De Rode Prinses was de verkeerde kant uit gelopen. Holz en Bolz, die niet wisten hoe je met een Koninklijke Hoogheid moet omgaan, hadden de deur van haar kamertje op slot gedraaid, en zodra de Prinses dat merkte, was ze langs twee aan elkaar geknoopte lakens het raam uit gegleden. Lompe pummels, had ze bij zichzelf gedacht. Wat denken ze wel? Twaalf jaar hebben Wij opgesloten gezeten, nu is het genoeg. Wij gaan wel zonder lakeien. Maar de Prinses was de verkeerde kant uit gelopen, steeds verder weg van haar ouderlijk Witte-Torenpaleis, en nu betrad ze de ware wildernis.
‘Het is hier vreselijk!’ riep de Rode Prinses, want haar haren raakten verward in braamstruiken, spinnewebben kleefden draderig in haar gezicht, muggen, horzels en roofwespen gonsden om haar heen, en hoog in de boomtoppen riepen de kraaien elkaar toe dat er een aankwam. Vier krassen achter elkaar, soms vijf, haar eigen keel werd er schor van, en de boodschap van haar komst reisde ver voor haar uit.
De Rode Prinses had dat allemaal niet geleerd. De Rest van de Wereld bleek veel groter dan ze had gedacht, de aanwijsstok van Laula en Paula was niet lang genoeg geweest, begreep ze. Dapper ploegde de Rode Prinses zonder gevolg verder door de woestenij en de kraaien waarschuwden Umberto.
Oho! De Verschrikkelijke Umberto, de reus van de wildernis waar kindertjes bang mee werden gemaakt, de reus die een eikeboom met één hand uit de grond kon trekken en twee leeuwen tegelijk ving om ze met de koppen tegen elkaar dood te slaan, Umberto stond haar op te wachten bij de omgewaaide beuk.
‘Kijk aan, kijk aan,’ sprak hij te voorschijn tredend. ‘Waar gaat zo'n eenzaam schatteboutje naartoe?’
De Rode Prinses was moe, haar voeten deden pijn, haar hals jeukte van de steken, haar oogharen kleefden van web, en haar lijf voelde slap van de honger. ‘Wij herinneren Ons niet u iets te hebben gevraagd,’ sprak ze. ‘Wij zijn moe en wensen te dineren. Desnoods kikkersoep.’
Zulke taal had Umberto nog nooit gehoord. Hij liet zijn verschrikkelijke knots die hij al opgeheven had weer zakken, en vroeg: ‘Wij? Zijn er nog meer lekkere meidjes?’ en hij keek spiedend rond.
‘Wij zijn de Rode Prinses,’ antwoordde de Rode Prinses. ‘En Wij wensen ontvangst.’
‘Ontvangst!’ Umberto liet een verschrikkelijke lach horen. ‘Kom jij maar eens mee,’ riep hij en met een eeltige knuist voerde hij de Rode Prinses naar zijn verblijf, een stinkhut vol kakelende kippen en een geit.
Ze was woedend. ‘Jij!’ riep ze uit. ‘Hoe durft u jij te zeggen tegen Onze Koninklijke Hoogheid!’ En ondanks haar vermoeidheid en honger stampte ze met haar voet zodat de kippen uiteen stoven.
‘Boeh!’ deed de verschrikkelijke Umberto. Hij greep een van

de fladderende beesten en draaide het de nek om. ‘U zei toch kippesoep hè?’
De Rode Prinses had nog nooit de dood van een kip meegemaakt. Ze staarde en staarde. ‘Wat verschrikkelijk,’ zei ze tenslotte.
Umberto grijnsde. ‘Ik ben ook de Verschrikkelijke,’ zei hij. ‘En ik maak Verschrikkelijke Kippesoep.’ Hij begon de kip te plukken; de weewarme geur van het langzaam bloter wordende beest steeg de prinses in de neus. Ze snoof.
