terug  begin  verderprepost
[p. 101]origineel

Hoofdstuk Acht

‘Egbert! Egbert! Wat doet dat vreemde meiske hier toch in het paleis? Iedereen zegt dat het moet, dat Mama het allemaal zo verordonneert, dat het staatsbelang is, maar Ons doet het pijn, Egbert. Pijn in Ons hart om aldoor dat boerse kind met die rode haren door Onze gang te zien lopen, met iedereen om haar heen die doet of ze Ons kind is. 't Is nog erger dan de afschuwelijke leegte daarvóór, Egbert. Egbert, hóór je me?’

De koning lag als een zwaar nijlpaard in het bed naast de koningin.

‘Jawel,’ zei hij.

‘Vraag jij dan aan Mama of dat schepsel niet weg kan. Als jij het vraagt...’

‘Het moet,’ zei de koning. Hij zuchtte zo zwaar dat het ebbenhouten bed kraakte.

‘Dat moeten!’ riep de koningin. Ze begon weer te schreien. ‘Dat eeuwige moeten en dat eeuwige staatsbelang! Waar een koningin en een koning alles voor moeten geven. Nee, niet alles!’ De koningin richtte zich op en beet door haar tranen, zeggend: ‘Juist niet alles, Egbert. Niet Ons leven. Was dat maar waar! Hadden We een keisteen inplaats van een hart, maar nee, levend moeten We zijn, en levend Ons laten verkneden tot beelden, Ons laten gebruiken als touwtjespoppen! Pijn Egbert! Pijn pijn pijn doet het, elk uur van de dag en elk uur van de nacht, en We zijn weerloos, zo weerloos als een rups waarin een steekvlieg haar eieren heeft gelegd en die levend wordt leeggegeten door de uitgekomen larven.’

‘Bah!’ zei de koning.

‘Wij hebben het zelf gelezen,’ jammerde de koningin. ‘Dat het zo toegaat in de natuur. Wreed wreed wreed. En is de mens beter? Levende trekpoppen zijn We! En is er eentje weg, die

[p. 102]origineel

de rol speelde van koningsdochter, dan nemen ze een nieuwe. Gewoon een nieuwe pop. Wie merkt het? Niemand van het volk, van het plebs. Maar wie wèl? Wie voelt het verlies van Hun Eigen Kind. Hun Bloedeigen...’ De koningin begon weer zo hevig te schreien dat woorden er niet door konden, maar even later riep ze: ‘Daar draait alles om, om het plebs, het grauw, het botte volk dat altijd maar roept en schreeuwt en krijst dat het onderdrukt wordt, en geknecht en in slavernij leeft. Maar ik vraag je Egbert, ik vraag je: Wie leeft in slavernij, in knechtschap? Wie is duizendmaal erger het slachtoffer van de staat?’

De koning zuchtte nog zwaarder.

‘Nou??’ riep de koningin. Haar hele gezicht was nat en rood en gezwollen, maar door haar tranen heen schoten toch de vreselijkste vonken uit haar ogen. ‘Zeg het! Zeg het Egbert!’

‘De koningin,’ sprak de koning dof. ‘En de koning.’

De deur van het slaapvertrek ging open en het ontbijt werd binnengebracht. Geurige thee en twee gekookte eitjes en marmelade en halvemaans broodjes.

‘Breng haar hier!’ riep de koningin.

De grijze lakei zette het blad naast het bed van de koningin.

‘Háár zeg ik!’ Ze kieperde het hele ontbijt om, de theepot aan scherven en een dampende bruine vlek om het voetenkleedje.

‘Háár!’ riep ze. ‘De nieuwe Rode Prinses!’

‘Maar majesteit...’ begon de grijze lakei beverig. Nog nooit in zijn lange loopbaan had hij de koningin zó meegemaakt. Huilend ja, maar schreeuwend en bevelend nee.

‘Nu!’ riep majesteit. ‘Onmiddellijk. Hier!’

