terug  begin  verderprepost
[p. 71]origineel

Hoofdstuk Zes

Binnen een week hadden zich in het bierhuis zeven meisjes met rood haar aangemeld, die allemaal graag prinses wilden worden. Het plannetje van opa Tannebaum had zich als een ondergronds kruipvuur in de stad verspreid en nu zaten daar Truus, Patricia, Noortje, Albarta, Clementien en de tweeling Geesje en Deesje.

De waard en de waardin bekeken de zeven van top tot teen, maar ze leken geen van allen op een prinses.

‘Hoe moet dat nou, opa?’

Opa Tannebaum zat met zijn zere been vooruitgestrekt op een extra stoel. ‘Je moet ze mooi aankleden,’ zei hij. ‘En een voor een laten binnenkomen.’

De meisjes werden naar de achterkamer gebracht. Daar haalde de waardin haar zondagse jurk te voorschijn, knipte een kroontje van goudpapier en zo uitgedost stapten de zeven om de beurt de gelagkamer binnen om met een buiging ‘dag koningvader’ tegen opa te zeggen. Want zo zou het zeker toegaan aan het hof.

Truus struikelde bij binnenkomst meteen over de zoom van de jurk en viel op haar neus.

‘Prinsessen vallen niet,’ zei opa, en Truus werd naar huis gestuurd.



illustratie

[p. 72]origineel

Patricia hield de jurk keurig op, zodat ze er niet over struikelde, maar ze keek zo koninklijk verheven dat ze de stoel niet zag staan en daarover struikelde.



illustratie

‘Prinsessen weten waar alles staat,’ zei opa en ook Patricia deed niet meer mee.

Noortje haalde het tot opa, maar bij de buiging viel het kroontje van haar hoofd.



illustratie

‘Prinsessen verliezen niks,’ zei opa. Noortje was af.

Albarta deed het beter; ze kwam met waardige tred te voorschijn, ze boog, ze zei keurig ‘dag koning-vader’, maar meteen proestte ze het uit van het lachen en was niet tot bedaren te brengen.

‘Prinsessen blijven ernstig,’ zei opa, en Albarta werd gierend afgevoerd.



illustratie

[p. 73]origineel



illustratie

Clementien had de jurk binnenstebuiten, de kroon achterstevoren, gaf de kat een schop, stak haar tong uit tegen opa en riep dat ze geen zin had in het hele gedoe. Weg met Clementien.

Daarna kwam er niemand. Er klonk alleen gekif en gekijf uit de achterkamer. Geesje en Deesje hadden allebei de zondagse jurk van de waardin beet en probeerden hem tegelijk aan te trekken, want de een wilde de ander niet laten voorgaan.

‘Wie is de oudste?’ riep de waardin, want de jurk begon in zijn naden te kraken.

‘Ik!’ riep Geesje. Ze was een half uur eerder geboren.

‘Mooi,’ zei de waardin. ‘Dan mag Deesje beginnen.’

‘Dat is niet eerlijk!’ schreeuwde Geesje.



illustratie

[p. 74]origineel

‘O nee?’ zei de waardin. ‘Is het dan wel eerlijk dat jij eerder bent geboren?’

‘Jaaa!’ krijste Geesje.

‘Prinsessen krijsen niet,’ zei de waardin.

Dat hielp.

Deesje werd prinses en kwam op. Ze struikelde niet over de zoom, niet over de stoel, ze verloor het kroontje niet, ze barstte niet in lachen uit, ze zei keurig ‘dag koning-vader,’ gaf opa zelfs een kus en schreed waardig terug naar de achterkamer waar Geesje ‘Nou ik!’ siste.

Geesje deed het al even mooi. Ze had door het sleutelgat staan loeren en gaf ook een kus aan opa. Hij glom ervan. Maar wie was de beste?

‘Allebei even goed,’ zei opa. ‘Laat ze maar met dobbelstenen gooien.’

‘Wie het eerst zes gooit,’ riep Geesje. ‘En nou mag ik beginnen.’ Ze gooide ook meteen en ze riep ook meteen zes! Maar het was vijf. Deesje gooide twee, Geesje vier, Deesje ook vier, Geesje één. Ze gooiden de hele middag met alle klanten van het bierhuis om hen heen, maar ook al bliezen ze op de steen, fluisterden spreuken ertegen, spuugden er zelfs op, het werd nooit zes.

