terug  begin  verderprepost
[p. 31]origineel

Hoofdstuk Drie

De derde dag na de ontvoering kreeg de oude koningin-grootmoeder een beter idee dan een zak vlooien en een zak luizen en zij ontbood de generaal van het leger.

‘Generaal,’ sprak ze. ‘Alle manschappen zijn nu volledig teruggetrokken, hopen Wij?’

‘Alle manschappen, Majesteit. Volledig.’

‘En het kanon?’

‘Ook het volledige kanon, Majesteit.’

‘Houd het binnen,’ sprak de koningin-grootmoeder. ‘En de soldaten ook. Maar Wij wensen dat u er twaalf uitzoekt, twaalf van uw beste manschappen. Die hebben Wij nodig. Plus die ene luitenant, die lange.’

De generaal keek somber. ‘Dat zijn dertien man tezamen,’ sprak hij. ‘Brengt ongeluk.’

‘Psa!’ zei de oude koningin-grootmoeder.



illustratie

Maar de generaal had ervaring met oorlogen, hij zat vol kogelgaten en over zijn wang liep een litteken als een witte visgraat. ‘En niet alleen op mijn wang,’ zei hij altijd, en dan begon hij zijn uniformjas los te knopen om er nog meer te laten zien, op steeds geheimere plekken. De koningin-grootmoeder had daar geen behoefte aan, zei ze.

‘Ja maar al die wonden,’ bleef de generaal zeggen, ‘die zijn allemaal gekomen òf na dertien keer schieten, òf op de dertiende van de maand, òf toen ik het dertiende regiment aanvoerde, of toen ik op nummer dertien woonde. En één keer zelfs toen ik een lot nummer dertien van de loterij op zak had. Dus vandaar.’

‘Is dat alles?’ vroeg de koningin-grootmoeder.

De krijgsman knikte.

‘Dan hadden Wij nu graag dat u Ons die twaalf man met dat

[p. 32]origineel



illustratie

ene luitenantje toestuurt,’ sprak zij ijzig. ‘Dertien man dus.’ De generaal salueerde verbluft en marcheerde de kamer uit. Het ging niet meer zo goed van één-twee, één-twee, want een van die vele ongelukkige kogels had hem in zijn knie geraakt. De luitenant en de twaalf uitgezochte soldaten kwamen wel keurig binnenmarcheren en stonden na het bevel ‘Halt-sta-stil-Rust’ een beetje schutterig op het dure tapijt van de koningin-grootmoeder te koekeloeren.

‘Luister,’ sprak de koningin-grootmoeder tot de twaalf. ‘Zo dadelijk komt de kleermaker om jullie de maat te nemen. Jullie worden verkleed als boom. Je rijdt naar het Knoestige Woud, vat post aan de rand en blijft daar onbewegelijk staan wachten tot de rovers het losgeld komen halen. Begrepen?’

Elf soldaten knikten. De twaalfde vroeg: ‘Moeten we ze dan meteen neerknallen, die schoften?’

‘Let op je woorden!’ siste de luitenant.

‘Eh, die schoften, Majesteit?’ herhaalde de soldaat.

De luitenant liep rood aan, maar de koningin-grootmoeder knikte goedkeurend. ‘Zinnige vraag,’ sprak ze. ‘Het antwoord luidt neen, omdat we eerst moeten weten waar die schoften onze Prinses verborgen houden.’

[p. 33]origineel

‘O,’ zei de soldaat. ‘Op zo'n manier ja. Maar als ze haar - als ze mevrouw, mejuffrouw de hoge prinses nou meteen bij zich hebben?’

‘Zinnige vraag,’ sprak de koningin-grootmoeder opnieuw. ‘Dan wacht je tot de Prinses in veiligheid is, en dan pak je de rovers en breng ze levend hier.’

‘Mogen we ze wel meppen?’ vroeg een ander.

‘Een optater jongens!’