Dat kon natuurlijk niet zomaar. Wel zei de grijze lakei: ‘Zeker majesteit, zoals u beveelt majesteit,’ en hij verliet buigend het slaapvertrek, maar alleen om dadelijk te gaan waarschuwen dat er iets aan de hand was met de koningin. De kamermeisjes schoten toe, de dames Laula en Paula, de andere hofdames,

[p. 103]origineel

ook het jonge luitenantje, maar niet verder dan de deur want naar binnen mocht hij niet, en tenslotte de koningin-grootmoeder. Die stuurde alle anderen meteen weer de kamer uit en vroeg wat er eigenlijk aan de hand was.

De koning draaide zich log om in zijn bed. ‘Het wordt haar te veel,’ spak hij, met zijn hoofd knikkend in de richting van de koningin. ‘Dat rode meidje -’

Op die woorden schoot de koningin als een furie uit de lakens omhoog: ‘Moet weg!’ riep ze. ‘Weg weg weg!’

De koningin-grootmoeder ging op het voeteneind zitten. ‘Het is voor de opvolging,’ zei ze.

‘Kan Ons niet schelen waar het voor is!’

‘Kalm toch, kalm toch Elisabeth,’ zei de koning.

‘Wij laten Ons niet levend pijnigen!’ schreeuwde de koningin. ‘Dan willen Wij liever dood.’ Ze woelde zich onder de dekens uit en kwam overeind om door het raam de dood te zoeken, maar de koningin-grootmoeder greep haar bij de pols en dwong haar tot rust, net zo lang tot ze in elkaars ogen keken. ‘Je moogt niet dood, Elisabeth,’ sprak de oude vrouw tot de jongere. ‘De opvolging is nodig voor het koningschap en het koningschap is nodig om mensen bij elkaar te houden.’

‘Kul!’ Dat zei de koning vanuit de kussens.

‘Egbert! Waar heb je dat woord vandaan?’

‘Het dient tot niets!’ ging de koning verder. ‘De hele poespas niet.’

‘Integendeel,’ sprak de koningin-grootmoeder, ‘het is het knooppunt, waar alles aan elkaar zit. En precies daarom wordt er zo aan getrokken. En precies daarom doet het pijn. En precies daarom -’

‘Kul en kwatsj!’ riep de koning er doorheen. Hij kwam nu ook een beetje overeind.

‘Ah!’ sprak de koningin-grootmoeder. ‘Er komt eindelijk leven in jullie. In jullie beiden!’

[p. 104]origineel



illustratie

‘Wij gaan dat kind het paleis uitdonderen,’ zei de koning.

‘Verdomd als Wij het niet doen.’ Hij zette een enorm been op de grond.

‘Nee Egbert. je gaat het niet doen!’

‘Ja Egbert, jawel!’

‘Domme kinderen!’ riep de koningin-grootmoeder. Ze stond op en stampvoette, naast het kleedje met de theevlek, op de houten vloer zodat het hard klonk. ‘Ezels! Begrijp je dan nog niet waartoe koning en koningin en hun opvolgers dienen?’

‘Jawel,’ zei de koning. ‘Tot niets. Voor de sier.’

‘Sier!’ herhaalde de koningin-grootmoeder. ‘Juist! Precies! Sier! En jullie zijn te stom om te begrijpen dat sier het eigenste van de mens is. Dat we daarvan leven, en daarvoor en daarop.’

‘O ja?’ vroeg de koning. ‘Het plebs? Sier?’ Hij krabde zich op zijn koninklijke kop om aan te geven dat het hele gesprek hem niets interesseerde.

Maar de koningin-grootmoeder bleef recht overeind in haar

[p. 105]origineel

mening. ‘Heel zeker wel,’ sprak ze. ‘Het enige verschil bestaat eruit dat het volk er geen besef van heeft. En dat dienen jullie wel te hebben. En daarom is het goed dat Wij (ze wees op zichzelf) dat Wij, zolang jullie nog niet aan dit besef toe zijn, de regering waarnemen. Wij! En dat betekent dat ‘het rode kind’ zoals jullie haar noemen, hier blijft tot...’ Ze zweeg. De koningin-grootmoeder, die alles zo precies wist, zweeg.

‘Tot?’ vroeg de koning.

Maar er kwam geen antwoord. De koningin-grootmoeder verliet het slaapvertrek en liet de koning kopkrabbend en de koningin snikkend in haar kussen achter.

