheidje toch!’ zei de rover, en verder reden ze, tot het donker werd.

‘Nu willen Wij terug naar huis,’ zei de Rode Prinses.

Holz en Bolz keken elkaar aan, maar Schwanzenstolz zei: ‘Ik weet iets veel leukers, Hoogheidje: we gaan buiten slapen!’

Daar had de Rode Prinses nog nooit van gehoord. ‘Haalt u Ons bed dan hier?’ vroeg ze.

Daar moesten de rovers om lachen. Ze maakten een bed van dorre bladeren en ze maakten vuur en ze maakten eten. Ze konden alles maken, zag de Rode Prinses, zonder hofdames en lakeien - wat ging het anders toe in de Rest van de Wereld! Ze kreeg er schik in, maar toen ze van de soep proefde, spuugde ze het weer uit. ‘Bah! Dat smaakt naar kikkers!’ riep ze, want kikkers had ze moeten leren uit het plaatjesboek van Laula en Paula, en het leken haar vieze beesten. ‘Is er geen pastei?’ vroeg ze.

Maar er was geen pastei en de rovers legden haar zonder eten in het bladerbed, zo voorzichtig als rovers maar kunnen want ze was kostbare buit, en zeiden dat ze moest gaan slapen. Het bed ritselde en knisperde van de torren en de prinses keek naar

[p. 22]origineel

het plafond van takken waar de sterren tussendoor schenen en ze hoorde de kikkers kwaken in de buik van de rovers want die hadden schrokkerig zitten eten. Wat een dag, wat een dag, de Rode Prinses was doodmoe en viel als een blok in slaap.

Drie dagen reden ze zo voort, steeds dieper het Knoestige Woud in, en aan de andere kant er weer uit, over steile berghellingen, langs diepe ravijnen, door klavervelden, door een brede rivier, en ze kwamen niemand tegen. Iedere avond zei de Rode Prinses dat ze naar huis terug wilde, maar iedere avond maakten de rovers een nieuw bed voor haar en kikkersoep die ze uitspuugde.

Op de avond van de derde dag kwamen ze aan een huis. Het eenzaamste huis van de wereld. Daar woonden de rovers, daar stegen ze af, daar namen ze de Rode Prinses mee naar binnen. ‘Wij willen terug!’ riep ze. ‘Wij willen naar het Witte-Torenpaleis en naar Onze vader en moeder.’

‘Ja meidje, ja meidje, ja meidje,’ zeiden de rovers.

Meidje?’ riep de Rode Prinses. ‘Hoogheid! Koninklijke Hoogheid zijn Wij. Begrepen?’ Ze stampvoette zoals haar grootmoeder stampvoette. ‘En nu willen Wij dadelijk terug!’

Holz en Bolz begonnen te lachen, maar Schwanzenstolz zei: ‘Toch niet in het donker, Koninklijke Hoogheid?’ en met een behaarde roverarm leidde hij de Prinses het eenzaamste huis van de wereld binnen.

 

Ze hadden een keurig kamertje voor haar ingericht, boven in het huis, met een opgezette ooievaar in de hoek en een biezen matje voor het bed, maar de Rode Prinses riep: ‘Waar zijn Onze kleren? Wij wensen schone kleren! En warm water.’

De rovers brachten een hemd van ruwe katoen en een baaien broek; iets anders hadden ze niet. De prinses moest de pijpen drie keer omslaan en het hemd reikte tot haar knieën.

‘Mooi!’ riepen de rovers. ‘U ziet er mooi uit, Hoogheid!’ Ze

[p. 23]origineel



illustratie

[p. 24]origineel



illustratie

hadden de tafel gedekt met ijzeren lepels en stenen borden, er stond een dampende pan midden op tafel en een kandelaar met negen druipende kaarsen.

‘Waar is het damast?’ riep de prinses. ‘En Wij willen geen kikkersoep!’

‘Maar het is hutspot!’ zeiden de rovers. ‘Met een half schaap erin.’