‘Wij wensen onmiddellijk naar huis te worden gebracht,’ sprak ze.
‘Naar huis?’
‘Het Witte-Torenpaleis. Onmiddellijk.’
Umberto kwam langzaam overeind en greep een verschrikkelijk mes dat in de muur stak. ‘Anders niet?’ vroeg hij.
‘Nu!’ riep de Rode Prinses. ‘Gehoorzaam!’ Ze stampvoette alweer.
‘Harder!’ zei Umberto. ‘Dan horen ze je misschien, daarginds in het paleis.’ En met een zwaai van zijn mes sneed hij de kip open en trok de ingewanden lillend naar buiten.
De Rode Prinses draaide zich om en liep de hut uit. Rondom lag de wildernis vol gezoem en gefluit en gekras en geritsel van het leven dat er thuis hoorde. Het paadje dat bij de deur begon verdween met een kronkel in het eindeloze groen. Straks kwam de schemering en dan werd de wildernis nog verschrikkelijker dan Umberto, begreep de Rode Prinses. Ze draaide zich om en liep de hut weer in.
‘Toch soep?’ vroeg Umberto.
Ze staarde hem aan. Ze zei niets. Ze ging aan de tafel zitten. ‘Hij komt niet vanzelf, juffrouw prinses,’ zei hij. ‘Maak jij maar eens vuur.’
Ze had gezien hoe de rovers het deden, vuur maken, maar zelf doen?
‘En pluk een beetje kervel voor bij de kip,’ zei Umberto.
Ze had het geproefd in haar pasteien, kervel, maar zelf zoeken? Ze bleef zitten, ze was moe, ze zei nog eens zachtjes: ‘Wij zijn de Rode Prinses.’
‘Ja ja!’ riep de Verschrikkelijke Umberto. ‘Als je het maar vaak genoeg zegt, dan begint het vuur vanzelf te branden en het kippetje wandelt zó je lege maag binnen, en de wildernis wijst je de weg naar huis. Het is een toverwoord hè, Rode Prinses. Hokus-Pokus-Rode-Prinses!’
Ze keek hem aan. In haar ogen stonden tranen. ‘Maar Wij zijn het,’ zei ze.
‘En ik ben de Verschrikkelijke Umberto,’ zei hij. ‘Ik trek bomen uit de grond, ik vang leeuwen met de blote hand en ik eet kindertjes op.’
‘Heus?’ vroeg de Rode Prinses door haar tranen heen.
‘Iedereen zegt het. Ook al zijn er helemaal geen leeuwen in deze wildernis en worden er nooit kindertjes vermist.’
De Rode Prinses begreep er niets van. De Rest van de Wereld was geen prettig oord om in te leven; je moest er alles zelf doen. De Verschrikkelijke Umberto leerde haar uien snijden en ze sneed ui en duim met het vlijmscherpe mes terwijl hij vuur maakte, kervel plukte en de kippesoep klaarmaakte.
‘Gaat u Ons ook opeten?’ vroeg ze huilend van de uien, maar Umberto antwoordde dat ze niet zulke domme dingen moest vragen. De soep was lekkerder dan alles wat de Rode Prinses ooit geproefd had; ze at er drie borden van en viel meteen daarna als een blok in slaap.
Drie hele weken bleef de Rode Prinses bij de Verschrikkelijke Umberto en leerde vuur maken, kervel zoeken, uien snijden, kippen slachten, afwassen en tafel dekken. Toen was ze sterk genoeg om alleen naar huis te gaan.
‘Wie je bent kan me niks schelen kind,’ zei Umberto. ‘De
wildernis kent geen koningen en paleizen. Een prinses en een bedelaar smaken precies hetzelfde voor een beer en het moeras slokt beiden even gretig op.’
‘Zijn er dan beren?’ vroeg de Rode Prinses.
‘Jawel,’ zei Umberto. ‘Ga ze maar uit de weg.’