 

In het bierhuis zaten ze niet alleen hun kop te krabben maar hun hele lijf. De vlooien sprongen overal in het rond, van de tap op de kat op het kleed op de hond en zelfs in de borstel van de bierglazen, maar de luizen kropen onmerkbaar en geniepig en nestelden zich met hun jeuk op de meest onwelvoegelijke

[p. 106]origineel



illustratie

plekken waar alleen het grove soldatenvolk zich openlijk durfde te krabben.

‘We nemen het niet!’ riep Knoestige Berk.

‘We nemen het wel!’ riep de waard terug. ‘Ons geld bedoel ik. Ons eigen zilver en ons eigen goud. We gaan het halen!’

‘Hoe wou je dat doen?’ vroeg opa Tannebaum.

‘Gewoon,’ riep Berk. ‘Erop af, en pakken.’

‘Ja maar jongen,’ begonnen de andere soldaten, ‘je komt toch zomaar dat paleis niet in?’

‘Met z'n allen niet?’

‘Van z'n leven niet, jongen. Die muur is veels te hoog en de poort veels te dicht.’

‘Dan maken we een stormram.’

‘Daar zien ze je mee aankomen jongen, en dan schieten ze het kanon op je af.’

‘Het kanon! Dat moeten we hebben!’

‘Mooi idee! Staat boven op de toren van het paleis. Vraag of opa het even voor je haalt. Met z'n zere been.’

Opa Tannebaum kwam fier overeind, op twee benen. ‘M'n poot is weer goed!’ riep hij. ‘Maar dat kanon, dat is niks. En die stormram is nog minder niks. Ik heb een beter idee.’

‘O ja, opa?’

‘Luister: als jullie echt van plan zijn om...’

‘Ja opa! We zijn echt van plan om. Maar een plan van jou hoeven we niet. Met die plannen van jou hebben we geen beste ervaring, opa. Ze klinken mooi, maar we krijgen er vreselijke jeuk van. Nietwaar jongens?’

‘Ja!’ schreeuwde het hele bierhuis. ‘Geen plannen maar daden! We gaan d'r op af! Naar het Witte-Torenpaleis, jongens! Kom op, we gaan onze centen terug eisen!’

‘Ho!’ riep de waard. ‘Hoho! Eerst betalen! En geen bierglazen stuk gooien! Alsjeblieft niet!’

De waardin was in de deur gaan staan, maar ze werd gewoon

[p. 107]origineel



illustratie

opzij geduwd door het volk dat naar buiten stormde, zonder betalen, de meesten met het glas nog in de hand om tegen de paleismuur te gaan gooien, want alle beetjes hielpen.

‘Wij willen ons zillever, wij willen ons zillever, wij willen ons zillever, ons zillever en goud!’ riepen ze, steeds harder en met ritme erin, ‘zil-le-ver!’ want dat riep zo lekker. Ze waren met

illustratie

z'n vijftigen en onderweg werden het er steeds meer. Ze kregen ook steeds meer moed, ze zouden de schildwachten gewoon omver gooien en de poort binnendringen voor hij werd gesloten, maar toen ze bij het Witte-Torenpaleis aankwamen met hun zil-le-ver, zil-le-ver, zat de poort potdicht en was er geen schildwacht te bekennen. Ze bonsden erop en riepen Doe Open! en nog harder Zil-le-ver en allerhardst Goud! Maar dat hielp niet. Ze bleven staan roepen en tieren, bozer en bozer, alle zilver en goud en doe-opens door elkaar, het werd geen canon maar het hielp wel een beetje, want daar verscheen, op het balcon, de koningin-grootmoeder. Wat dacht je, die had ze al lang zien aankomen door haar geheime verrekijker en de schildwachten binnengeroepen en de poort laten sluiten.

Daar stond ze nu, in een dure fluwelen cape, stram rechtop, met haar vingers vol ringen op de rand van de leuning, wachtend tot het plebs daar beneden zou bedaren.

Maar het plebs bedaarde niet. ‘Rotmens, rot-mens, rot-mens!’ werd er geroepen, en ‘Dief!’ en ‘Centen terug!’

