terug  begin  verderprepost
[p. 118]origineel

Hoofdstuk Negen

Het hele volk liep te hoop, want niemand had ooit een ophanging gezien. Het zag zwart van de mensen op straat: ze zongen en zwaaiden met vlaggen, ze riepen hoera en rekten hun halzen maar er kwam nog niks aan.

Ja toch, wèl! Tetteretè! Er klonk trompetgeschal. Daar kwamen de herauten, dertien stuks op dertien zwarte paarden, en de grote trom erachter, die voelde je in je buik. Je hoorde het nog lang terwijl de rest van de stoet voorbij trok: dertien rijtuigen vol saaie mannen, dertien vol deftige dames met handschoenen tot de elleboog, dertien soldaten en dertien matrozen, dertien jongens van dertien en dertien meisjes van dertien, en eindelijk de koetsen. Eerst de witte met de koningin-grootmoeder, stram rechtop, toen de gouden met de koning en de koningin, toen de rode (weer helemaal keurig opgekalefaterd) met prinses Deesje, maar het volk rekte zich bijna het hoofd van de hals om achter de rode koets te zien, want daar kwam, eindelijk eindelijk, de platte kar met de misdadigers.

‘Hou je spuug klaar, jongens!’ riep er een. ‘Daar gaat ie: gaktuf!’

Holz en Bolz stonden rechtop, met gebonden handen, en spuugden terug. Schwanzenstolz hield zijn hoofd gebogen en keek niet. Hij wankelde bij elke bocht, terwijl Holz en Bolz zich schrap hielden.

Toen de herauten als eersten op het plein kwamen en ophielden met hun getetter, stootten ze elkaar aan - met de knieën omdat ze te paard zaten - en fluisterden: ‘Hoe komen daar nou ineens die bomen te staan?’

‘Weet ik het?’

‘Zeker geplant voor de sier.’

Het volk achter de touwen had zich ook erover verbaasd.

[p. 119]origineel

‘Komen rechtstreeks uit de paleistuin,’ wist iemand. ‘Vannacht nog gepoot.’

‘Jaja. Heb jij zelf gezien zeker?’

‘Met m'n eigen ogen. 't Is een heel bijzonder soort boom.’

‘Hou je eigen kat voor de gek, man. 't Is pulp.’

De saaie mannen en de handschoen-dames die nu uit de rijtuigen stapten, gingen alleen maar op hun speciale tribune zitten en merkten niets. De koning, de koningin en de koningingrootmoeder kwamen nooit op het plein en gingen onder de bomen zitten alsof die er altijd hadden gestaan. Deesje in haar Rode-Prinsessejapon durfde helemaal niet eens meer verbaasd te kijken.

De platte kar met de rovers reed het plein op; het volk begon te joelen en gemene woorden te roepen. Holz en Bolz riepen nog gemenere terug maar die gingen verloren in het algemene getier. Je zag de koningin-grootmoeder haar handen tegen de oren drukken.

De waard en de waardin stonden vooraan, doodsbleek van spanning.

‘Ze bewegen!’ siste de waardin. ‘Ze staan veel te veel te bewegen. En d'r is geen wind.’

De waard zei: ‘Ach mens.’

De rovers werden naar het schavot geleid en voor de drie klaarhangende stroppen neergezet. Holz en Bolz werden onrustig; ze rukten aan hun boeien, ze bokten, ze hijgden, ze moesten elk door drie man worden vastgehouden want ze wilden niet dood. Schwanzenstolz stond kalm rechtop en keek voor het laatst naar het blauw van de lucht, naar een wolk, naar een spreeuw, naar een pannedak, naar een verveloos raam, naar een paar fladderende mussen, naar de witte pruik van de opperrechter, naar een waslijn, naar de schaduw van een wapperende vlag, naar een hondje, naar een kind dat onder de touwen doorkroop om nòg meer vooraan te komen, naar een kopschud-

[p. 120]origineel

dend paard, naar het lelijke smoelwerk van de voorste heraut, naar de hele menigte, naar het glanzen van de zon in de zilveren trompetten - wat zou ik het laatste zien? dacht hij. Wat zal het aller-allerlaatste zijn...?

De stroppen werden nu om de nekken van de drie veroordeelden gelegd.

 

Knoestige Den, Knoestige Berk, Knoestige Eik, Knoestige Kastanje, Knoestige Wilg en de zeven andere Knoestigen stonden te trillen en lieten alvast heel voorzichtig, heel langzaam, heel onmerkbaar hun takken iets omlaag gaan, in de richting van Rode Deesje die als verstijfd op haar koninklijke stoel zat. Bijna prikten dennenaalden in haar hals. Het vreselijke ogenblik was vlakbij.



illustratie

[p. 121]origineel

Die trompet, dacht Schwanzenstolz. Die trompet moet maar het laatste zijn. Maar zijn ogen dwaalden toch weer verder, even langs de beul die zijn rode kap opzette om aan het touw te gaan trekken, toen naar een wolk, naar een schoorsteen, naar de menigte, naar een meisje daartussen, naar dat meisje bleef hij kijken, dat moest het laatste zijn, dat mooie, jonge, lieve gezichtje dat hem ook leek aan te kijken en dat dichterbij leek te komen, steeds dichterbij, hij zag het duidelijk, ze drong zich naar voren, ze had tranen in haar ogen en hij hoorde haar ineens schreeuwen: ‘Niet hem! Niet hem! Hij heeft Ons geen kwaad gedaan! Hij was lief!’ En vóór iemand het meisje kon tegenhouden was ze op het schavot geklommen, had haar beide armen om Schwanzenstolz geslagen en drukte haar behuilde gezicht tegen zijn borst. ‘Niet! Niet! Niet!’ snikte ze, en de beul die er

[p. 122]origineel

bij stond als een stom schaap dat niet begrijpt wat er gebeurt, zag hoe ze de strop van zijn hals trok, zag hoe de rover voor haar neerknielde en hoorde hem ‘Koninklijke Hoogheid’ stamelen. Maar nu begon het volk te gillen: ‘De Rode Prinses! De Rode Prinses!’ en de koning en de koningin die verschrikt opzij keken, zagen Deesje bungelen aan de takken van de Knoestige Denneboom achter haar stoel.

Voor de koningin was het teveel. Zij viel in zwijm, als een hoopje kleren over een stoel. De koning werd paars van woede, maar de koningin-grootmoeder legde haar hand op zijn arm en zei: ‘Nee Egbert, het plebs bedoelt niet haar maar haar.’ Ze wees op het schavot waar Schwanzenstolz zich half omdraaide, de koning recht aankeek, en op het meisje wijzend zei: ‘Dit is uw dochter, de Rode Prinses.’

Op dat ogenblik drong opnieuw een meisje met rood haar uit de menigte naar voren, roepend en schreeuwend: ‘Laat los! Laat los! Dat is m'n zus! Dat is Deesje!’ Ze holde naar de Knoestige Denneboom en begon woedend tegen de stam te duwen, waarop de hele boom met bungelende Deesje en al omviel, tegen Knoestige Eik die ook omviel, tegen Knoestige Berk, tegen Knoestige Kastanje, tegen Knoestige Wilg, allemaal vielen ze om, alle twaalf, vloekend en scheldend en stomme ezel schreeuwend en jouw schuld! Het was een wirwar van takken en armen en bladeren en benen en textiel en soldaten en Geesje en Deesje. Maar op het schavot stond ze nu rechtop, fier en koninklijk, met haar rode haren glanzend in het zonlicht: de Rode Prinses. Het hele volk zag haar. Voor het eerst en voor altijd.

prepostterug  begin  verder