Het werden ineens rumoerige soldaten daar op dat deftige tapijt van de koningin-grootmoeder, maar de kleermaker kwam binnen en op bevel van de luitenant moesten de manschappen in de houding gaan staan en zich doodstil laten opmeten.

De kleermaker was een klein mannetje, hij leek een boze dwerg zoals hij van man tot man ging, zijn centimeter langs hun armen en benen legde, mompelend aan zijn potlood likte en getallen noteerde in een beduimeld schriftje. De soldaten bleven zoet stilstaan maar maakten wel ruwe soldaten-opmerkingen over hun boomcostuum en de plek waar een tak zou moeten uitsteken.

De luitenant was te hoog voor het mannetje, dat kwam met zijn centimeter niet verder dan diens elleboog, maar de koningin-

[p. 34]origineel

grootmoeder riep dat de luitenant geen boom moest worden maar luitenant bleef.

 

Twee dagen later waren de costuums klaar en de soldaten werden er in gehezen. Strak zaten ze, vreselijk strak, de naden waren gestikt met ijzergaren maar ze kraakten bij elke beweging en de luitenant riep: ‘Sta stil!’ want als boom moesten ze in de houding staan en blijven staan.

‘Ook als het waait?’ vroeg de twaalfde soldaat.

‘Bek houden!’ riep de luitenant. Hij had geleerd hoe je gezag moest handhaven.

De koningin-grootmoeder kwam inspecteren. De koning en de koningin kwamen met haar mee.

‘Wat is dit voor onzin?’ vroeg de koning.

‘Dat zul je wel zien, Egbert,’ antwoordde de oude koningin-grootmoeder, en de luitenant gaf bevel: ‘Geef acht!’ en daarna: ‘Word boom!’

De twaalf soldaten schuifelden even met de voeten, strekten hun armen, rekten hun vingers, bogen hun heupen, kromden hun ruggen en stonden onbewegelijk bijeen.

‘Wat grappig!’ riep de koningin. ‘Net een bos op het toneel.’ ‘Wij vinden het belachelijk!’ zei de koning. ‘Hoe kunnen die kerels zo schieten?’

‘Egbert,’ zei de koningin-grootmoeder. ‘Met schieten krijg je je dochter niet levend terug. Laat Ons nu maar begaan.’

De koningin begon te huilen. ‘Ons kind! Ons kind!’ Ze had even niet aan het verschrikkelijke gedacht door de leuke verkleedpartij, maar nu moest ze meteen weer naar bed en door Laula en Paula worden verzorgd.

De koning had het ook even te kwaad, en om zich een flinke man te tonen liep hij op de soldaten toe en begon ze een voor een nauwkeurig te bekijken. ‘Is dit een berk?’ vroeg hij.

‘Afblijven Egbert!’ riep de koningin-grootmoeder.

[p. 35]origineel

De koning had juist een duwtje tegen de soldaat willen geven, om te kijken of hij ook stevig geworteld stond, maar hij trok gauw zijn hand terug. ‘Ja moeder,’ zei hij. ‘Goed moeder. Regel jij het dan maar allemaal.’

De luitenant, die er al die tijd stram saluerend bij stond, knipperde met zijn ogen over dat jij en moeder van de majesteiten onder elkaar.

‘Laat het goud en zilver brengen,’ zei de koningin-grootmoeder. Het betekende een heel getors met grote zakken, want het waren geen staven maar allerlei spullen van goud en zilver die bij een spoedinzameling onder het volk waren opgehaald: halskettingen, oorbellen, sierdoosjes, portretlijsten, knopen, vingerhoeden, gespen, lepels, vorken, handvatten, potjes met oren en potjes zonder oren en zelfs een gouden spinnewiel, en dat alles rammelde door elkaar - er was ook nog een zilveren atleet die voortdurend een discus stond te gooien, en een gouden danseres met een hoog been; die namen veel plaats in.