De koningin-grootmoeder bleef onbewegelijk staan. Een tomaat suisde langs haar hoofd en sloeg te kledder tegen de muur achter haar. De koningin-grootmoeder knipperde niet eens met haar ogen. Een tweede tomaat trof de balconrand zodat de spetters uiteen vlogen, maar de koningin-grootmoeder bleef volstrekt onverstoorbaar, kaarsrecht en onoverwinnelijk.

O ja? Nu begon het pas goed: met stokken en stenen, met modder en deeg, met de glazen uit het bierhuis, sommige nog halfvol, met keukengerei, met vazen en snuisterijen werd de

[p. 108]origineel

oude koningin-grootmoeder bekogeld, maar ze bleef staan, onbewogen, onvervaard, onaantastbaar, niet te raken, zodat tenslotte iedereen ophield met gooien, met schreeuwen, met zich misdragen en een verlegen stilte overbleef. Toen sprak ze eindelijk.

‘Ja?’ zei ze. ‘Wat wil het volk?’

‘Het losgeld!’ werd er geroepen. ‘De beloning!’

‘Zo? En waarvoor dan wel?’

‘Voor de Rode Prinses!’

‘Die ge hebt teruggebracht?’ vroeg de koningin-grootmoeder.

‘Deze?’

Ze wenkte met haar hand en daar verscheen Deesje op het balcon, in een schitterende wijde mantel met sterren bezaaid, een gouden kroon op het hoofd en rood-behuilde ogen.

‘Jaaa!’ riep het volk. Het kon niet anders.

‘Juicht haar dan toe!’

Het volk juichte naar Deesje. Het moest wel.

‘Betoon jullie aanhankelijkheid!’

Het volk knielde.

‘En gehoorzaamheid!’

Het volk boog het hoofd.

‘Juist,’ sprak de koningin-grootmoeder. ‘Hare Koninklijke Hoogheid de Rode Prinses beveelt u zó te blijven zitten en niet te krabben terwijl Zij u toespreekt.’

Een morrend gemompel werd hoorbaar.



illustratie

[p. 109]origineel



illustratie

‘Stilte!’ riep de koningin-grootmoeder en nu begon, als een bang kind dat zijn lesje op moet zeggen, Deesje met een benepen stemmetje vanaf het koninklijk balcon: ‘Wij zijn verheugd weer in uw midden te verkeren en te zien dat u de uitgeloofde beloning niet alleen hebt aanvaard, maar ook in levenden lijve bij u draagt.’

Dat was te veel. Als één man sprong het volk overeind, het leek een gedrild leger, en drong vuistschuddend en huilend van woede nader. Maar het balcon was leeg, de deuren waren gesloten, de poort zat hermetisch, en van boven de hoogste toren van het paleis klonk een bulderend, dreigend kanonschot. De menigte week terug en verspreidde zich over de stad.

 

Deesje was niet meer tot bedaren te brengen. ‘Ik wil niet!’ schreeuwde ze. ‘Ik wil het niet, ik wil het niet!’ Ze rukte en trok aan haar dure prinsessekleren dat de naden ervan kraakten, maar het ijzergaren was te sterk en Deesje bleef prinses. ‘Ik wil naar huis!’ jammerde ze. Maar niemand luisterde, niemand deed wat ze zei; geen lakei ging op zijn kop staan als ze het beval, geen dienstertje haalde drop of pepermunt, en Laula en Paula waren strenger dan de strengste schooljuffrouw. ‘Ik ben het niet!’ gilde Deesje zo hard als ze kon door de gangen van het Witte-Torenpaleis. ‘Ik ben de Rode Prinses niet!’ Maar ook al herhaalde de echo niet niet niet, de hofdames bleven Hoogheid zeggen en besloten dat Hoogheid maar weer even naar bed moest, met de riemen om.

[p. 110]origineel

‘Het is jullie eigen schuld,’ zei opa Tannebaum in het bierhuis.

‘Met geweld bereik je niks.’

‘Nee!’ zeiden ze. ‘Met list wel! Dat hebben we gemerkt. We zitten in de klem. Die rooie meid heeft nu alles over ons te zeggen.’

Opa zweeg.

‘Het is die ouwe koningin-grootmoeder,’ zei Knoestige Berk.

‘Dat is een heks.’

 

‘Egbert!’ sprak de heks in het paleis tot haar zoon, de koning, ‘Egbert, het wordt tijd dat je de opperrechter ontbiedt.’