‘Zit er wel een zes op?’ riep Geesje. Ze wilde kijken maar toen viel de dobbelsteen op de grond en rolde tot onder het zere been van opa Tannebaum. ‘Zes!’ riep iedereen. Maar dat telde niet, zei opa, alleen op de tafel telde.

Ze gooiden en gooiden, Deesje met een steeds roder gezicht, Geesje een steeds paarser. Toen riep Knoestige Berk: ‘We moeten ze blinddoeken, dan gooien ze beter.’

De meisjes kregen droogdoeken voor hun gezicht gebonden - die stonken naar bier - en toen Geesje had gegooid draaide Knoestige Berk de steen gauw op zes en riep zes! want hij vond Geesje aardiger dan Deesje.

[p. 75]origineel

Maar dat was niet eerlijk. Ze moesten maar strootjes trekken, zei opa; hij pulkte twee biezen uit zijn stoel - de waardin werd er boos om - en hield ze de meisjes voor.

‘Ik eerst! Ik eerst!’ gilde Geesje en trok de kortste.

‘De kortste verliest,’ zei opa.

Deesje zou Prinses worden. Nu echt.

 

Er werd een gloednieuwe jurk voor Deesje gekocht, met pofmouwen en smokwerk en volgeborduurd met korenbloemen en een dikke hommel op haar buik. Ze zag er schitterend uit. ‘Er moet een scheur in,’ zei opa Tannebaum.

‘Een scheur?’ vroeg de waardin.

‘Ja, van de ontvoering. 't Moet echt lijken.’

Deesje vond het verschrikkelijk. ‘Niet door de hommel heen,’ vroeg ze.

Opa zette zijn vinger in de hals en ritste een stukje van de rug open. De gloednieuwe stof scheurde met een luide schreeuw. Deesje moest er een beetje van huilen, maar opa zei: ‘Zeur niet kind, je wordt prinses, en dan krijg je honderd nieuwe jurken.’ Toen gingen ze op weg. Zonder kroontje; dat zou toch zeker zijn afgevallen bij de ontvoering, of afgepakt door de rovers, had opa bedacht.

Deesje liep voorzichtig over straat met de waard en de waardin, want opa ging zelf niet mee, nee nee, opa had nog te veel last van zijn zere been, hij wachtte wel tot ze met het goud en zilver zouden terugkomen.

Hoe dichter ze het Witte-Torenpaleis naderden, hoe hoger de muren werden, en de poort zat ontzettend dicht. Er stonden twee schildwachten voor, wijdbeens, star als poppen, met over hun schouder een lans waarvan ook de punt doodstil moest blijven, en hun ogen mochten maar eens in de vijf minuten knipperen.

De waard werd zenuwachtig. Hoe moesten ze nu doen?

[p. 76]origineel

‘Meteen maar roepen,’ meende de waardin. ‘Vanaf een afstand al roepen: we hebben haar! We hebben haar gevonden!’

‘Goed,’ zei de waard. En ze riepen het terwijl Deesje een stralend gezicht zette.

Maar de schildwachten verroerden zich niet en staarden langs hen heen in de verte waar niemand aankwam.

‘Meld het de koning!’ riep de waard nu. ‘Dat we zijn dochter terugbrengen.’

Maar de linker schildwacht siste door zijn gesloten lippen: ‘Leveranciers achterom.’

De waard en waardin hadden niet gedacht dat het Witte-Torenpaleis een achterdeur had. Met Deesje tussen zich in liepen ze langs de hoge muur tot bij een poortje waar ze aanklopten. ‘Wie daar?’ riep een stem.

De waard gaf Deesje een por. ‘Ikke!’ riep ze.

‘Wie is ikke?’ vroeg de stem.

‘De Prinses!’ riep de waard nu. ‘De Rode Prinses! Wij hebben haar gevonden!’

Het bleef stil aan de andere kant. Toen ze de stem: ‘Ikke? Dat kan niet!’

