De Rode Prinses liep en liep en liep. Ze kwam in een dorp waar ze aanklopte bij de kerk, maar niemand deed open. Toen klopte ze op de deur van het huis naast de kerk en de dominee deed open. ‘Ja?’ zei hij.
De Rode Prinses zei niet dat ze de Rode Prinses was. Ze vroeg om een bordje kikkersoep want ze had zo'n honger.
‘Kikkersoep?’
‘Ja, of iets anders,’ zei ze. ‘Als het maar geen karnemelk is.’
‘Maar kind, waar kom je vandaan?’
‘Van een bruiloft,’ zei de Rode Prinses.
‘Waar woon je, bedoel ik?’
‘In het Witte - uh -’ De Rode Prinses wist niet zo gauw iets te bedenken.
‘Kom jij maar eens binnen,’ zei dominee. Hij bracht haar naar de keuken. Daar zat dikke Ans erwten te doppen. ‘En wie hebben we dáár nou?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei dominee, ‘hoe heet jij?’
‘Alie,’ zei de Rode Prinses.
‘Alie hoe?’
‘Ja,’ zei de Rode Prinses.
‘Wat ja? Alie hoe heet je?’
De Rode Prinses werd zenuwachtig. Liegen had ze niet geleerd van Laula en Paula.
‘Alie ja,’ zei ze.
‘Alia?? Ben jij soms een weggelopen kind?’ Het klonk ineens streng.
‘Nee,’ zei de Rode Prinses. ‘Of eigenlijk ja. Weggelopen van Holz en Bolz. En nu op weg naar huis.’
Dominee vertrouwde het steeds minder. ‘Ja, en waar wóón je dan?’
‘In het...’ De Rode Prinses begon te hakkelen. ‘In het ..thuis!’ zei ze.
Dikke Ans begon te lachen. ‘'t Kind is een beetje in de war,’ zei ze goeiig. ‘Die moet eerst eens lekker wat eten en een nachtje slapen. Dat lijkt mij, dominee.’
De Rode Prinses kreeg andijvie met gehakt en een berg aardappels met vette sju. ‘Wij vinden het lekker,’ zei ze.
Dominee werd nog wantrouwiger. ‘Waar haal je dàt vandaan?’ vroeg hij.
De Rode Prinses begreep niet wat hij bedoelde.
‘Dat WIJ,’ zei dominee. ‘Waarom zeg je WIJ inplaats van IK?’
‘Het plebs zegt IK,’ antwoordde de Rode Prinses. ‘Wij zeggen WIJ.’
Het klonk heel simpel.
Dominee staarde haar aan. ‘Wie beweert dat?’ vroeg hij.
‘Onze grootmoeder,’ antwoordde de Rode Prinses. Ze nam nog een hap andijvie. Haar tafelmanieren waren zo keurig als dominee zelden had gezien. Overdreven keurig. Alles aan dit meisje was overdreven: haar accent, haar manier van praten, haar houding, er was niets normaals aan haar; dominee begreep opeens dat ze gek was. Niet gevaarlijk gek, maar verbeeldingsgek. Dit meisje leed aan grootheidswaanzin, en omdat hij op de hoogte was van het nieuws, begreep hij meteen wie ze zich verbeeldde te zijn.
‘Ach,’ zei hij. ‘Nu zie ik het! Neem mij niet kwalijk Hoogheid! U bent de Rode Prinses!’
De Rode Prinses antwoordde niet dadelijk, want zij had geleerd niet met een mond vol andijvie te spreken. Toen zij had doorgeslikt en haar lippen afgeveegd met het servet, zei ze: ‘Het verheugt Ons eindelijk te worden herkend. Laat het rijtuig voorkomen.’
Dikke Ans die met open mond had staan luisteren, barstte nu
in zulk schaterend gelach uit dat ze erbij moest gaan zitten en bijna door haar stoel zakte. ‘Zo'n kind hè, dominee? Die moet aan 't toneel!’
Maar dominee bleef nog even in zijn rol: ‘Het moet vreselijk voor U geweest zijn, Hoogheid, die ontvoering?’
De Rode Prinses wist niet wat een ontvoering was. ‘U bedoelt?’ vroeg ze,
‘U bent toch ontvoerd? Tijdens Uw rijtoer door de hoofdstad?’ ‘Ah ja de rijtoer!’ riep de Rode Prinses. ‘Ja ja, die heeft wat langer geduurd dan Wij hadden gedacht. Ook op paarden. Dat vonden Wij erg leuk. Waar blijft nu het rijtuig?’