Hij bracht haar een eindje in de richting van de bewoonde wereld. Ze moest het pad volgen, dan kwam ze aan een dal, daarin lagen boerderijen en vandaar zou ze de weg naar het Witte-Torenpaleis wel kunnen vinden.
‘Doe de groeten aan je moeder de koningin,’ zei Umberto en hij gaf haar een verschrikkelijke hand ten afscheid.
‘Dag,’ zei de Rode Prinses.
Ze liep een halve dag en bereikte zonder een beer te zijn tegengekomen de eerste boerderij in het dal.
De eerste boerderij in het dal was de laatste als je van de andere kant kwam. Het huis leek half in de grond gezakt, zo laag waren de muren, en het rieten dak zag groen van het mos. De stallen naast het huis waren van hout en daarbinnen bonkte het van de mestkalveren. In de wei liepen zevenentwintig koeien, op het erf scharrelden dertien kippen en aan het hek stonden zes kinderen met grote ogen te staren naar de Rode Prinses die eraan kwam. Nog nooit was er iemand van die kant gekomen. ‘Een heks!’ riepen ze. ‘Een rooie heks uit de wildernis!’ Gillend stoven ze naar binnen en smeten de deur dicht.
De Rode Prinses bleef bij het hek staan; de waakhond had haar geroken en blafte dansend aan zijn ketting; daar durfde ze niet langs.
De boerin kwam kijken. ‘Hij zit vast!’ riep ze. ‘Kom maar.’ Ze riep ook Koest! tegen de hond, en Goed Volk! maar dat hielp niet.
De Rode Prinses maakte een grote boog om het hellebeest. Het boerenerf rook naar mest en kippeveren en klaver en zure melk,
en de boerin was veel dikker dan Laula en Paula of de koningin.
‘Zo zo, meidje, wat is er van je dienst?’
‘Wij zijn de Rode Prinses,’ antwoordde de Rode Prinses.
De boerin bekeek haar van top tot teen en begon goedig te lachen. ‘Nee maar!’ zei ze. ‘Een prinses in een hemd en een baaien broek! Waar kom je nou vandaan, meissie?’
‘Wij zijn Koninklijke Hoogheid. En Wij komen uit de wildernis.’
‘Uit de wildernis? Met z'n hoevelen zijn jullie dan?’
‘Wij zijn alleen,’ antwoordde de Rode Prinses.
‘Alleen?’ De boerin bekeek het vreemde meissie nog eens goed.
Vreselijke ontberingen moest ze hebben meegemaakt, die haar in het hoofd waren geslagen, natuurlijk. ‘Ach got arme ziel. Moet je een beker karnemelk?’
De Rode Prinses had nog nooit van karnemelk gehoord, maar ze wou het wel. De zes kinderen, binnen, bekeken haar op afstand alsof ze elk ogenblik in een kat kon veranderen.
‘Uit de wildernis, meidje? Echt?’
De Rode Prinses knikte. Ze nam een slok van de karnemelk. Vies zuur. Ze zette de beker neer. ‘Wij wensen nu naar huis te gaan,’ zei ze. ‘Waar is het rijtuig?’
De boerin keek haar aan en schudde heel zachtjes haar hoofd.
‘Arm kind,’ mompelde ze.
‘Hoogheid!’ riep de Rode Prinses. ‘Waarom zegt toch niemand Hoogheid? Wij vinden het hier vreselijk. Wij willen hier weg. Wij willen in Ons paleis. En nooit meer in de Rest van de Wereld waar het stinkt en vies smaakt en steekt en prikt en hard zit en hard ligt en vol modder en doorns en akelige mensen en beren, en waar je moet lopen!’ Ze begon vreselijk te huilen, met schokken door haar hele lijf en smalle schoudertjes en handen voor haar gezicht en hete tranen die tussen haar vingers door siepelden. ‘Rijtuig!’ snikte ze. ‘Ons rijtuig! Wij willen naar huis. Naar mammie’
De boerin trok haar op schoot. ‘Meidje nou toch! Wie is jouw mammie dan wel?’