‘Jawel jawel!’ riep Deesje zenuwachtig. ‘Ik ben het heus! De echte Rode Prinses!’

En de waard riep: ‘Wij komen haar brengen!’

Nu ging de poort op een kiertje open en een half gezicht bekeek hen met één oog. De halve mond riep: ‘Tinus, kijk jij eens,’ en een tweede oog verscheen, een eindje onder het eerste. ‘Is ze dat?’

‘Al sla je me dood jongen, ik heb d'r nog nooit gezien.’

‘Ik ook niet. Wat moeten we?’

Deesje kreeg weer een por van de waard. ‘Alstublieft!’ riep ze meteen naar de twee ogen, ‘Alstublieft, laat me binnen. Ik verlang naar mijn koning-vader en koningin-moeder.’

De ogen verdwenen, maar het poortje ging niet open, integen-

[p. 77]origineel

deel, de kier werd nauwer en een fluisterend gesprek begon: ‘Ze zeggen toch geen IK, man! Die hoogheden zeggen WIJ. Altijd WIJ!’

‘Misschien is ze in de war. Van ontberingen.’

‘Ze staat er anders fris bij, zo te zien.’

‘Je weet nooit! Als ze het wèl is...’

‘Zullen we ze doorsturen?’

‘Dat is een idee. Naar de hoofdpoort. Branden wij onze handen niet!’

De kier werd weer groter. Het eerste halve gezicht zei: ‘Eh mensen... Hoogheid, eh...u wordt verwacht aan de hoofdpoort. Even omlopen, als 't u belieft.’

De waard, de waardin en Deesje liepen weer langs de hoge muur terug naar de ingang met de schildwachten. ‘Zie je wel, zie je wel, zie je wel!’ fluisterde de waard opgewonden. ‘Ze weten er geen raad mee! Ze hadden het nooit gedacht. En nu moeten ze tijd winnen!’

‘Ja,’ zei de waardin. ‘Maar denk erom Deesje, dat je WIJ zegt inplaats van IK!’ Ze moest het drie keer herhalen, telkens met een por, want de eerste twee keren antwoordde Deesje: ‘Ik zal erom denken,’ en pas de derde keer: ‘Wij zullen erom denken.’ ‘En zielig kijken!’ zei de waard. ‘Zielig en vermoeid en doodop en hongerig en mager en gebukt. Denk erom.’

Deesje probeerde het allemaal tegelijk toen ze weer bij de starre poppen kwamen, maar die namen nu ineens hun lans van de schouder en hielden hem met beide handen rechtop voor zich uit.

‘O,’ zei de waard. ‘O gunst!’ Want de grote poort was wagenwijd opengezet en een jong luitenantje stond daar te salueren en te hakkenklappen en ‘Hoogheid!’ te zeggen. ‘Hoogheid, sta mij toe U naar binnen te geleiden,’ waarop Deesje ook ‘O gunst!’ riep en terugdeinsde. Maar ze kreeg een harde por van de waardin en meteen zei ze: ‘Auw ja goed ik kom wel mee.

[p. 78]origineel

WIJ bedoel ik. Komen.’

Het luitenantje knipperde vreselijk met zijn ogen, maar hij draaide zich om en marcheerde voor haar uit naar binnen. De waard en de waardin volgden onzeker.

In de hal stonden twintig lakeien en achttien hofdames die allerdiepst bogen en op deftige toon hoera zeiden, ‘hoera, onze geliefde Hoogheid is veilig terug.’ Maar in het midden stond de oude koningin-grootmoeder in een lang gewaad en met een kroon op haar grijze haren. Deesje liep naar haar toe en zei: ‘Dag moeder-koningin.’

De waard en de waardin hadden elkaars hand vastgegrepen en stonden er hard in te knijpen van de zenuwen.

De oude grootmoeder keek Deesje recht in het gezicht, zo strak dat ze in elkaar kromp. ‘Kind!’ zei ze. ‘Kind wat zie je er uit! Zo kun je niet voor je ouders verschijnen. Foei!’ En ze wenkte met de hand en riep: ‘Dames!’ waarop Laula en Paula naar voren traden en Deesje meenamen naar de vertrekken van de Rode Prinses. Daar werd haar mooie jurk met de scheur uitgetrokken en werd ze in een heet bad gestopt met veel zeep en harde borstels waarmee de dames haar boenden tot ze rood was. ‘Auw!’ riep Deesje.