‘Dat komt, dat komt,’ sprak dominee. ‘Maar die rovers,’ wilde hij weten, ‘hebben die U -’
‘Rovers??’ De Rode Prinses riep het woord alsof het een rotte plek was in een appel. ‘Waren dat ro...?’ Ze zweeg. Ze staarde voor zich uit. De andijvie werd koud. Het leek of ze in de verte iets vreemds zag gebeuren en langzamerhand begon te begrijpen wat het eigenlijk was. ‘Rovers...?’ mompelde ze. ‘Schwanzenstolz...?’
‘Wij wensen onmiddellijk naar het Witte-Torenpaleis terug te keren,’ sprak ze, en met een hoofs knikje naar dikke Ans stond ze op en liep de gang in, naar de voordeur.
‘Hoogheid! Hoogheid! Eén ogenblikje alstublieft!’ Dominee werd opeens zenuwachtig. Wat was het kind van plan?
Het kind rukte de voordeur open en riep: ‘Onmiddellijk! Onmiddellijk het rijtuig!’ Het schalde door de dorpsstraat. ‘En Wij wensen NIET te wachten!’ Ze stampvoette.
Dominee sprong toe en greep haar bij de arm om haar naar binnen te trekken, maar de Rode Prinses barstte los in gegil en geschreeuw en gekrab en gebijt. Zeer onbeschaafd. Een verschrikkelijke scène werd het, het hele dorp liep te hoop om dominee te zien vechten met een wilde kat. Wie is dat kind? Wat is dat voor kind? Een rooie vuurtoren, een heksekind!

Met drie man sterk kregen ze haar in bedwang. ‘Die moet naar het dolhuis,’ werd er gezegd.
‘Jah,’ zei dominee. ‘Ze denkt dat ze de Ro-hode Prinses is.’ Hij hijgde nog.
‘Die zijn Wij, die zijn Wij, die zijn Wij!’ riep de Rode Prinses worstelend in de greep van zes sterke armen. Ze begon hartverscheurend te huilen, van wanhoop, van woede, van machteloosheid. ‘Niemand gelooft Ons, niemand, niemand! Stom volk zijn jullie! Akelig plebs! Precies wat grootmoeder zegt! Wij ha-
ten jullie! Wij haten jullie! Wij háten jullie, en zodra Wij aan de regering komen laten Wij jullie allemaal doodslaan. Allemaal!’ Ze schreeuwde het.
‘Arm schaap,’ zei er een.
Maar een ander zei: ‘Zo eentje moet goed opgeborgen worden.’ De Rode Prinses werd naar het dolhuis gebracht, in een wagen met tralies inplaats van in een rijtuig. Daar zat ze tussen de gekken vol kronkels in hun hoofd waarmee ze denken dat de Rest van de Wereld gek is. Arme Rode Prinses.
‘Geen wonder,’ zei de dollendokter. ‘Het nieuws van zo'n gebeurtenis als in de hoofdstad werkt op de verbeelding. En als zo'n meisje dan ook nog rood haar heeft... Maar wij zullen doen wat wij kunnen.’
Hij deed het heel voorzichtig. Pas toen de patiënte gekalmeerd was begon hij: ‘...tja tja tja weet u, misschien is het zo, dat u onlangs had gedroomd dat u -’
‘Nee,’ zei de Rode Prinses.
‘Maar het zou toch kunnen, toen u hoorde van de ontvoering en de -’
‘Nee,’ zei de Rode Prinses.
‘Maar er blijft toch altijd één moeilijkheid over...’
‘Nee,’ zei de Rode Prinses.
‘...en die moeilijkheid is,’ vervolgde de dokter nu ferm, ‘dat de Rode Prinses, de echte dus, onlangs is gevonden en terug is in het paleis. Dat heeft het Hof zojuist bekend gemaakt.’
Eén ogenblik bleef de Rode Prinses verbluft zitten. Toen zei ze opnieuw nee. ‘Nee,’ zei ze, ‘dat kan niet. U liegt. Iedereen liegt.’ Ze sprong verschrikkelijk overeind en begon als een echte gek te schreeuwen dat iedereen loog en bedroog en gek was geworden en gemeen. Er waren vier stevige broeders nodig om haar naar het tralie-kamertje te brengen.
Na een week was de Rode Prinses opnieuw gekalmeerd. Ze had een goede manier bedacht om vrij te komen: ‘Wij heten
Alie,’ zei ze tegen de dollendokter. ‘Alie de Boer, en Wij wonen, uh Ik woon, Ik Ik Ik, in het laatste huis vóór de wildernis. Daar kunnen, kan ik zelf naar toe lopen Ik Ik Ik!’
Het lukte niet meteen, maar hoe vaker de Rode Prinses Ik en Alie zei zonder zich te vergissen, hoe beter de dokter het vond, en tenslotte mocht ze weg. In haar gele jurk met blauwe noppen.
Ver voorbij het dolhuis vroeg ze de weg naar de hoofdstad. Dat bleek nog een verschrikkelijk eind lopen.