‘Alsjeblieft,’ zei de lakei blazend en hij smeet de zakken rinkel-dekinkel voor de voeten van de luitenant. ‘Hier heb je de hele troep.’ Toen pas zag hij de koningin-grootmoeder staan. ‘O pardon!’ stamelde hij vuurrood.

 

Laat in de middag reden ze uit, de twaalf soldaten in wankele Amazone-zit want ieders benen vormden tezamengebonden een knoestige boomstam, maar de luitenant stevig in het zadel met aan elke kant een been en een zware zak: links twaalf pond rinkelend zilver, rechts twaalf pond rinkelend goud.

‘Jongens!’ riep de twaalfde soldaat die een knoestige berk was, ‘jongens waarom gaan we er niet met de poet vandoor? Eén pond voor ieder!’

‘Ach idioot!’ riep de Knoestige Eik. ‘Wat heb je daar nou aan? Eén pond? Dat is binnen het jaar op. En wat dan?’

‘Bek houden!’ riep de luitenant.

[p. 36]origineel



illustratie

Halverwege donderde Knoestige Den van zijn paard en het duurde een kwartier voor ze hem weer fatsoenlijk in het zadel hadden.

De koningin-grootmoeder die hen vanuit haar torenkamer door de geheime verrekijker zat te volgen, zag het gebeuren. ‘Dom volk!’ mompelde ze geërgerd. ‘Kan niet eens behoorlijk op een paard blijven zitten.’

Ze zag de mannen zwoegen om hun ongelukkige kameraad weer overeind te krijgen. ‘Als de naden het maar houden!’ dacht de koningin-grootmoeder en ze pakte een zakdoek want haar ene oog begon te tranen van het turen.

De naden hielden het en de groep reed door, stapvoets nu. ‘Als ze maar niet te laat komen, als ze maar niet te laat komen!’ mompelde de koningin-grootmoeder nu. ‘Als de rovers er al staan wanneer ze komen, dan valt Ons hele plan in duigen...’ De koningin-grootmoeder had zich geen zorgen hoeven maken. De luitenant en zijn groep bereikten de zoom van het Knoestige Woud, daar waar het verlaten rijtuig nog stond, lang voordat Schwanzenstolz er aankwam. Met korte bevelen werden de soldaten één voor één op hun post gezet. ‘Berk, jij hier! Kastanje daar. Beuk daarachter. Eik, vooruit Eik, hier, nee hier zeg ik!’

[p. 37]origineel

De ingepakte soldaten moesten ongelukkig huppend naar hun plaats toe, maar nadat eindelijk het bevel ‘Geef acht! Sta stil! Word boom!’ had geklonken, leken ze plotseling spoorloos verdwenen, zo goed had de kleermaker hun camouflage-pakken laten lijken op de knoestige bomen waartussen ze stonden opgesteld.

Toen begon Berk klagelijk: ‘Maar wat motten we nou? Straks als die kerels komen? Dan kunnen we toch niks?’

‘Bek houden!’ schreeuwde de luitenant. ‘Ik ga 't jullie vertellen. Luister: straks komen de rovers om de prinses te brengen in ruil voor dit hier.’ Hij wees op de zakken die nog aan zijn paard hingen. ‘Zodra de prinses veilig aan onze kant is, blaas ik op mijn fluitje en dan springen jullie te voor -’

‘Springen?’ riepen de soldaten. ‘Hoe kunnen we nou springen met die -’

‘Bek houden!’ De luitenant zijn eigen bek stond scheef van het schreeuwen. ‘Luister: onder jullie linker arm zit een touwtje. Als je daaraan trekt - NIET DOEN!’

De soldaten waren goed getraind. Ze gehoorzaamden hun meerdere en trokken niet aan het touwtje. Ze bleven onbewegelijk staan en staan en staan, als boom tussen de bomen aan de rand van het Knoestige Woud, en terwijl de zon achter de horizon zakte probeerden ze niet te denken aan thuis, niet aan eten, niet aan een stoel, een bed, en helemaal niet aan het touwtje onder hun arm.