‘Maar Hoogheid!’ zei Paula. ‘Wat bent u veranderd. Vroeger riep U nooit auw. U weet toch dat een Prinses nooit auw zegt?’ ‘Auw!’ riep Deesje, want het schrobben ging gewoon door.

‘Hoogheid toch! Het is vreselijk met U. Al Uw manieren bent U kwijt. En Uw gezicht is ook helemaal anders.’

‘Ja,’ zei nu Laula. ‘Eigenlijk niet alleen Hoogheids gezicht. Haar schouders zijn smaller geworden, haar rug bleker, en waar Hoogheid op zit is de bolling anders. Wat hebben die akelige rovers U aangedaan!’

Deesje verstijfde.

‘Maar de haren zijn nog even mooi rood, nietwaar mevrouw Paula?’

[p. 79]origineel



illustratie

‘Geen twijfel aan, mevrouw Laula!’

Deesje werd uit het bad getild, afgedroogd en in de allermooiste japon van de Rode Prinses gekleed.

‘Ziezo,’ zeiden de dames. ‘Nu zullen Uw ouders U weer herkennen, Hoogheid. Gaat U maar naar hen toe.’

Ze openden de deur en lieten Deesje de gang in stappen. Een lange gang met dertien deuren, en aan het eind een trap.

‘De weg zult U toch niet vergeten zijn!’ riepen de dames en met een kirrende lach sloten ze de deur achter haar dicht.

 

Deesje liep onzeker door de gang. Ze durfde nergens aan te kloppen, maar ze drukte wel overal haar oor tegenaan. Achter elke deur klonk stilte.

Zouden daar in die kamers dure schatten liggen? dacht ze. En heel voorzichtig opende ze de achtste deur.

[p. 80]origineel

Het was een slaapkamertje met een onopgemaakt bed en slordige kleren over een stoel. Ongezellig, groezelig en duf, zonder een stukje zilver of goud. Gauw de deur weer dicht.

De negende kamer was leeg.

In de tiende kamer stond een spook, maar het was een hoge leunstoel onder een stoflaken.

In de elfde - maar daar kwam iemand de trap op. Deesje stond roerloos met haar hand aan de deurknop en zag een eerbiedwaardig hoofd oprijzen, een schitterende kraag, een purperen jas met zilver bestikt, een kniebroek... Ze liet de deurknop los, liep de man tegemoet en zei: ‘Dag koning-vader!’

‘Maar maar maar!’ zei de rijk-geklede man. ‘Koninklijke Hoogheid! U had mij niet meteen herkend na al uw ontberingen? Jansen, weet U nog? Lakei Eerste Klasse. Ja? Zijne Majesteit Uw vader is beneden.’ En met een buiging week hij opzij om haar door te laten.

Deesje liep bevend de trap af en kwam bevend in weer een gang met dertien deuren.

Achter de eerste klonk gegiechel van vrouwen, achter de tweede rauw gebral van mannen, achter de derde gezucht en gesteun, achter de vierde stilte. Zou hier de koning zitten? dacht ze. Doodstil op zijn troon? Ze klopte. Ze draaide aan de kruk. De deur zat op slot. Schatten! dacht ze meteen.

‘Eh...’ klonk het achter haar. ‘Eh, zoekt Uwe Hoogheid iets?’ Deesje draaide zich om en zag een hofdame die op stille sloffen was komen aanzetten.

‘Um,’ zei Deesje. ‘Ik ben onderweg. Naar m'n koning-vader.’ ‘Zijne Majesteit wacht u,’ sprak stille slof. ‘Beneden, weet U wel?’

Deesje knikte en ging weer een trap lager. Hoorde ze zingen? Weer eenzelfde gang, zelfde dertien deuren. Rook ze etensgeur? Klonk daar gescharrel met potten en pannen? Liep daar aan het eind van de gang een kok met een witte muts? Niet goed

[p. 81]origineel

hier! Nog lager dan! Voor de deur van koning-vader's troonzaal zouden natuurlijk wachten staan, bedacht ze. Daaraan zou ze kunnen zien waar ze moest zijn! Vooruit, net zo lang naar beneden tot ze dat vond.