De Rode Prinses liep en liep en liep. Ze kwam in een oud stadje met torentjes als spitse vingers, een gracht als een ceintuur en bruggetjes als hoge katteruggen. Ze klopte aan het eerste huis. ‘Hier is Alie de Boer,’ zei ze. ‘Met honger. Ik bedoel: Alie heeft honger.’
‘Zo?’ zei de man die de deur geopend had. ‘Nou, ik niet.’
‘Hebt u al gegeten?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei de man.
‘Is er wat over?’ vroeg ze.
‘Ja,’ zei de man. ‘Voor morgen.’
‘O,’ zei ze. ‘O uh...hoe komt Alie dan aan eten?’
‘Als je wat doet,’ zei de man. ‘Kun je breien?’
‘Nee,’ zei ze.
‘Vegen?’
‘Nee.’
‘Bedden opmaken?’
‘Nee.’
‘Kousen stoppen?’
‘Nee.’
‘De tuin wieden?’
‘Nee.’
‘De kachel aanmaken?’
‘Nee.’
‘Water koken?’
‘Nee.’
‘Wat kun je dan wel?’
‘Weglopen,’ zei ze. ‘En in een rijtui- uh nee nee, Ik weet het: uien snijden en in de soep roeren, en voor de gek houden. Dat kan Ik!’
‘Ja,’ zei de man. ‘Dat merk ik. Vertoon jij je kunsten maar ergens anders.’ En hij sloeg de deur dicht.
De Rode Prinses klopte aan de volgende deur. ‘Hier is Alie de Boer,’ zei ze tegen de vrouw die opendeed. ‘Hebt u wat te eten? Voor Ik - Me?’
‘Nee,’ zei de vrouw en ze sloeg de deur dicht.
Bij het derde huis deed weer een vrouw open. ‘Ach arm kind,’ zei ze, ‘ik heb wel een bakkie soep over.’
De Rode Prinses roerde erin met haar lepel voor ze een hap nam. Er zaten geen kikkers in en het smaakte er ook niet naar. ‘Weet je wat je doet?’ zei de vrouw. ‘Met je mooie rooie haren? Ga naar het danscafé. Daar kunnen ze wel een dienstertje gebruiken.’
‘Danscafé?’
‘Ja, bij de Kippenbrug.’
Het was niet ver lopen, je hoorde de muziek al buiten, van-je-heisa-hop-harmonica, en binnen was het vol. Er werd gedanst en gekaart en gelachen en gedronken.
‘Hee Rooie Prinses!’ riep iemand toen ze binnentrad. ‘Kom je huppelen?’
‘Wij zijn Alie!’ riep ze terug. ‘Wij - Ik kom voor dienstertje.’ De baas van het danscafé kon inderdaad iemand gebruiken. Bladen vol glazen moest ze rondbrengen, donker bier, blond bier, brandewijn-mèt en brandewijn-zonder, kruidenbitter, kandeel, hete groc, bloedmarie, korenwijn, Jan-in-'t-gat, pruimesop, kluts, bessejenever, half kereltje op sap en boerenjongens. Dat kon ze niet allemaal onthouden, en van de tap naar

de tafeltjes moest ze door de dansers heen, dat gaf zulk gedraai, met het tinkelende blad boven haar hoofd, dat ze nog minder wist wie aan welk tafeltje wàt moest hebben, zodat de kluts bij meneer kruidenbitter terecht kwam en Jan-in-'t-gat bij brandewijn-zonder.
‘Hee hee hee, dat is verkeerd, Rooie Prinses!’ werd er geroepen, en ‘Breng me nog een biertje, Rooie Prinses!’ en ‘Wat duurt dat lang, Rooie Prinses!’ Ze holde, ze draafde, ze rende heen en weer, heen en weer, telkens draaiend tussen de dansers, volle glazen héén, lege glazen terug. Nog nooit was ze zo moe, zo afgedraaid, zo hongerig geweest.
‘Keurig gedaan meidje,’ zei de baas toen iedereen naar huis was.
‘Honger,’ zei de Rode Prinses terwijl ze neerzeeg. ‘Alie heeft honger.’
Ze kreeg een groot bord bruine bonen met spek. Dit gerecht
kennen Wij niet, dacht ze bij zichzelf, maar ze at zo gulzig dat het vet langs haar kin droop. Toen mocht ze gaan slapen, op de kamer bij de twee kinderen van de baas, en die werden wakker.
‘Ben jij echt de Rode Prinses?’ vroegen ze, want ze hadden door een kier in de vloer naar het dansen gekeken en alles gehoord en gezien.
‘Nee,’ zei de Rode Prinses. ‘Ik ben Alie en jullie moeten zoet gaan slapen.’