De luitenant had de paarden naast elkaar vastgebonden en ging er lekker bij liggen in het gras. De zakken met het zilver en goud stonden naast hem, klaar voor de rovers.

Toen het donker werd, maakte hij een vuur.

 

Schwanzenstolz kwam in de vroege morgenschemering aanrijden. Het was eigenlijk nog helemaal donker en het eerste dat hij zag was het vuurtje. Hij hield zijn paard in en keek. Eén

[p. 38]origineel

man zag hij zitten. Of lagen er nog meer naast hem te slapen? Nee, dat was de buit. De zakken met zilver en goud, dat meende hij duidelijk te zien, maar hij vertrouwde het toch niet helemaal. Omzichtig kwam hij nader, zijn paard strak aan de teugel, gereed om onmiddellijk te kunnen keren en weg te galopperen.

Op tien meter afstand bleef hij opnieuw staan en gluurde in het rond. Hij zag alleen bomen en het vuur en die ene man, en de zakken vol buit.



illustratie

‘Hei daar!’ riep hij zachtjes.

De luitenant veerde overeind. ‘Ja? Wie daar?’

‘Ben je alleen?’ vroeg Schwanzenstolz.

‘Zie je toch?’ riep de luitenant.

‘Heb je 't geld?’ vroeg de rover.

‘Hier!’ De luitenant tilde een voor een de zakken op en liet ze rinkelen. ‘Hebben jullie de prinses?’

Schwanzenstolz liet zijn paard nog enkele stappen voorwaarts doen. Het hinnikte plotseling en daar kwam antwoord op. Gehinnik tussen de bomen, van meer dan één paard.

‘Wat betekent dat?’ riep de rover. Hij trok aan de teugels. ‘Wie zitten daar?’

‘Niemand,’ zei de luitenant.

‘Jawel. Ik hoor paarden.’

‘Paarden ja.’

Schwanzenstolz zag ze nu ook staan, schimmig in het opkomende morgenlicht, aan de rand van het woud. Hij telde ze vlug. ‘Dertien!’ riep hij. ‘Dat is één van jou en de overige twaalf? Voor de lol zeker!’

‘Voor de koets,’ antwoordde de luitenant ijzig. Hij had het allemaal goed voorbereid.

‘Koets?’ vroeg de rover. Hij had er niet op gelet; het ding stond daar inderdaad nog, een eindje verder, als een zielig wrak met zijn verwarde tuigage.

[p. 39]origineel

‘Ja, voor de prinses natuurlijk,’ zei de luitenant. ‘Waar is Hare Koninklijke Hoogheid?’

De rover lachte. ‘In gouden handen,’ zei hij.

‘Wat?’ riep de luitenant. ‘Heb je haar niet meegebracht? Ben je maar alleen?’

‘Zoals je ziet,’ zei de rover. ‘Net als jij.’ Hij gluurde weer rond, er was toch iets dat hij niet helemaal vertrouwde, een van die bomen had bewogen, meende hij, terwijl er geen wind was. Zat daar iemand achter verstopt? Hij bleef scherp turen, maar er gebeurde niets verdachts meer.

‘Geen prinses, geen geld,’ zei de luitenant op ferme toon.

‘Geen geld, geen prinses,’ antwoordde de rover, nog steeds naar de bomen glurend.

‘Ga haar eerst maar halen,’ zei de luitenant.

‘Pha!’ zei de rover. ‘En als ik met haar terugkom heb jij hier een heel leger verzameld. Ik ben niet gek.’

De luitenant dacht snel na. ‘Goed,’ zei hij, ‘dan rijd ik met je mee naar haar toe. Dan weet je zeker dat daar geen leger is, en dan ruilen we daar.’