‘De...de...’ snikte de Rode Prinses. ‘...de koho...ning...hin!’
De boerin streek haar door de golvend rode haren en trok intussen een meewarig gezicht tegen de zes kinderen die naar het verdriet stonden te kijken.
‘Nou nou nou,’ zei ze op koesterende toon. ‘Dat hemmetje van jou mag wel eens in de was. En kijk me die broek! Complete mannekleren! Waar heb je die vandaan meissie?’
‘Van H-Holz en B-Bolz,’ snikte de Rode Prinses. Ze had nog nooit op zo'n brede schoot gezeten en zoveel warmte gevoeld. ‘Van Holz en Bolz,’ herhaalde de boerin alsof ze het begreep, want het was duidelijk dat dit arme kind vreselijke dingen had meegemaakt en helemaal in de war was. ‘We gaan jou eerst eens lekker onder de wol stoppen,’ zei ze. ‘En dan heeft Alie wel een jurkje voor je dat je aankan. Hoe oud ben je eigenlijk?’ Maar de Rode Prinses gaf geen antwoord meer; ze was in slaap gevallen met haar hoofd tegen de schouder van de boerin.
Het jurkje van Alie was geel met blauwe noppen. Het stond best bij de rode haren, dat vond zelfs de boer die 's avonds terug kwam van het land.
Maar de kinderen zeiden dat ze toch een heks was, en ze mocht niet meedoen met krijgertje en niet met verstoppertje, en ze kreeg nooit de bal. Toen bedachten de kinderen dat ze heksje zouden spelen; dan mocht ze meedoen als zij 'm was.
De Rode Prinses wist niet wat het betekende: als zij 'm was, maar ze zei goed, en toen stoven de zes kinderen uiteen en riepen: ‘Pak me dan als je kan!’
De Rode Prinses kon het niet, ze had nog nooit iemand gepakt, maar ze holde achter de zes kinderen aan, om de hooiberg heen en door de stallen en in de oude schuur waar de zeug lag te knorren in het drekkige stro. ‘Pak me dan!’
De Rode Prinses zocht in het rond naar het rijtuig dat toch ergens moest staan, met de paarden die het zouden voorttrekken, regelrecht naar het Witte-Torenpaleis. Maar wat ze vond was de bokkewagen met een kapot wiel.
‘Bokkie-bokkie-bèh!’ riep het jongste kind dat zich eronder verstopt had. Het sprong overeind en trok aan de haren van de Prinses zo hard dat ze auw gilde.
‘Malle heks! Gekke heks!’ Maar na een tijd riepen de kinderen: ‘Ze kan ons toch niet pakken. We gaan wat anders doen.’ En de oudste begon bazig de rollen te verdelen: ‘Jij was de koning en ik was de koningin. En jullie waren hofdames. En hier was het paleis.’ Ze stonden onder het afdak van de schuur en dikke. Gijs ging naast Alie op de melkbus zitten, met een streng gezicht en opgeheven arm, en verkondigde luid dat iedereen naar de gevangenis moest.
‘Maar zo doen ze helemaal niet!’ riep de Rode Prinses.
‘Ach jij gek, jij weet er niks van,’ riepen ze terug, en de hofdames maakten diepe buigingen voor Alie en Gijs en reikten hen een roestige beker pompwater aan: ‘Uw sjampanje sire.’

De Rode Prinses riep weer: ‘Zo doen ze niet! Zo doen ze niet!’ en de kinderen werden kwaad, maar 's avonds op de zolder waar ze alle zeven bij elkaar sliepen onder het rieten dak dat kreunde in de wind, vroegen ze: ‘Hoe doen ze dan?’