‘Bah!’ riep de prinses, maar ze ging toch aan de houten tafel zitten want ze had een drie-daagse honger en ze at drie borden hutspot met schaap achter elkaar leeg.

De rovers keken naar haar ivoren gezichtje en haar lange rode haren die fonkelden in het kaarslicht, en Schwanzenstolz zei: ‘Zal ik U naar bed brengen, Hoogheid?’

‘Nee,’ antwoordde de Rode Prinses. ‘Wij wensen nog niet te slapen. Wij wensen een lied.’ Ze klonk als de koningin, en de rovers zongen de ballade van het jongetje dat midden in de winter gaat vissen in een bijt in het ijs. ‘Maar,’ zegt zijn moeder, ‘doe het met je blote handje Jantje want je wantje wordt zo nat.’

De prinses vond het schitterend en nu zeiden Holz en Bolz dat ze naar bed moest.

‘Nee,’ antwoordde ze, ‘nu wensen Wij een verhaal.’ Het klonk als de koning zelf en Schwanzenstolz vertelde het verhaal van

[p. 25]origineel

het meisje dat twaalf ganzen moest hoeden en de hele dag zat te tellen of het er nog steeds twaalf waren, maar de ganzen pikten een graantje hier en een graantje daar, het meisje telde steeds dezelfde en op het laatst had ze er honderdvierenveertig. Dat kan niet, dacht ze en ze nam een stift en gaf elke gans die ze telde een zwarte stip op de vleugel, maar de ganzen pikten een grasje links en een grasje rechts en kregen daardoor op hun andere vleugel ook een stip en zo waren het er toch nog vierentwintig. Dat kon ook niet, dacht het meisje, en nu tilde ze de ganzen die ze telde één voor één over het hek. ‘Twaalf!’ riep ze. ‘Nu zijn het er echt twaalf!’ Maar toen ze verder wilde gaan met hoeden, waren alle ganzen weggelopen en had ze er niet één.

‘En nu naar bed, Koninklijke Hoogheid,’ zei Schwanzenstolz. ‘Nee,’ zei de Rode Prinses. ‘Wij wensen nog een stuk Weense taart met slagroom.’ Het klonk als een verwend kind en de rovers zeiden dat er geen sprake was van Weense taart, en ook niet van Parijse, en helemaal niet van slagroom, en dat als ze nu niet onMIDdellijk naar bed ging - Het klonk als drie koningen en de Rode Prinses stoof de trap op.

Toen Schwanzenstolz later boven kwam om haar toe te dekken, vroeg ze wat een Parijse was. Dat had ze de rovers ook horen zeggen tegen Laula en Paula; was dat soms een speciale lekkernij van de Rest van de Wereld?

Schwanzenstolz boog zich over haar heen en gaf haar een kus op het voorhoofd, zo teder als een rover het kan, maar het voelde als een rasp en ze piepte ‘auwauwauw! Was dat een Parijse?’

‘Dat was een halve,’ fluisterde de rover, en de prinses fluisterde terug dat ze wel drie van die halve wilde, want haar vader de koning gaf ook altijd drie nachtzoenen.

‘Ik ben Uw vader niet, Hoogheid,’ zei Schwanzenstolz overeind komend. ‘Welterusten.’

[p. 26]origineel



illustratie

De Rode Prinses schoof haar been naar de warme plek waar hij gezeten had, en voelde zijn adem nog lang op haar gezicht.

 

Beneden overlegden de rovers wie van hen drieën het goud en zilver zou gaan halen aan de rand van het Knoestige Woud. Holz zei dat Bolz moest, en Bolz zei dat Holz moest, maar Schwanzenstolz zei dat Holz en Bolz samen moesten gaan. Dat was veiliger, meende hij, en dan zou hij voor de Rode Prinses zorgen tot ze terug kwamen.

‘Goed,’ zeiden Holz en Bolz. ‘En daarna verdelen we de poet en laten haar los.’

‘Los?’ vroeg Schwanzenstolz. ‘Los in het bos?’