Schwanzenstolz keek hem aan. Nog een halve melkmuil, dacht hij, een blaag met een veel te lang lijf. Wat kan hij tegen ons beginnen? Laat hij maar meerijden, dan hoeven we ons ook geen zorgen te maken over de terugreis van de prinses. ‘Als je dat zo graag wil,’ zei hij, ‘kom dan maar op.’ Terwijl hij het zei dacht hij: ik had hem ook een optater kunnen geven waar hij drie uur van op apegapen was blijven liggen, dan kon ik de poet zó meenemen. Maar Schwanzenstolz was niet zo'n optaterige rover.

De luitenant liep naar zijn paard. Hij dacht: zo kan het ook; alleen moeten mijn mannen nu niet te voorschijn springen maar voorzichtig op afstand volgen. En inplaats van het afgesproken fluitsignaal te geven liep hij recht op Knoestige Berk af, bleef vlak voor hem staan, benen een beetje uit elkaar, hand voor

[p. 40]origineel



illustratie

zijn broek - de rover kon niet anders denken of de luitenant stond even tegen die boom te plassen - en siste Berk toe: ‘Ik rijd met hem mee. Na honderdtien tellen volgen jullie. Zonder gerucht. Begrepen?’

Knoestige Berk siste terug: ‘Smeerlap!’

De luitenant siste: ‘Bek houden!’ En deed of hij zijn broek dichtknoopte.

Kort daarna galoppeerden ze weg, Schwanzenstolz opgelucht omdat hij de plek niet vertrouwde, de luitenant vol spanning of zijn plan zou lukken...

 

Geen tien tellen later vielen twaalf bomen aan de rand van het Knoestige Woud, zonder gekraak maar zwaar zuchtend, flauw. Van pure uitputting. Een berk, een eik, een beuk, een kastanje en nog acht andere. Je kon ze horen vloeken en geeuwen, en

[p. 41]origineel

toen trokken ze met een van hun takken aan een verborgen touwtje en barstten een voor een uit hun schors. Het werden twaalf soldaten.

‘Maffen!’ brachten ze uit. ‘Eerst maffen!’

Ze rolden zich in het mos en de eersten begonnen al te snorken. Behalve Berk. Die riep: ‘Ho jongens! Nee! Wakker blijven! Zes zeven acht -’

‘Bek houden!’ riep Kastanje terug.

Sommigen konden nog lachen. ‘Ga jij je eerst maar eens wassen, Berkie!’ riep er een.

‘Wassen?’ vroeg Berk. ‘Zeventien achttien wat bedoel je?’

[p. 42]origineel

‘Haha! Wij hebben het wel gezien hoor, wat die smeerlap deed! Tegen je aan.’

‘'t Was niet echt!’ riep Berk. ‘Zesentwintig zevenentwintig. Hij deed maar alsof. Om me te vertellen dat we hem achterna moeten komen. Drieëndertig. Over honderdtien tellen. Vierendertig, vijfen -, ik ben al bij vijfendertig.’

‘Tijd zat,’ zei er een.

Een ander vroeg of de luitenant helemaal stapelkrankjorum gevaarlijk gek was geworden. De hele nacht laat hij je doodstil staan en nu zeker meteen weer op je knol? De luitenant kon in de poep zakken met z'n bevelen.



illustratie

‘Tweeënveertig,’ zei Berk.

‘Ga jij maar, Berkie!’

‘Wie niet gaat, vijfenveertig, die draait de bak in, jongens, achtenveertig,’ zei Berk.