‘Ach mama.’

‘Je kunt die drie daar beneden niet eeuwig laten zitten. Ze moeten behoorlijk worden gevonnist en opgehangen.’

‘Ach mama.’

‘Vooruit Egbert. Wees een koning!’

 

Van beneden drong het gezang niet meer door. Het was nog maar éénstemmig, heel zacht en heel droef.

 
Mijn laatste blik
 
mijn laatste blik
 
door 't venstertje van touw
 
die gaat, hoop ik
 
die gaat, hoop ik
 
die gaat, hoop ik naar jou.

‘Smerige rot-rover!’ riep de wacht en hij beukte met zijn speer op de deur van de kerker. ‘Hou op met dat geblijm! Ze komt heus niet kijken hoor, als je hangt te bungelen.’

De rover zweeg. In de stilte hoorde je alleen nog het zachte gekraak van de beenderen waarop hij zat te wiegen en het gesnurk van de andere twee.

[p. 111]origineel

‘We moeten haar ontvoeren,’ zei Knoestige Den in het bierhuis.

‘Dat is het enige.’

‘Wéér een ontvoering?’

‘Waarom niet?’

‘En hoe wou je dat doen? Wachten op een rijtoer zeker!’

‘Nee, we moeten haar uit het paleis halen.’

‘Zo! En hoe wou je dat doen? Over de muur klimmen?’

‘Natuurlijk!’ riep een grapjas. ‘Jullie soldaten, je verkleedt je gewoon als klimop.’

‘Ja!’ riep Knoestige Den. ‘Lachen jullie maar. Intussen zit die meid maar mooi weer te spelen op een gouden troon en kunnen wij buigen voor alle fratsen die ze uit gaat halen.’

‘Hij heeft gelijk jongens, hij heeft gelijk. Onze mooie prinses moet uit de weg voor het te laat is. Maar hoe?’

De waardin stond snikkend glazen te spoelen. ‘Onze schuld,’ barstte ze uit. ‘We hadden er nooit aan moeten beginnen. Nooit nooit nooit.’ Bij elke nooit doopte ze het glas dat ze in haar hand had opnieuw in het water, spoel spoel spoel, het was al lang schoon, en opeens smeet ze het opa Tannebaum naar zijn kop. ‘Jouw schuld!’ schreeuwde ze erbij.

Opa Tannebaum zat met zijn been omhoog want het was weer gaan zeer doen. Het glas sloeg vlak naast hem aan scherven tegen de muur.

‘Nou mens,’ zei hij.

‘Jij met je idiote plan!’ schreeuwde de waardin. ‘Ik wil je hier ook niet meer zien ook! Ga maar ergens anders met je poot. En ik doen er geen koud water meer op ook niet!’

‘Nou nou,’ begonnen anderen sussend.

Opa krabbelde moeizaam overeind en hinkte met gebogen hoofd tussen de zwijgende mensen door naar buiten, terwijl de waard zijn vrouw naar de achterkamer loodste om haar te kalmeren.

Het bleef een tijdje stil onder de achterblijvers. Af en toe durfde

[p. 112]origineel

iemand een slokje uit zijn glas te nemen, en hier en daar mompelde iemand tja tja tja.

Toen zei Knoestige Eik: ‘Den heeft gelijk. We gaan met z'n allen gekoejeneerd worden door die prinses. We hebben haar zelf gemaakt, nu moeten we haar ook zelf weer afbreken.’

‘Goed, kom maar met een plan.’

‘Asjeblieft geen opa-list.’

‘Nee.’

‘Dat klimop-idee?’

‘Hou op met die flauwe kul!’

Maar niemand kon iets beters verzinnen.

 

De opperrechter was geheel in het zwart, vol plooitjes op de plekken waar hij moest kunnen buigen, zodat zijn ellebogen en knieën eruit zagen als een ouderwetse kachelpijp. De koning ontving hem in de werkkamer van het paleis.

‘Dat tuig,’ zei hij. ‘Hang dat maar op.’

De opperrechter begreep het niet. ‘Uwe Majesteit bedoelt?’

‘Dat tuig,’ herhaalde de koning. ‘Die kerels die Ons dochtertje...’ Hij kwam niet verder. De rechter begreep het nu wel. ‘Helaas Majesteit, dat gaat zo maar niet.’