De Rode Prinses vertelde van haar vader en de generaal, van haar moeder met de zachte wangen, van haar oude grootmoeder die stampvoette en van mevrouw Laula en mevrouw Paula die haar alles hadden geleerd met de aanwijsstok.
‘Nietes,’ zeiden de kinderen. ‘Nietes! Een prinses hoeft niks te leren. Die kan de hele dag taart zitten eten op een gouden troon. En jij bent een rooie heks en morgen brengen we je lekker terug naar de wildernis, dan word je gepakt door de

Verschrikkelijke Umberto. En die eet je op. Net goed.’
‘Nee,’ zei de Rode Prinses. ‘Umberto eet geen kinderen. Hij eet kippen.’
‘Je weet er niks van!’ riepen de kinderen.
‘Wij hebben het zelf gezien,’ zei de Rode Prinses. ‘Hij kookt ze in een pan water en maakt er soep van, met kervel. Wij hebben het elke dag bij hem gegeten, eerst vonden Wij het erg lekker, maar later -’
‘Wij wij wij!’ schreeuwden de kinderen. ‘Je liegt!’
Maar van beneden riep de boerin: ‘Stil jullie daarboven!’ en ze zeiden niets meer; ze sliepen in en droomden dat het allemaal niet waar was, maar de volgende morgen vertelden ze toch alles aan hun moeder de boerin. ‘De Verschrikkelijke Umberto!’ riep de boerin. ‘Kom je dáár vandaan, meidje?’
‘Ja,’ antwoordde de Rode Prinses.
‘Heeft hij je geen kwaad gedaan?’ vroeg ze en ze keek de Rode Prinses heel onderzoekend aan.
‘Kwaad? Hij heeft Ons gered toen Wij verdwaald waren in de wildernis.’
De boerin bleef de prinses aankijken, alsof haar ogen iets anders
zouden zeggen dan haar mond. ‘Hoe ben je dan in de wildernis verzeild geraakt, meidje?’ vroeg ze.
‘Meegereden,’ vertelde de Rode Prinses nu. ‘De rijtoer ging naar het Knoestige Woud. En daar mochten Wij mee op het paard. Voorop bij Schwanzenstolz. Die was heel aardig, maar de andere twee die sloten Ons op en toen zijn Wij weggelopen.’ De boerin begon alweer met haar hoofd te schudden. ‘Meidje meidje toch, al die malle verhalen waar -’
Maar de Rode Prinses stampvoette ineens van woede. ‘Wij zijn geen meidje!’ schreeuwde ze. ‘Wij zijn Hare Koninklijke Hoogheid de Rode Prinses! En Wij wensen -’
Maar ze zei niet wat ze wenste. Ze draaide zich om. En ze liep weg. Helemaal weg, verder het dal in. De boerin en de zes kinderen vertelden het onthutst aan de boer toen hij 's avonds van het land kwam.
‘Die?’ zei de boer. ‘Die had een klap van de molen.’
‘Of van Umberto de Verschrikkelijke,’ fluisterde de boerin.
De Rode Prinses liep en liep en liep. Drie boerderijen liep ze voorbij, en ook een vierde, maar daaruit kwam een rauwe stem: ‘Hee jij!’
De Rode Prinses keek om. Er stond een man te wenken in de deur van de schuur. ‘Hee jij, kom eens hier!’
De Rode Prinses liep door, maar de man riep: ‘Moet je een kroes melk?’
Daar kreeg ze ineens zo geweldige dorst van, dat ze zich omdraaide en naar de man toeliep. Hij lachte met zijn hele gezicht behalve met zijn ogen. ‘Jij bent niet van hier, hè?’ zei hij.
‘Neen,’ antwoordde de Rode Prinses. ‘Wij zijn niet van hier en niet gewend zo te worden toegesproken, maar wensen wel een kom melk.’
De man bleef lachen. ‘Zulke rooie haren,’ zei hij. ‘Waar ben je dan vandaan?’