Ze morden, ze gaapten, ze vloekten, ze wisten dat Berk gelijk had. Ze zuchtten, ze steunden, ze stonden op, waggelden naar hun paarden en op honderdtien reed het groepje stapvoets het Knoestige Woud in. Twaalf soldaten. Ze leken scheefhangende meelzakken, zoals ze in het zadel zaten, hun rood-omrande ogen half dicht van de slaap. Berk reed voorop. Ook hij had moeite wakker te blijven. Gelukkig stonden de sporen van Schwanzenstolz en de luitenant duidelijk in het zand getekend.

illustratie

Drie dagen reden ze zo voort, steeds dieper het Knoestige Woud in, en aan de andere kant er weer uit, over steile berghellingen waar het spoor van paardehoeven veranderde in een spoor van glinsterende snuisterijen die de luitenant als Klein Duimpje uit de zak met de losprijs had laten vallen.



illustratie

‘Jongens! Een armband!’

‘Hee jongens! Een vingerhoed!’

[p. 43]origineel



illustratie

‘Hee jongens! Kijk eens!’ De discuswerper lag op zijn zijkant tussen de stenen, maar hij blééf gooien alsof hij helemaal niet had gemerkt dat hij was gevallen.



illustratie

Een voor een raapten ze de dingen op, elke honderdtien meter, langs diepe ravijnen, door klavervelden, door een brede rivier en op de avond van de derde dag bereikten ze het eenzaamste huis van de wereld waar de rovers woonden en de Rode Prinses verborgen hielden.

De luitenant en Schwanzenstolz waren binnen.

De twaalf soldaten omsingelden het huis, voorzichtig en zachtjes om het zilver en goud in hun zakken niet te laten rinkelen. Ze wachtten af. Zodra de luitenant met de Rode Prinses naar buiten zou komen, moesten ze het huis bestormen en de rovers grijpen.

De luitenant kwam niet naar buiten. In plaats daarvan klonk het snerpen van zijn fluitje, als een noodsignaal. Onmiddellijk sprongen de soldaten overeind, holden op het huis toe en drongen door ramen en deuren naar binnen. Ze waren goed getraind; ze wisten hoe een aanval moest.

‘Sta!’ riepen ze. ‘Sta of ik schiet!’

Maar de rovers zaten. Lijkbleek zaten ze aan de houten tafel, de luitenant tegenover hen, en meteen werden ze op een verschrikkelijke manier gegrepen. Hun handen werden op de rug gebonden met links gedraaide lus, en hun kragen in Servische wurggreep genomen zodat ze alleen maar rrrgghh konden zeggen en purper aanliepen.

‘Goed zo mannen!’ zei de luitenant. ‘Houden zo.’ Hij kwam

[p. 44]origineel

overeind en op zijn hoge benen vlak voor de rovers staand begon hij:

‘Wáár is de Rode Prinses?’

‘Rrrgghh!’ antwoordden de drie.

‘Wàt zeg je?’

‘Rrr...ggg...aahh!’

‘Een beetje losser die kraag, mannen. - Nou??’

‘Ggg..hhh...hontsnapt!’

‘Jaja...! Mannen, doorzoek het huis!’

Drie soldaten bleven de rovers bij de kraag houden, de negen overigen verspreidden zich als mieren door de kamers en de keuken en de zolder. Ze keken in de kasten, ze woelden tussen de kleren, ze bukten zich onder de bedden, ze mepten tegen de gordijnen, ze klopten op de muren, ze sloegen met de deuren, ze kropen in de schoorsteen en klommen op het dak.

‘Niets te vinden, luit,’ rapporteerden ze.

De luitenant keerde zich opnieuw tot de drie gebonden rovers. ‘Wáár is de Rode Prinses!?’

Voor ze antwoord konden geven, werd er nog even ferm aan hun kraag getrokken om de zuivere waarheid eruit te krijgen.

‘Zeg op!’

‘Hhhontsnapt...Hhhheergisteren!’ brachten ze uit. En ‘Hhhhun schuld!’ hoestte Schwanzenstolz, met zijn hoofd wijzend op Holz en Bolz.

‘Hhhhalve gare!’ konden Holz en Bolz met moeite schelden.

‘Hhhhullie schuld!’