Op de trap hoorde ze weer zingen. Van heel diep kwam het, maar het werd duidelijker naar mate ze verder afdaalde, een wenteltrap nu, lager en lager, tot ze de woorden verstond:

 
Hier zitten wij gevangen
 
en kijken naar het blauw
 
door een venstertje van tralies
 
maar straks door een van touw
 
waaraan wij zullen hangen.

Het klonk heel droevig en Deesje ging nog wat lager om het beter te kunnen verstaan. Toen klonk het zo:

 
Hier zitten wij gevangen
 
en kijken naar het blauw
 
Hier zitten wij gevangen
 
voor een venstertje van touw
 
Hier zitten wij gevangen
 
waaraan wij zullen hangen
 
Een venstertje van touw
 
en kijken naar het blauw
 
en kijken naar de tralies
 
waaraan wij zullen hangen
 
en kijken naar de trauwen
 
waaraan wij zullen blauwen
 
waaraan wij zullen trangen
 
waaraan wij zullen hangen.



illustratie

[p. 82]origineel

Dat kwam omdat het een canon was die driestemmig werd gezongen door drie treurige mannenstemmen. Deesje daalde de wenteltrap helemaal af, tot de deur van de kerker waar een bewaker zat te suffen bij een walmende kaars.

‘Ah Hoogheid!’ sprak hij met raspende stem. ‘U komt ze eens bekijken? De snoodaards die U hebben gepakt?’ Hij wenkte met een kromme vinger en opende de schuif van het gluurluikje in de deur. Maar het zat te hoog, de bewaker moest haar optillen en Deesje walgde van zijn handen, zijn mouwen, zijn borst en zijn bek. ‘Nee!’ zei ze.

‘Ah! U wilt dat zij U zien! Gezond en wel teruggekeerd!’ En met rammelende sleutels opende hij de kerkerdeur.

Deesje week achteruit, alsof de stank die naar buiten kwam haar terugduwde. In het vage licht zag ze drie kerels zitten, op verbleekte doodshoofden inplaats van op bankjes. Het stro op de vloer was bezaaid met botten en het ritselde van de ratten. ‘Hare Koninklijke Hoogheid!’ kondigde de bewaker aan. ‘Gezond en wel teruggekeerd, haha!’

Twee van de drie kerels begonnen meteen vreselijke taal uit te slaan, wat bij het opschrijven alleen maar weer vieze vegen zou opleveren, maar de derde keek zonder iets te zeggen. Hij keek en keek, recht in haar gezicht, hij fronste zijn wenkbrauwen, hij stak een arm uit, bevend van zwakte, en wijzend met zijn vinger sprak hij: ‘Nee! Nee! Die daar...is niet de Rode Prinses!’

illustratie

[p. 83]origineel

De waard en de waardin zaten intussen in de mooiste kamer van het Witte-Torenpaleis en de oude koningin-grootmoeder zat tegenover hen.

‘Het arme kind,’ sprak de oude. ‘Wat zag ze eruit! Helemaal niet meer te herkennen. Verschrikkelijke dingen moet zij hebben meegemaakt.’

De waard en waardin knikten ijverig van ja.

‘Het leek wel of de rovers haar een geheel nieuwe neus op het gezicht geplakt hebben,’ zei de oude koningin-grootmoeder. ‘Wij zouden haar nooit hebben herkend als u haar niet teruggebracht had.’

De waard knikte weer ijverig van ja. De waardin begon zich onzeker te voelen.

‘U hebt haar gevonden? Ergens in het struikgewas of zo?’

‘Uh...’ zei de waaard. ‘Uh nee, dat nou niet. Ze kwam uh gewoon bij ons binnenstappen. In het bierhuis.’