‘Van het Witte-Torenpaleis,’ antwoordde de Rode Prinses. ‘Waar blijft Onze melk?’
‘Zozo!’ zei de man. Hij nam haar mee naar binnen, de halfduistere schuur in, waar een melkbus dof stond te glimmen. Er lag een viezig doekje op dat de man wegtrok om de kroes te kunnen vullen. ‘Hierzo, mooie rooie. 't Witte-Torenpaleis? Ben je daar meid?’
De Rode Prinses vond de lauwe melk niet lekker, de schuur niet prettig en de man niet veilig. ‘Neen,’ zei ze. ‘Wij zijn de Rode Prinses.’
Daar moest de man een beetje om lachen. ‘Dat zie ik ja,’ zei hij, ‘met die mooie haartjes van je.’ Hij stak zijn hand uit om ze te strelen. De Rode Prinses deed een stap terug en zette de beker neer.
‘Niet zo bang, lief prinsesje,’ zei hij. ‘Ik eet je niet op.’
De Rode Prinses was daar niet zo zeker van. Ze wilde de schuur uit, maar de man hield haar tegen. ‘Waarom blijf je niet? Zo'n meidje als jij kan ik best gebruiken. Hm? Als melkmeidje?’
De Rode Prinses dacht dat ze als melkmeidje de hele dag lauwe melk zou moeten drinken. ‘Neen,’ zei ze. ‘Laat Ons los.’
Maar de man legde uit dat ze de koeien zou moeten melken. Dat kon ze toch zeker wel? Anders zou hij het haar leren. Nu meteen. Hier in de schuur. Daar hoefde geen koe aan te pas te komen, zei hij.
‘Laat Ons los! Onmiddellijk!’
De man liet haar los, en zo onmiddellijk dat ze achterover viel, op een stapel juten zakken. Meteen sprong hij bovenop haar met zijn zware lijf, en zijn adem in haar gezicht, zodat ze haar hoofd afwendde. Maar ineens draaide ze het weer terug, opende haar mond en beet hem vinnig in zijn zure neus. Met een kreet kwam de man overeind, sloeg zijn handen voor zijn gezicht en strompelde naar de verste hoek van de schuur waar hij zachtjes ging staan grienen.
De Rode Prinses liep naar buiten, het erf af en de weg op, steeds verder het dal in, steeds verder in de Rest van de Wereld. Ze streek de gele jurk met blauwe noppen van Alie glad.
De Rode Prinses liep en liep en liep. Toen hoorde ze achter zich het getrappel van paardehoeven. Ze keek om. Het rijtuig! Eindelijk eindelijk eindelijk het rijtuig om haar naar huis te brengen, maar het was een platte boerenwagen met één paard ervoor en zeven vrolijk zingende mensen op kussens in de laadbak.
‘Meerijden?’ riepen ze. ‘Kom maar!’ En ze strekten hun armen uit naar de Rode Prinses en trokken haar op de wagen terwijl ze zongen:
De Rode Prinses wist niet wat een bruiloft was, maar ze zong dapper mee en keek goed naar ieders mond om de bewegingen na te doen want ze kende de woorden niet.
Ze porden de Rode Prinses aan dat ze harder moest zingen en de Rode Prinses zette haar mond wagenwijd open; bijna hadden ze haar van de wagen gegooid, maar toen kwamen ze met alle vrolijkheid in het dorp en daar was het huis van de bruid, vol slingers en vlaggen en bloemkransen en twee keffende hondjes waar iedereen ‘af!’ tegen riep.
‘Wat fijn dat jullie er zijn!’ riepen de mensen van het bruilofts-

huis, ‘en wat fijn dat jullie een hulpje hebben meegenomen!’ En de Rode Prinses werd meteen de keuken in geduwd om uien te snijden en in de soep te roeren. Maar Jan de knecht die er binnenkwam om zijn lege wijnkan bij te vullen, wilde weten wie ze eigenlijk was.
