terug  begin  verderprepost
[p. 47]origineel

Hoofdstuk Vier

De Rode Prinses was helemaal niet thuis gekomen. De koningin-grootmoeder stampte met haar voet van woede toen de drie rovers haar voorgeleid werden en ze hoorde wat er was gebeurd. ‘Schoelje! Canalje! Mispunten!’ sprak ze en met haar dorre hand vol ringen gaf ze hen ieder een straffe tik in het gezicht.

Holz en Bolz spuwden terug, maar Schwanzenstolz verroerde zich niet.

De luitenant stond er saluerend bij.

‘In de kerker met ze!’ beval de koningin-grootmoeder. ‘De diepste.’

De luitenant liet zijn arm zakken om opnieuw te kunnen salueren. Hij liet de drie mannen wegbrengen.

Er lag wel stro in de diepste kerker, en je kon er ook zitten op de geraamtes van je voorgangers, maar het ritselde er van de ratten die in de doodshoofden hun nest hadden.

Boven in bed lag de koningin, omringd door de goede zorgen van Laula en Paula, maar toen het slechte nieuws haar bereikte begon het huilen opnieuw. ‘Ons kind, Ons arme kind! Moederziel alleen verdwaald in de wildernis!’ En met betraande ogen naar de hofdames opziend vroeg zij: ‘Zijn daar tijgers? Neen toch, geen tijgers of gifslangen? Zeg het Ons!’

‘Oh nee mevrouw, oh nee!’ riepen Laula en Paula tegelijk, en ze haalden gauw de landkaart en de nieuwe aanwijsstok om Hare Majesteit te onderwijzen over het klimaat, de grondsoorten, de flora en de fauna van het land waarover haar echtgenoot regeerde. ‘Alleen egeltjes en ringslangen, Majesteit. Die doen niets.’

Maar de koningin bleef toch ongerust.

De koning ook.

‘Schiet onmiddellijk het kanon af!’ beval hij. ‘Elk kwartier een

[p. 48]origineel



illustratie

schot. Zodat ons kind het hoort, waar zij ook is, en op het geluid afgaande haar ouderlijk paleis terugvindt.’

De koning was trots op zijn idee, maar de generaal was woedend want hij had het zelf willen verzinnen. ‘Belachelijk!’ zei de generaal. ‘Zo is het kanon niet gevechtsklaar wanneer de vijand onverhoeds aanvalt.’ Dat kon de koning niets schelen, dan moest de vijand maar even wachten, want het ging nu om zijn dochter, en hij liet het kanon bovenop de hoogste toren van het paleis zetten en vandaar afvuren - zonder kogels hoor! - om het geluid zo ver mogelijk te laten dragen. Het paleis dreunde ervan, elk kwartier, er vielen stukjes kalk uit het plafond en de oude koningin-grootmoeder riep: ‘Egbert hou op met die onzin!’ Ze liep persoonlijk naar boven en riep door het raam tegen de soldaat op het dak dat hij onmiddellijk moest ophouden met vuren. Maar de soldaat stond juist met zijn vingers in zijn oren zes-vijf-vier-drie-twee-een-vuur! te tellen, en het schot ging toch af.

‘Vlegel!’ riep de koningin-grootmoeder woedend. ‘Lummel!’ En na gauw even door haar verrekijker te hebben gegluurd of ze de Rode Prinses niet zag aankomen, daalde ze met driftige passen de trap weer af om haar zoon de koning te gaan vertellen dat het uit moest zijn met dat idiote geschiet.

Maar de koning had de generaal ontboden om hem te vertellen dat het volledige leger moest aantreden. ‘En dan wensen Wij, generaal,’ zei hij, ‘dat het in brede slagorde door het gehele rijk

[p. 49]origineel

trekt. Als een grote kam, begrijpt u wel? Dan vinden wij Ons kind zeker.’

De generaal keek bedenkelijk. Ook dit had hij zelf willen verzinnen. ‘Ik vrees, Sire,’ begon hij aarzelend, ‘dat dit strategisch onmogelijk is.’

‘Kwatsj!’ riep de koningin-grootmoeder. Ze stond in de deur en haar ogen fonkelden als van een boze wolvin. ‘Strategische dollemanspraat! Altijd weer dat leger! En dat idiote kanon op het dak, laat dat geknal onmiddellijk stoppen, Egbert! Ik word er doof van.’

‘Ja maar,’ riep de koning, ‘Ons kind!’

‘Precies,’ zei de koningin-grootmoeder. ‘Een heel leger gebruiken voor één kind is net zoiets als dit kanon afschieten op een mier.’

‘Maar wat dan?’ riep de koning. ‘Wat dan?’ Hij was weer een vreselijk wanhopige vader.