‘Ach zo!’ zei de koningin-grootmoeder. ‘Moe zeker? En hongerig? En verward? En vervuild. Maar u herkende haar meteen?’ ‘Me-Nee nee nee natuurlijk niet me- Hoogheid!’ De waard had zich bijna versproken, en haastig voegde hij toe: ‘Niemand kent haar toch, ik bedoel, niemand heeft haar toch ooit gezien? De Rode Prinses niet? Hoe zou ik haar hebben kunnen herkennen, de Rode Prinses? Nee, zo was het niet, ze stond daar zielig en eenzaam en verlaten en koud en bibberig en hongerig in de deur en ik zei wat is dat nou meidje ja ik zei meidje tegen haar ik wist natuurlijk niet maar toen zegt ze opeens ik ben de Rode Prinses en -’

De waard was niet meer te stuiten opeens, als een ratelaar kwamen zijn verzinsels naar buiten, zonder punten of komma's. ‘Merkwaardig,’ sprak de koningin-grootmoeder. Ze liet het even stil. ‘Merkwaardig’ zei ze weer. ‘Dat waren de woorden van de Rode Prinses?’

De waard kreeg een por van de waardin.

[p. 84]origineel

‘Ja Hoogheid,’ antwoordde hij. ‘Dat waren haar woorden: De Rode Prinses.’

‘Wij bedoelen,’ hernam de koningin-grootmoeder, en haar ogen staken als vlijmscherpe messen in die van de waard, ‘zei ze IK?’

De waard kreeg weer een por. ‘Ik ja,’ zei hij zenuwachtig. Toen pas kreeg hij een kleur en begon te hakkelen over wij wij wij, maar de koningin-grootmoeder zei alleen maar: ‘U liegt.’

De waard deinsde achteruit maar de waardin drong naar voren en zei met brutale stem: ‘Als wij liegen dan liegen ze hier ook! Die Rooie Prinses bestaat helemaal niet.’

Het leek of er een schok door de kamer ging. De koningingrootmoeder zat verstard, één ogenblik, toen schoot ze overeind. ‘Is dàt wat het volk denkt!’ riep ze uit. ‘Er is dus nog een kans!’

De waard en de waardin staarden haar dommig aan.

‘U beiden hebt met de ontvoering niet van doen gehad?’

De ogen van de waard en de waardin werden zo groot als alleen maar kan bij echte verbazing.

‘Niet dus,’ sprak de koningin-grootmoeder. ‘Wij dachten dat de Rode Prinses was omgebracht en dat u daarom met een remplaçant kwam. Maar nu begrijpen wij dat u van de hele zaak niets afweet, alleen maar dom volk bent dat denkt iets te weten, en deze hele komedie hebt opgezet om het goud en zilver te bemachtigen.’

Ze zweeg. De waard en de waardin zwegen ook, totaal onthutst.

‘En u denkt,’ ging de oude voort, ‘u denkt met koningen en koninginnen te kunnen spelen als met kaarten. Gooi op: harten koning. Gooi op: harten vrouw. En u denkt er vals mee te kunnen doen als met kaarten, ze te kunnen verwisselen. U denkt een prinses te kunnen maken met een potsierlijk japonnetje en een goudkartonnen kroontje. Welnu mijnheer de waard

[p. 85]origineel



illustratie

en mevrouw de waardin, dat spel kunnen wij voortzetten, als met kaarten zonder hart.’ Ze greep de tafelbel en liet hem met driftige bewegingen klingelen. De jonge luitenant kwam binnen en vroeg wat er van Majesteits dienst was.

‘De audiëntie,’ beval de koningin-grootmoeder. ‘Alles gereed maken voor de particuliere audiëntie.’

 

Deesje was ontzet achteruit gedeinsd, maar de bewaker deed de kerkerdeur weer dicht alsof hij de woorden van de gevangene niet had gehoord en zei: ‘Men verwacht U boven, Hoogheid.’ Er was geen uitweg. Met loden stappen, zo traag als ze kon, besteeg Deesje de stenen treden van de wenteltrap, rond rond rond, tot ze half duizelig tegen een lakei aan liep.

‘Hunne Hoogheden Uw ouders verwachten U,’ sprak de man. ‘Wilt U mij volgen, Hoogheid?’