‘Waar anders?’

‘Maar dan komt ze nooit thuis. Dan verdwaalt ze. Dan verhongert ze. Dan valt ze in een ravijn, of in handen van -’

‘Wat wil je dan?’

‘Terugbrengen,’ zei Schwanzenstolz. ‘Ik breng haar wel terug.’ ‘Naar het Witte-Torenpaleis? Dan word je meteen gepakt. Wat is dat voor stom idee?’

Schwanzenstolz zei dat hij niet zo stom was, dat hij zich niet zomaar zou laten pakken, maar dat hij het niet over zijn hart

[p. 27]origineel

zou kunnen verkrijgen om dat arme kind -

Dat arme kind kwam op dat ogenblik bons bons op blote voetjes de trap af. ‘Wij kunnen niet slapen!’ riep ze, knipperend tegen het kaarslicht. ‘Het bed piept en kraakt, de lakens schuren en de dekens krabben. Wij wensen dons en zijde. En een glas warme melk met honing.’

‘Ja zeg!’ riepen Holz en Bolz, maar Schwanzenstolz nam de prinses op schoot en dat was nog beter dan zijde en honing.

‘Waarover praatten jullie?’ vroeg ze.

‘Over de duvel en zijn ouwe moer,’ zei Holz.

‘Niet waar!’ riep de prinses. ‘Jullie hadden het over een arm kind. Wij hoorden het op de trap. Wie is dat arme kind?’



illustratie

[p. 28]origineel

‘Dat arme kind is iemand die een-twee-drie naar bed moet!’ zei Bolz.

‘Als u Ons bedoelt moet u Hoogheid zeggen,’ zei de prinses. Maar Schwanzenstolz nam haar mee naar de keuken en maakte een beetje melk voor haar warm. ‘Nu moet U echt gaan slapen, Koninklijke Hoogheid,’ zei hij.

Ze deed het zoet.

‘Jij laat je door die meid op je kop zitten,’ zeiden Holz en Bolz. ‘Het is beter dat wij op haar blijven passen en dat jij het goud en zilver gaat halen.’

‘Goed,’ zei Schwanzenstolz, ‘dan neem ik de prinses meteen mee en ruil haar met degene die het goud en zilver brengt. Dat is makkelijker.’

‘Makkelijker!’ riepen Holz en Bolz. ‘Ja ja! En jij met de poet er vandoor zonder met ons te delen! Nee mannetje, blijf jij maar hier, dan nemen wij tweeën de prinses mee. Hoe vind je dat idee?’

Schwanzenstolz begreep dat zijn plan niet goed was. ‘De prinses blijft in ieder geval hier,’ besloot hij. ‘Laten we er dan om dobbelen wie de poet gaat halen en wie op de prinses blijft passen.’

‘Goed,’ zeiden Holz en Bolz. Ze pakten de verweerde dobbelstenen en spraken af dat wie dubbel zes gooide de poet zou gaan halen. Ze gooiden en gooiden, de stenen kletterden op de houten tafel maar er kwam geen dubbel zes. Al schudden ze de stenen eerst rammelend in de houten beker, al bliezen ze erop, fluisterden spreuken, spuugden zelfs in de beker, geen van de mannen kreeg dubbel zes, wel een zes en een vijf en dat was bijna, maar niet genoeg. Toen Schwanzenstolz weer aan de beurt was, gooide hij een zes maar de andere dobbelsteen rolde op de grond. Bolz raapte hem op. ‘Zes’ zei hij.

‘Telt niet!’ riep Schwanzenstolz.

‘Telt wél!’ riepen Holz en Bolz.



illustratie

[p. 29]origineel

‘Niet! 't Moet over!’

Maar daar klonken opnieuw bons bons bons de blote voetjes van de prinses op de trap. ‘Wij kunnen niet slapen,’ riep ze. ‘De ooievaar in de hoek kleppert met zijn vleugels. Wat doen jullie?’