‘Laat het volk naar haar zoeken,’ sprak de oude grootmoeder. ‘Dat is veel eenvoudiger.’

‘Het volk?’ Het klonk alsof de koning zei: ‘Het vee?’

En de generaal zag ook niet veel heil in het volk, dat immers in het geheel geen discipline kende.

‘Loof een beloning uit,’ sprak de koningin-grootmoeder. ‘Twaalf pond zilver en twaalf pond goud. Voor wie haar vindt. Dan gaan ze zoeken als gekken. Zo ís het volk, mijne heren.’ Ze draaide zich om en verliet het vertrek.

[p. 50]origineel

Het bierhuis was zo vol dat niemand meer een slok kon nemen. Vóór je je kroes aan de mond had gezet was hij al leeggestoten, en het bier schuimde in plassen op de vloer.

‘Twaalf pond zilver en twaalf pond goud!’ hoorde je overal zeggen. Het leek een canon. ‘Daar kun je een leven lang mee toe.’

‘Als ik maar wist waar ik moest zoeken.’

‘We trekken er met z'n allen op uit, mensen!’

De twaalf soldaten waren er ook. Ze hadden verlof gekregen na hun veldtocht en ze stonden er als twaalf helden. ‘Verschrikkelijke messen hadden die rovers,’ stonden ze te vertellen. ‘En sterk dat ze waren! Hele rotsblokken smeten ze naar ons, nietwaar Berk?’

Berk knikte. ‘Ze rukten hele bomen uit de grond,’ vertelde hij. Het volk verstomde van de geweldigheid. ‘En hoe hebben jullie ze te pakken gekregen?’ vroeg iemand.

De soldaten keken elkaar aan. ‘Krijgskunde,’ zei Knoestige Kastanje. ‘Gewoon een stormloop en meteen in de wurggreep nemen.’

‘Maar werden jullie dan niet gestoken?’

‘Wij niet,’ antwoordden de soldaten.

Tjongejonge! Gelukkig zaten die verschrikkelijke rovers veilig achter tralies. Maar ja, de Rode Prinses was er niet mee terug. Hoe had ze toch kunnen ontsnappen, vroeg men zich af.

‘Ontsnappen?? ONTSNAPPEN??’ Opa Tannebaum riep het boven alle geroezemoes uit en werkte zich hinkend door de massa naar voren. Nog meer bier knoeide op de vloer. ‘Wie spreekt hier van ontsnappen?’ Hij stond voor de soldaten, een beetje scheef want zijn overreden been werkte nog maar half.

‘Wij,’ zeiden de soldaten.

‘Oh ja?’ riep opa. ‘De Rode Prinses ontsnapt?’ Het was doodstil geworden. ‘Hebben jullie het nog altijd niet dóór?’ vroeg hij, in het rond kijkend. ‘Dan zal ik het jullie vertellen: De Rode

[p. 51]origineel

Prinses is niet ontsnapt. De Rode Prinses bestáát niet.’

Je kon een speld horen vallen.

‘Wat klets je nou, opa?’ begon er een.

‘Wat ik klets, jongen, is dit: Die Rode Prinses van ons, dat is een verzinsel. En die hele ontvoering, dat is afgesproken werk.’ ‘Kom nou, opa!’

Maar opa was niet gek. Dat zag je aan zijn steekoogjes. ‘Kom nou? Vertel op: wie heeft haar ooit gezien? Die Rooie Prinses? Wie? Wéten jullie iemand die haar ooit heeft gezien?’

Het bleef doodstil. Sommigen gebruikten de gelegenheid om gauw een slok te nemen.

‘Zelfs ik,’ riep opa, ‘ik die het dichtst bij de koets ben gekomen (hij hief moeizaam zijn blauwe been) heb nog niet het kleinste glimpje van een rooie prinses opgevangen, nog niet een half rood haartje.’

‘D'r mot weer koud water op, opa,’ zei de waardin.

‘Hou je d'r buiten,’ zei de waard. Hij moest diep denken; iedereen moest diep denken, daar in het volle bierhuis, zelfs de twaalf soldaten, die toch eigenlijk vergeefs hun barre veldtocht hadden gemaakt. Opa zei: ‘En wij maar dokken: puur goud en puur zilver. Van ons hart gescheurd, als losgeld voor een prinses die niet bestaat...’

‘Ja maar opa...die rovers dan? Die zijn toch echt? Met hun messen? En die rotsblokken...?’

Opa keek naar de soldaten. Vreselijk sluw prikten zijn oogjes. De helden moesten er een beetje van kuchen. ‘Spel,’ zei opa. ‘Dat was spel. Die waren gehuurd om ontvoerdertje te spelen.’ ‘Jaja!’ riep er een. ‘En gehuurd om nu bij de ratten te zitten en straks te bungelen aan de galg?’