Maar de kinderen wilden eerst een verhaaltje en de Rode Prinses vertelde van het meisje dat twaalf ganzen moest hoeden en de hele dag zat te tellen of het er nog steeds twaalf waren, maar de kinderen riepen: ‘Nee, wij willen horen over de Rode Prinses. De echte.’
‘Maar daar is niks over te vertellen. Die heeft een saai leven.’
‘Niet!’ riepen de kinderen. ‘Je weet er niks van.’
‘Wel waar,’ antwoordde de Rode Prinses. ‘Ze zit de hele dag binnen, achter de hoge muren van het Witte-Torenpaleis, ze mag er nooit uit en ze moet alles leren wat Laula en Paula zeggen.’
‘Laula en Paula? Wie zijn dat?’
‘Dat zijn haar hofdames.’
‘O, en wat zeggen die dan?’
‘Die zeggen Hoogheid waar U bent is de hoofdstad en daarbuiten ligt de Rest van de Wereld.’
‘En toen?’
‘Toen kwam de Rode Prinses in de Rest van de Wereld en die was heel anders.’
‘Hoe dan?’
‘Eerst was het wel leuk. Ze mocht in de koets uit rijden en dat ging heel wild. En daarna mocht ze vóór op het paard.’
‘Bij een ridder?’ vroegen de kinderen.
‘Nee,’ zei de Rode Prinses. ‘Nee, niet bij een ridder. Bij een

ro-’ Ze zweeg. ‘Maar hij was heel aardig,’ vervolgde ze. ‘De andere twee waren niet aardig. Die sloten de Rode Prinses op in een klein bovenkamertje, maar daaruit is ze ontsnapt en toen is ze weggelopen, heel ver weg naar -’
‘Hoe was ze ontsnapt?’
‘Ze had lakens aan elkaar geknoopt, als een touw, en daarlangs was ze naar buiten geklommen.’
‘Dat kan niet,’ zeiden de kinderen. ‘Dat scheurt.’
‘Ja,’ zei de Rode Prinses. ‘Het scheurde ook, maar toen stonden We al op de grond.’
‘Stond ZE,’ zei het ene kind.
‘Jaja,’ zei de Rode Prinses haastig. ‘Stond ZE.’
‘D'r is niks van waar,’ zei het andere kind. ‘Er waren rovers gekomen en die hadden haar ontvoerd maar nu is ze weer terug en slaapt in haar gouden bed.’
‘Ze is helemaal niet terug,’ zei de Rode Prinses.
‘Hoe weet jij dat?’ vroeg het ene kind.
‘Jullie moeten gaan slapen,’ zei de Rode Prinses.
‘Je weet er niks van,’ zei het andere kind. ‘Want de Rode Prinses moet zeven weken lang in bed liggen om beter te worden van de schrik en de ellende, en om haar bed staan allemaal hofdames om de kussens op te schikken en het dek recht te trekken en één staat klaar met een beker limonade - een gouden beker - om de prinses een slokje te geven zodra ze dat wenst en een ander met een doekje om dadelijk haar mond af te vegen, en weer een ander staat klaar met een bord eten, dampend op een vlammetje zodat het warm blijft, en er staan drie dokters bij haar bed die steeds haar pols voelen en de slagen van haar hart tellen en opschrijven, en er rent steeds een loopjongen heen en weer, tussen haar kamer en die van de koning en de koningin, om te vertellen hoeveel hartslagen, en hoeveel happen de prinses heeft genomen, en hoeveel slokken, en er is een hofdame die de hele dag voorleest...’
De Rode Prinses was al lang in slaap gevallen en begon nu te snurken zodat het kind boos ophield met haar verhaal.
De volgende avond kwamen de dansers weer en opnieuw moest ze met haar blad vol glazen rondtollend serveren terwijl iedereen Rode Prinses tegen haar riep. Toen hoorde ze aan een van de tafeltjes iemand vertellen dat het hof inderdaad een beloning had uitbetaald aan degene die de Rode Prinses had teruggebracht.
‘Twaalf pond zilver en twaalf pond goud?’ vroeg een ander.
De Rode Prinses hoorde het antwoord niet meer. Ze voelde haar keel samentrekken alsof iemand hem dichtschroefde, haar oren suisden en ze viel bijna om. Maar de dansers draaiden en draaiden, ze moest verder tot het eind van de avond. Bruine bonen kon ze niet eten, ze ging meteen naar bed, diep onder de dekens, en daar begon ze vreselijk te snikken, zo erg dat de kinderen wakker werden en op haar toe kropen om haar te aaien. ‘Wat is er?’ vroegen ze. ‘Wat is er, Rooie Prinses?’
Maar ze kon het niet zeggen.
De volgende morgen toen de kinderen wakker werden, was haar bed leeg. De Rode Prinses was verdwenen.