Deesje knikte van ja en liep achter de zilverbestikte jaspanden

[p. 86]origineel

aan. Ze golfden bij elke stap van de man, en Deesje vroeg zich ineens af wat er zou gebeuren als ze ho riep. Ik ben prinses, dacht ze, ik ben Hoogheid, ik moet niet bang zijn, ik kan juist bevelen en zij moeten gehoorzamen! Ik kan deze man laten hollen of stilstaan. Drop laten halen, of kauwgom. Ze durfde het nog niet meteen, maar ze zou het morgen durven, of overmorgen. Ze zou iedereen in het paleis op zijn kop laten staan, een uur lang, omdat zij het zei.

‘Hoogheid, hier is Hoogheid,’ hoorde ze de lakei zeggen. Hij boog. Daar stond de oude koningin-grootmoeder voor een deftige deur. Achter haar stonden de waard en de waardin. De deftige deur ging open en Deesje moest als eerste naar binnen. Ze kwam in een grote zaal met hoge ramen en dik tapijt op de vloer. Recht vooruit zaten, ieder op een troon, de koning en de koningin. Ze leken net speelkaarten: harten heer en harten vrouw, zo mooi waren ze aangekleed.

‘Kind!’ riepen ze.

Deesje was een beetje confuus, maar ze stapte toch dapper naar voren en zei: ‘Uh...dag uh...’ Toen keek ze om, want ze was haar lesje vergeten, maar niemand durfde voorzeggen en ze keek weer terug naar het verblindend mooie koningspaar en ze zei: ‘Uh koning en ko- uh vader koning en ko- moeder koningin.’

Het leek naar niks, maar de koningin strekte haar armen naar Deesje uit en riep: ‘Kom aan Ons hart, Onze verloren dochter!’ en Deesje stapte moedig naar voren om zich te laten omhelzen. Ze moest op haar tenen staan want de troon was erg hoog en moeder-koningin rook naar motteballen en lijm. ‘O kind, o kind!’ sprak ze. ‘Wat hebben de rovers je aangedaan! Je bent helemaal veranderd. Nietwaar Egbert?’ En ze duwde Deesje naar de koning die haar ook in omhelzing nam. Het voelde een beetje als Sinterklaas vroeger, dacht Deesje. Waren de koning en de koningin net zoiets? vroeg ze zich ineens af. Verklede

[p. 87]origineel

mensen? Gewoon een meneer en een mevrouw die voor koning spéélden? En iedereen geloofde erin? Of niet?

‘Wat hebben de rovers dan allemaal met je gedaan?’ vroeg hartenkoning. ‘En hoe ben je ontsnapt? Vertel dat eens aan papa en mama?’

Deze vragen waren niet gerepeteerd in het bierhuis. Deesje wist geen antwoord.

‘Niks,’ zei ze.

‘Niets??’ vroeg papa-koning. ‘Niet gestompt en geslagen en in een kamertje opgesloten?’

O jee, dacht Deesje, dat had ik moeten zeggen. Ze knikte vaag. ‘En kreeg je te eten?’

‘Nee,’ zei ze nu ferm. Heel ferm nee.

‘Oh!’ riep mama-koningin. ‘Wat zul je een honger hebben.’

Deesje knikte maar weer. Ze mocht van 's konings knie af en de koningin drukte haar tegen zich aan. De armleuning van de troon porde in Deesjes zij, harder dan de waardin.

Nu trad de koningin-grootmoeder naar voren en zei: ‘Egbert en Elisabeth, hier zijn de onderdanen die Ons Geliefd Kind hebben teruggebracht.’ Ze duwde de waard en de waardin naar voren. ‘Hun komt de toegezegde beloning toe, nietwaar?’ vervolgde ze.

De waard en de waardin begrepen er niets meer van. Waren dit nu toch de koning en de koningin? Werd Deesje toch Rode Prinses? En kregen zij toch de beloning?

‘Op de knieën!’ beval de koningin-grootmoeder.

De twee gehoorzaamden. De waard durfde niet op te kijken en bleef staren naar de linker lakschoen van de koning. De zilveren gesp zat scheef en half los. De waardin keek de majesteiten recht in het gezicht. Ze had de koning en de koningin nooit eerder gezien. Tijdens de rijtoer was ze binnen gebleven in het bierhuis om de grond te dweilen en de tapkast te poetsen voor de klanten na afloop. Nu dacht ze: Ja toch! Die ouwe

[p. 88]origineel

oma heeft ons alleen maar op de proef gesteld. Ons plannetje lukt! En ze sloeg haar ogen neer voor de verblindende verschijning van de vorstelijke personen.