‘Natuurlijk wel,’ zei de koning. ‘Met een touw. En een balk. En zo.’

‘Ik bedoel, Majesteit,’ begon de opperrechter voorzichtig, ‘ik bedoel, er moet toch eerst worden rechtgesproken. Bovendien, of ontvoering alléén voldoende reden is om de daders op te ha-’

‘Maar mijn got, man!’ onderbrak de koning met verstikte stem. ‘Ze hebben haar toch omgebracht? Dat is nu toch wel zeker? Hoe lang geleden is het al dat -’ De koning stopte. Hij zag de opperrechter met grote uitpuilende ogen naar hem staren. Hij raakte in verwarring. ‘Mijn got...’ bracht hij opnieuw uit, met raspende keel.

‘U...neemt mij niet kwalijk, Majesteit,’ begon de opperrechter

[p. 113]origineel

nu nog voorzichtiger, ‘...ik...wij allen hebben toch begrepen dat Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses weer veilig...’

‘Ja ja,’ zei de koning. ‘Ja ja, Wij waren even... hang ze dan maar niet op.’

Nu ging de rechter zitten. Het kraakte in zijn pijpen. ‘Ik stel voor, Majesteit, dat wij allereerst beginnen met de verdachten te verhoren. Kan dat?’

‘Verhoren? O ja ja, goed goed. Meteen dan maar. Hoe eerder alles achter de rug is, hoe liever. Wij willen ze niet langer in huis hebben.’ Hij schelde ting-ling-ling, ongeduldig, en beval het luitenantje, dat kwiek op zijn glimmende laarsjes verscheen, om de drie gevangenen uit de kerker te halen en hier te brengen. ‘Hier?’ ontviel het stomverbaasde haantje.

‘Ja hier!’ bulderde de koning die nooit bulderde. ‘Hier op het tapijt! Alle drie! Mars!’

Het hakkengeklap bleef zelfs nog buiten op de gang doorgaan, en de arm salueerde nog halverwege de wenteltrap.

 

Holz, Bolz en Schwanzenstolz stonken zo verschrikkelijk dat de koning bijna omviel toen ze werden binnengebracht. Hun voetstappen op het tapijt lieten een spoor van stro en smerigheid achter; de kettingen om hun polsen en hals knersten van de roest en hun neus hadden ze al maanden niet meer kunnen snuiten.

Dit kunnen Wij niet aanzien, dacht de koning, en hij draaide zich om, maar het gesnuif en gekners bleef hij horen.

‘Jullie worden ervan verdacht,’ begon de opperrechter zoals het behoorde, ‘Hare Koninklijke Hoogheid de Rode Prinses van haar vrijheid te hebben beroofd en tegen haar zin te hebben weggevoerd.’

De drie rovers zwegen.

‘Krijg ik geen antwoord?’ vroeg de rechter. ‘Geven jullie het niet toe?’

[p. 114]origineel

Geen antwoord.

De koning had zich weer omgedraaid. ‘In godsnaam,’ zei hij. ‘Geef die kerels wat soep.’

‘Moet dat?’ vroeg de opperrechter. Hij kraakte weer in zijn bochten. ‘Nu ja, als Uwe Majesteit het beveelt, dan maar soep. Als dan tegelijk Hare Koninklijke Hoogheid zou kunnen komen om de verdachten te herkennen en als de schuldigen aan te wijzen, dan hebben we bewijs en kunnen we voort.’

Nu schrok de koning en vroeg: ‘Moet dat?’

‘Ja Majesteit, wij mogen het recht geen geweld aandoen. Ook al is het een formaliteit. Het hoeft maar een kort ogenblikje.’

De lakeien brachten een tafel met een oud kleed erover, drie stoelen, drie borden, drie lepels en een dampende terrine.

Toen het jonge luitenantje de komst van Hare Koninklijke Hoogheid aankondigde, zaten Holz, Bolz en Schwanzenstolz al slurpend te smakken. Bij elke hap die ze namen knersten hun kettingen, maar al gauw hadden Holz en Bolz hun lepels weggesmeten en bukkend hun luizekoppen rechtstreeks aan het bord gezet. Dat klonk nog verschrikkelijker omdat nu de ijzeren halsbanden hun keelgat vernauwden. Alleen Schwanzenstolz bleef van zijn lepel eten, iedere hap met moeizaam geknerp naar zijn mond brengend.