‘Wij zijn de Rode Prinses,’ antwoordde de Rode Prinses. Ze had tranen in haar ogen, en Jan vertelde het aan iedereen wiens glas hij inschonk. ‘In de keuken hebben wij de Rode Prinses; ze snijdt uien en roert in de soep.’
‘De Rode Prinses?’ riepen de gasten. ‘Die ontvoerd is? En ontsnapt? En zoekgeraakt? Nee toch!’ Ze vroegen het aan de bruid, maar zij wist er niet van; de bruidegom ook niet en de moeder van de bruidegom niet, en zijn vader leefde niet meer.
‘Dan willen wij haar zien!’ riepen de gasten. ‘Wij willen de Rode Prinses zien!’ Ze dromden naar de keuken want ze wilden de Rode Prinses zien die niemand ooit had gezien, en ze wilden de beloning die was toegezegd aan degene die haar terugbracht,
twaalf pond zilver en twaalf pond goud! Ze wisten er alles van, het was hier niet meer de verste uithoek van de Rest van de Wereld!
Maar in de keuken stond alleen een meidje in een gele jurk met blauwe noppen vol soepspetters te huilen boven de uien.
‘De Rode Prinses?’ riepen de gasten. ‘Waar is de Rode Prinses?’ ‘Hier,’ antwoordde de Rode Prinses huilend en ze wees op zichzelf.
Daar moesten de gasten ineens om schateren van het lachen. ‘Natuurlijk!’ riepen ze, en ze trokken haar mee de kamer in; ze zetten haar op een mooi versierde stoel, drapeerden een geborduurd tafelkleed om haar heen, knipten een kroontje van goudpapier, zetten dat op haar hoofd en riepen: ‘Lange leve! Lang leve! Lang leve de Rode Prinses!’ springend en dansend om haar stoel.
Langzaam kwam de Rode Prinses overeind en keek in de lachende gezichten. ‘Dank u,’ sprak ze. ‘Nu wensen Wij Ons
rijtuig, om eindelijk te kunnen terugkeren naar Ons Witte-Torenpaleis.’
De gasten brulden van plezier. ‘Goed! Goed!’ riepen ze. ‘Jan! Waar is Jan! Jan je moet voorrijden! De Prinses wenst naar huis te gaan!’
Het rijtuig van bruidegom en bruid, glimmend zwart gepoetst en versierd met witte bloemen en linten, kwam knersend over het grint tot aan de deur, en de Rode Prinses werd door de juichende gasten tot aan de treeplank begeleid waar zij waardig instapte en het sein gaf tot vertrek. Jan op de bok trok aan de teugels, het paard kwam in beweging en daar ging ze, nagewuifd en goede reis toegewenst en groeten aan de koning toegeroepen. Maar voorbij de bocht was de grap uit. Jan maakte een rondje en reed rechtstreeks naar de stal terug. ‘Gauw weer aan de soep,’ zei hij. ‘Het ruikt al aangebrand!’ en hij sprong van de bok om de gasten verder te bedienen. ‘Die Jan!’ riepen ze. ‘Die Jan met de kan! Dat was nog eens lachen zeg!’
De bruiloft was er nog vrolijker van geworden, maar toen Jan weer in de keuken kwam om wijn bij te vullen, was de soep zwart gebrand. Er stond niemand in te roeren.
‘Hee!’ riep hij. ‘Waar zit je?’
Maar ze zat nergens. Niet in de keuken, niet in de bijkeuken, niet in de schuur en niet in de stal. Op de grond naast het rijtuig lagen het geborduurde tafelkleed en het kroontje van goudpapier. Jan bleef er een tijdlang hoofdschuddend naar staan kijken. Was ze dan tòch...?
Hij liep naar de weg, maar de Rode Prinses was achter de horizon verdwenen.