‘Hhhhelemaal niet!’

‘Kragen los!’ beval de luitenant. Ruzie tussen de rovers zou de waarheid aan het licht kunnen brengen, dacht hij.

Eerst werd er vreselijk gehoest en geproest en gespuugd, maar toen de kelen los waren, barstten de drie schurken tegen elkaar uit:

‘Jullie fout! Jullie fout! Jullie stomme fout!’ riep Schwanzen-

[p. 45]origineel

stolz. ‘Met je eigenwijze botte varkenskoppen heb je niet in de gaten wat een Koninklijke Hoogheid is. Die kan je zomaar commanderen, denk je. Die kan je zomaar opsluiten, denk je. Daar kan je mee doen wat je wilt, denk je. Naar je pijpen laten dansen. Op water en brood zetten. Pha! Nou zie je 't!’

‘O ja?’ zei Holz.

‘O ja?’ riep Bolz.

‘Jij!’ riepen ze samen. ‘Jij liet je door die meid op je kop zitten, Schwanzenstolz! Als het aan jou had gelegen, had je haar braaf teruggebracht. Zonder één cent! Weekdier!’

‘Als jullie dat geld waren gaan halen,’ schreeuwde Schwanzenstolz, ‘dan had ik goed voor Hare Koninklijke Hoogheid gezorgd, hier. Dan was ze helemaal niet weggelopen. Dan zat ze nog hier!’ Hij zag weer purper, maar nu van woede.

‘Nou!’ zeiden Holz en Bolz. ‘Wij hadden deze soldaten in ieder geval van ons afgeschud. Je bent een nul, Schwanzenstolz. 't Is allemaal jouw schuld!’

‘Weggelopen!’ herhaalde Schwanzenstolz. ‘Weggelopen is ze! Het raam uit geklommen, en in haar eentje, onbeschermd, doolt Hare Koninklijke Hoogheid nu in de wildernis rond.’ Het klonk of hij begon te huilen.

‘Kragen strak!’ beval de luitenant, en hij vervolgde: ‘Voor de laatste maal: wáár is de Rode Prinses?’

Nu waren het Holz en Bolz die hijgend uitbrachten: ‘Hhh...hhheeft toch geen zin om hhhaar te verstoppen? Ons spel is toch hhhuit?’

De soldaten die er omheen stonden zeiden: ‘Ja luit, dat is natuurlijk wel waar.’

‘Bek houden!’ riep de luitenant, want de soldaten hadden gelijk. De prinses moest inderdaad kans hebben gezien te ontsnappen, dacht hij. Ze zat misschien al thuis!

‘We keren onmiddellijk terug,’ beval hij. ‘Bind de gevangenen op hun paard en leeg je zakken.’

[p. 46]origineel

Al het zilver en goud moesten ze teruggeven. Knoestige Den probeerde de danseres achter te houden want hij vond haar zo mooi, maar haar ene been stak door de voering van zijn jas en dat merkte de luitenant. ‘Hier met dat ding! Jij gaat op rapport, jongen!’

Knoestige Berk had een ring aan zijn vinger geschoven en beweerde dat die van zijn verloofde was. ‘Jaja,’ zei de luitenant. ‘Hier ermee!’

Holz en Bolz rukten vloekend aan hun touwen op het zien van de kostbaarheden die ze hadden kunnen krijgen als niet -

‘Dat rooie kreng!’ schreeuwde Holz.

‘Dat eigenwijze brutale rooie pestmeissie!’ schreeuwde Bolz.

Schwanzenstolz zei niets.

Ze kregen een prop in hun mond, wegens majesteitsschennis, en werden op hun paard geladen.

‘Vort mannen!’ commandeerde de luitenant.

Zo aanvaardden ze de terugtocht. Zonder gelach, zonder gepraat, en zonder één canon te zingen. En ook zonder één spoor te vinden van de Rode Prinses.

prepostterug  begin  verder