‘Ah, Koninklijke Hoogheid!’ De opperrechter stapte haar bui-

illustratie

[p. 115]origineel

gend tegemoet. ‘Eén blik van U zal voldoende zijn om in hen Uw ontvoerders te herkennen, neem ik aan?’

Deesje keek. Deesje gilde. Deesje holde weg, struikelend over haar veel te mooie, veel te lange, veel te koninklijke japon.

‘Te begrijpen,’ sprak de rechter. ‘Te begrijpen. De schok der herkenning. Beter bewijs is niet denkbaar.’

De koning had zich weer afgewend. ‘Hang ze dan maar op,’ zei hij. ‘Meteen.’

 

Zodra het nieuws bekend werd dat de drie ontvoerders in het openbaar zouden worden opgehangen, met groot ceremonieel en in aanwezigheid van de koning, de koningin, de koningingrootmoeder en de Rode Prinses, ging er in het bierhuis een gejuich op.

‘Dat wordt een rijtoer!’ riep men. ‘Een rijtoer. Kunnen wij haar ontvoeren!’

‘O ja?’ Er was er maar één die dat vroeg. Hij keek de kring bierdrinkers rond als een strenge schoolmeester die de klas ondervraagt. ‘Wie,’ zo vroeg hij verder, ‘wie durft wat die kerels durfden? Die hele koets pakken? De twaalf paarden mennen? Ik ken er geen hier die zulk vakwerk levert.’

‘O, daar heb je hem weer met zijn vakwerk,’ zei iemand.

‘Maar hij heeft wel gelijk,’ riepen anderen.

Het bleef even stil.

‘Dan grijpen we d'r bij d'r kladden als ze op de tribune zit. Terwijl ze die kerels laten bungelen.’

‘Da's een beter idee. Maar hoe?’

‘Nou...gewoon...’

‘Je komt daar niet bij, man! Dat is helemaal afgezet.’

‘Verstoppen we ons daar de avond tevoren.’

‘Ja, mooi idee. Op dat plein. Waar wil je je achter verstoppen? Achter een straatsteen?’

‘Er staan toch bomen?’

[p. 116]origineel

‘Bomen? Die drie miezerige staakjes? Bedoel je die?’

Heel iemand anders zei: ‘Bomen...’ En keek naar de twaalf soldaten.

Eerst drong het niet tot ze door. Maar ineens sprong Knoestige Berk op. ‘Nee!’ riep hij. ‘Nee Nee. We doen het niet!’

Maar het idee was geboren, en het hele bierhuis drong er bij hen op aan, met klem, met argumenten, met - nu ja, de kleermaker werd eenvoudig besteld. Hij had de maten nog.

 

De dag voor de terechtstelling werden de drie galgen opgericht. Het zag er akelig uit; de hamerslagen waarmee het schavot werd getimmerd klonken hol en met vreemd wisselend ritme, als van trommelslagers die de dood opriepen.

Een aparte verhoging werd gemaakt, met een mooi tapijt erop en vier vergulde stoelen, voor de Koninklijke toeschouwers. En voor het plebs werd een apart gedeelte van het plein afgezet met touwen.

De maan bescheen alles in de nacht en maakte van de drie galgen blauw-zwarte schaduwen op de grond, het leken drie ellen: Liever Lang Leven, en er waren geen ondeugende jongetjes die er iets anders in lazen.

Maar in het holst van de nacht kreeg de maan nog meer schaduwen te maken: twaalf knoestige bomen schuifelden zuchtend en steunend het plein op en formeerden zich rond de verhoging. Ze spreidden hun takken als een afdak boven de deftige stoelen, en stonden roerloos.

Iemand met heel goede oren had af en toe een gefluister kunnen horen tussen hun takken, hoewel er geen wind was. Gefluister als: ‘Zodra die kalere-meid zit grijp je d'r in d'r kladden,’ en ‘Bek houden!’

Het duurde uren voor de zon opkwam.

[p. 117]origineel



illustratie

prepostterug  begin  verder