‘Naar bed jij!’ riepen Holz en Bolz overeindkomend. ‘Onmiddellijk!’

De Rode Prinses staarde hen aan. Toen daalde ze langzaam de laatste treden van de trap af en zei: ‘Hebt u Ons niet gehoord? Koninklijke Hoogheid moet u zeggen als u tegen Ons spreekt. Begrepen?’

De twee rovers bleven een ogenblik sprakeloos. ‘Nou nou,’ begon Holz.

‘Wij vragen of u het begrepen hebt!’ riep de Rode Prinses er overheen. Ze keek streng omhoog naar de twee kerels en die keken een beetje ongelovig omlaag, en toen naar elkaar. Bolz probeerde te lachen, maar de Rode Prinses deed een stap nader. ‘Krijgen Wij antwoord?’ vroeg ze.

Het bleef doodstil. Er kwam geen lach en Schwanzenstolz zei ook niets.

‘Tong verloren?’ vroeg de Rode Prinses.

Er klonk een zucht. ‘Nou Bolz,’ zei Holz, ‘Wat kan het ons eigenlijk schelen? Als dat kind zo graag Hoogheid gen -’

‘Koninklijke Hoogheid!’ riep het kind.

‘- Koninklijke Hoogheid genoemd wil worden, dan doen wij dat toch?’ En een beetje spottend begon hij: ‘Als het U zou behagen, Koninklijke Hoogheid, om zich wederom ter ruste te begeven, dan -’

‘Neen,’ zei de prinses. ‘Wij wensen hier te blijven, in uw gezelschap en mee te doen met uw spel.’ Ze ging aan de tafel zitten, pakte de dobbelstenen die daar lagen en gooide.

‘Zeg zeg zeg zeg ZEG!’ begon Holz, maar de Koninklijke Hoogheid riep ‘Dubbel zes!’ alsof ze riep ‘Kom nu zitten’ want

[p. 30]origineel



illustratie

dubbel zes was voor haar heel gewoon. ‘Wat hebben Wij gewonnen?’ vroeg ze, maar er kwam geen antwoord.

Schwanzenstolz staarde lijkbleek naar de twee stenen. ‘Dat betekent ongeluk,’ zei hij. ‘Wij raken haar kwijt. Ze gaat zelf terug.’

Holz en Bolz lachten hem uit. ‘Ach man! Je bent besodemieterd!’

Op dat woord sprong de Rode Prinses woedend van haar stoel. ‘Zulke paardeknechtentaal wensen Wij niet te horen!’ riep ze. ‘Gaat het echt zo toe in de Rest van de Wereld? Schaam je!’ Schwanzenstolz beduidde zijn makkers weer aan de tafel te komen zitten. Ze moesten maar gewoon doorgaan met dobbelen, meende hij, dat was het beste.

Ze deden het, en de Rode Prinses dobbelde mee. Zij was de enige die dubbel zes gooide, iedere keer opnieuw. ‘Wat winnen Wij daar toch mee?’ riep ze. ‘Waar dobbelen wij om?’

‘Om een zak zilver en een zak goud,’ antwoordden Holz en Bolz.

‘Om Uw geluk,’ antwoordde Schwanzenstolz.

Ze begreep er niets van, en toen viel de Rode Prinses op haar stoel in slaap. Schwanzenstolz droeg haar voorzichtig naar boven, naar haar bed, en de mannen hadden eindelijk rust. Maar hoe ze ook bliezen, spreuken zegden, spuugden of de stenen vanuit hun mond over de tafel braakten, geen van hen kreeg dubbel zes. Toen trokken ze strootjes. Drie keer achter elkaar, en drie keer achter elkaar trok Schwanzenstolz aan het kortste eind.

De volgende morgen vroeg reed hij op het witte paard terug naar de rand van het Knoestige Woud om het losgeld voor de Rode Prinses te halen, twaalf pond zilver en twaalf pond goud. De Rode Prinses bleef in het eenzame huis achter, bewaakt door de rovers Holz en Bolz.

prepostterug  begin  verder