‘Geloof jij dat?’ antwoordde opa. ‘Bij de ratten? Pha! Die drie zitten aan tafel bij de koning en de koningin. En ze klinken elkaar toe met Bourgondische wijn, en ze tellen het zilver en goud, en ze lachen om het volk dat ze mooi bij de neus hebben.

[p. 52]origineel



illustratie

[p. 53]origineel

En wij maar zoeken, voor ons eigen zilver en ons eigen goud naar een rooie prinses die niet bestaat!’

Nu probeerde zelfs niemand meer een slok bier te nemen.

De eerste die wat zei, na lange stilte, was een van de twaalf soldaten, Knoestige Berk, maar wat hij zei was zo'n verschrikkelijk erge vloek, dat bij het opschrijven ervan de inkt door elkaar is gelopen tot een vieze veeg. ‘Vieze veeg!’ zei Knoestige Berk. ‘Heb ik dáárvoor een nacht lang boom staan wezen? En de luitenant tegen me aan laten vieze veeg? En dagen lang op een knol achter ze aan gezeten? En met levensgevaar een rovers-nest bestormd? En drie bandieten overmeesterd? En alle zilver motten inleveren? Niet eens het kleinste ringetje mogen houden? Voor alle moeite? En de hele weg weer terug? Met drie levensgevaarlijke kerels? Vieze veeg, vieze veeg, vieze veeg, voor een rooie vieze-veegmeid die niet bestáát??!’

Dat zei Knoestige Berk allemaal en nu begon het hele bierhuis vreselijke dingen te zeggen. Sommigen smeten zelfs uit woede hun bierpul tegen de stenen muur aan gruzelementen, maar dat vond de waard niet goed.

‘Heren, heren! Alstublieft!’ riep hij.



illustratie

Maar dat hielp niet veel. De heren werden steeds rumoeriger. Woede is zoiets als brand; eenmaal uitgebroken laait het hoog op. ‘Naar het paleis!’ werd er geroepen. ‘We willen ons zilver en goud terug! En de koning door elkaar rammelen. En de koningin! Die ons voor de gek hebben gehouden!’

‘En die rovers ook!’ riepen de soldaten. ‘De bandieten die het spelletje hebben meegespeeld!’

‘Heren! Heren!’ schreeuwde de waard nu. Want iedereen die wat riep smeet meteen ook zijn pul tegen de muur. Als uitroepteken achter hun zin. Het gaf meer scherven dan spatten, en het zou een echte opstand van het volk tegen het gezag zijn geworden als niet opa Tannebaum met zijn zere been bovenop

[p. 54]origineel

de tapkast was geklommen en met zwaaiende armen de zaak had stil gekregen.

‘Luister! Luister nou toch!’ riep hij. ‘Ik weet iets veel beters!’

‘Ja ja! Luister naar een ouwe man!’ riepen de soldaten. ‘Hij weet iets veel beters!’

‘Bek houden!’ riep opa tegen ze.

Daar konden ze gelukkig om lachen.

‘Jullie zijn stom,’ zei opa. ‘Als je tegen de koning in opstand komt en je slaat hem neer, dan heb je alleen maar een man neergeslagen. De koning? Die ben je op dat ogenblik zelf geworden, haha! Nee, een koning kun je niet raken, net zomin als een idee. Blijf daar nou maar vanaf. Als jullie je goud en je zilver terug wilt hebben moet je het spelletje meespelen.’

Dit was een onbegrijpelijk verhaal. ‘Wat staat die opa nou allemaal te beweren?’

‘Ik zeg: als je je geld terug wil, moet je het spelletje meespelen. Het spelletje van de Rode Prinses. Vind haar!’

Ze begrepen er steeds minder van.

‘Wat bedoelt die ouwe?’

‘Daarnet stond hij te beweren dat ze niet bestaat!’

Vindt haar, stommelingen!’ riep opa Tannebaum van bovenop de tapkast. ‘Vindt een meisje met rood haar, zet een kroontje op haar kop, breng haar naar het paleis en roep: Gevonden! Wat zegt de koning dan? Of liever: wat moet de koning dan wel zeggen?’

Ze staarden hem met domme koppen aan.

De koning kan dan toch niet ineens zeggen: Ik hèb geen dochter? Ze bestaat niet? Hij moet dan toch zijn eigen spelletje meespelen en met een gezicht dat straalt van blijdschap en wijdopen armen roepen: ‘Mijn kind!’

‘Mijn lieve kind!’ riep de waardin.

‘Juist,’ zei opa Tannebaum. ‘En zo krijgen jullie je lieve zilver en goud weer terug.’

prepostterug  begin  verder