‘O Hoogheden!’ bracht ze uit, en tegelijkertijd begon de waard met ‘wij zijn U van diepster harte dank -’ maar meteen porde ze de waard en siste hem toe: ‘Niet WIJ sufferd! Dat zeggen ZIJ. Wij zeggen IK!’ En de waard verslikte zich vreselijk en begon nu met ‘uche-uche mijn vrouw en ik ben u van harter diepste -’ en toen nam de waardin het over en beurtelings van de koning naar de koningin buigend zei ze: ‘O Hoogheid, O Hoogheidin, wij zijn blij dat uw kleine Hoogheidje weer in Uw midden is dank zij onze inspanning waarvoor wij de beloofde beloning gaarne in ontvangst zullen krijgen.’

‘Toch WIJ,’ prevelde de waard voor zich heen.

‘O ja!’ sprak de koningin. ‘Wij zijn zeer verheugd.’ Ze drukte Deesje extra hard tegen zich aan, met de armleuning ertussen, en vroeg haar: ‘Ben je ook blij, Ons Kind?’

Deesje knikte geheel bedremmeld.

‘Tongetje verloren?’ vroeg de koningin.

Deesje schudde het hoofd.

‘Zeg dan wat?’ vroeg de koningin.

‘Ja,’ zei Deesje met een zacht stemmetje.

‘Is dat alles?’

‘Ik ben blij,’ kwam er nu uit.

‘IK??’ De koningin liet haar los. ‘Vreselijke dingen hebben die rovers je geleerd! Hoe durf je IK te zeggen! Foei!’

Deesje was ontzettend geschrokken. ‘WIJ!’ riep ze gauw. ‘Ik bedoel WIJ!’

‘WIJ bedoelen WIJ!’ verbeterde de koning nog bozer.

De koningin-grootmoeder bemoeide zich er ook mee. ‘Dat komt altijd door omgang met het plebs,’ zei ze. ‘Laten Laula en Paula haar maar streng onder handen nemen, dan leert ze het wel weer af.’

[p. 89]origineel

Deesje kromp in elkaar. Ze wilde nu toch niet meer Hoog zijn en Rode Prinses worden in dit doodenge paleis vol dertien deuren en plotselinge lakeien, en met verklede sinterklazen die naar lijm stonken als vader en moeder, en twee strenge juffen die haar rood schrobden in bad en vreselijke lessen zouden leren met een aanwijsstok.

‘Ik wil niet!’ gilde ze opeens. ‘Ik ben Deesje! Ik ben geen rooie prinses!’

‘Hoor toch eens aan! Hoor toch eens aan!’ sprak de koning. ‘Vreselijke dingen moet Ons Kind hebben doorstaan, dat ze zó in de war is!’

Er werd meteen gebeld om Laula en Paula die haastig kwamen toehollen en Deesje meenamen. Haar gehuil en geschreeuw hielp niets. ‘Arme Hoogheid!’ zeiden ze alleen maar, terwijl ze haar ferm bij de arm de zaal uit sleurden.

 

Maar de waard en de waardin kregen de beloning in twee grote zakken van twaalf pond en kwamen er opgewonden mee aanzetten in het bierhuis.

Iedereen verdrong zich er omheen toen de buit werd opengemaakt.

‘Goud??’

‘Zilver??’

Het waren twaalf pond vlooien en twaalf pond luizen.

De oude koningin-grootmoeder had het allemaal zo bedisseld. Vanaf het ogenblik dat ze door haar geheime verrekijker het groepje had zien aankomen, Deesje, de waard en de waardin, had ze haar maatregelen genomen. De wachtpost vóór bevolen hen naar achteren te sturen, de wachtpost achter hen naar voren te sturen. Om intussen de hele komedie in elkaar te kunnen zetten. Met lakei Jansen en Hofdame Pietersen als koningspaar verkleed. Regeren kon ze nog goed, die oude grootmoeder.

En nu wist ze wat erachter stak. En dat er nog hoop was.

prepostterug  begin  verder