terug  begin  prepost
[p. 123]origineel

Hoofdstuk Tien

Alles was weer bij het oude: Deesje en Geesje bij moeder thuis, de twaalf soldaten terug bij hun makkers onder de generaal, de discuswerper en de danseres en de rest van het goud en zilver terugverdeeld onder het volk, de waard en de waardin in het bierhuis, opa Tannebaum ook, auwauw schreeuwend van het koude water over zijn zere been, de rovers in de gevangenis om opnieuw te worden berecht, de koning in zijn werkkamer, de koningin in bed, het jonge luitenantje rondstappend voor de sier en de Rode Prinses op haar stoeltje voor de dames Laula en Paula om verder te leren rekenen en schrijven en waar de hoofdstad lag. Die lag nog steeds hier, de aanwijsstok tikte op de grond, er was niets veranderd. En daarbuiten (de stok wees nu uit het raam) daarbuiten lag nog steeds de Rest van de Wereld.

En plotseling was alles veranderd. De Rode Prinses barstte in schaterlachen uit, zo verschrikkelijk hard en onstuitbaar dat de dames Laula en Paula wel tien keer achter elkaar: ‘Foei, toch, Koninklijke Hoogheid!’ riepen en toen dat niet hielp in paniek de gang op renden waar ze tien keer achter elkaar ‘Help, help, een arts!’ riepen.

Het gaf een hele commotie - iedereen schoot toe maar niemand kon de Rode Prinses tot bedaren brengen. Bij elke nieuwe lakei of hofdame of generaal of minister of dokter of verpleegster gierde ze het uit, wijzend op de uniformen, de goudstiksels, de zwabberkwastjes, de gespen, de tressen, en de glimlaarsjes van het luitenantje deden haar bijna stikken. ‘Ohoho!’ gierde ze. ‘Wat een kak!’

Iedereen week ontsteld terug. Hare Koninklijke Hoogheid was toch ernstiger geschaad dan men aanvankelijk had aangenomen.

[p. 124]origineel

‘Kak!’ riep de Rode Prinses opnieuw.

Het jonge luitenantje werd vuurrood en gluurde naar beneden, een voor een zijn voeten optillend om te zien of hij ergens in had getrapt, maar dat kon helemaal niet, hij was niet eens de straat op geweest. Dat wekte een nieuwe lachbui bij de Rode Prinses op - maar meteen stopte ze. In de deuropening stond de koningin-grootmoeder, oud, rimpelig en rechtop. Ze wenkte met haar vinger. De Rode Prinses kwam overeind.

‘Kom.’ sprak de koningin-grootmoeder.

De Rode Prinses volgde haar.

 

De Rode Prinses volgde haar grootmoeder voetje voor voetje de hele torentrap op naar de hoogste kamer van het paleis waar de geheime verrekijker stond.

‘Zie,’ sprak de oude koningin-grootmoeder, ‘die is voor jou. Je kunt er de gehele Rest van de Wereld mee zien.’

De Rode Prinses kneep één oog dicht en gluurde met het andere door de kijker. Ze zag het danscafé, ze zag het dolhuis en het dorp van de dominee met dikke Ans, ze zag het huis waar de bruiloft van Jacob en Sientje was gevierd en waar Jan de knecht het paard stond te poetsen, ze zag de boerderij met de man die een melkmeisje nodig had, en de laatste boerderij met de zes kinderen. Ze trok de verrekijker op zijn allerlangst voor de wildernis daarachter en ze zag de Verschrikkelijke Umberto op zoek naar blaadjes kervel en tenslotte het eenzaamste huis van de wereld waar de rovers hadden gewoond.

‘Wat heb ik een omweg gemaakt,’ zei de Rode Prinses.

‘WE,’ zei de oude grootmoeder.

‘WE,’ herhaalde de Rode Prinses. ‘We willen hier niet blijven,’ zei ze toen.

‘We moeten,’ antwoordde de oude grootmoeder.

‘Waarom?’

‘Omdat We zijn wie We zijn.’

[p. 125]origineel

‘We willen niet zijn wie We zijn.’

‘We kunnen Ons niet veranderen.’

‘Wel!’

‘Niet!’

‘Wel!’

Ze stonden allebei te stampvoeten. Maar ineens begon de oude koningin-grootmoeder te lachen. Ze wees op de verrekijker; ‘Als je die goed gebruikt,’ zei ze, ‘dan word je net zo'n goede koningin als Wij waren.’

‘Wij worden geen koningin!’ riep de Rode Prinses.

‘O nee? Wat dan wel? Rover?’

Toen schreeuwde de Rode Prinses allerhardst ‘Jaaa!’ en het galmde de trappen af naar beneden.

 

Diezelfde nacht is de Rode Prinses met een walmende kaars de wenteltrap naar de diepste kerker afgedaald en zei aan de wachtsoldaat dat ze de gevangenen wenste te zien.

‘Maar Hoogheid...’

‘Wij bevelen u de deur te openen,’ sprak ze. ‘Onmiddellijk!’

‘Maar Koninklijke Hoogheid, mijn orders luiden dat...’

‘Dan krijgt u nu tegenorders! Open de deur!’

‘Maar Allerhoogste Koninlijke Hoog -’

De Rode Prinses stampvoette alweer. ‘Gehoorzaam!’ riep ze en haar ogen stonden onverbiddelijker dan ooit de ogen van haar grootmoeder.

De grendels knarsten.

De Rode Prinses ging de kerker binnen. Ze sprak geen woord. Ze knielde in het smerige stro en maakte de boeien van Holz, de boeien van Bolz en de boeien van Schwanzenstolz los. ‘Volg Ons,’ sprak ze.

De wachtsoldaat keek met uitpuilende ogen naar het groepje dat langzaam de stenen treden beklom. Hij durfde niets meer te zeggen.

[p. 126]origineel



illustratie

Boven gekomen leidde de Rode Prinses de rovers naar de keuken, vandaar naar de bijkeuken, vandaar naar de achterbijkeuken waar de allerachterste achterdeur van het Witte-Torenpaleis met drie sloten dicht zat. Maar ze had de drie sleutels en ze opende de deur.

‘Gaan Wij,’ sprak ze.

Holz en Bolz drongen zich naar buiten, maar Schwanzenstolz bleef staan. ‘Wij?’ vroeg hij.

De Rode Prinses staarde hem aan. ‘Ja,’ sprak ze. ‘Wij.’

‘Maar Hoogheid...’ Ze rook zijn adem, maar hij stonk uit zijn kleren.

‘Wij wensen rover te worden,’ sprak ze. ‘Met u. Neem Ons mee.’

[p. 127]origineel

Schwanzenstolz keek haar aan. Toen stak hij langzaam zijn armen uit en omhelsde de Rode Prinses. Zijn wangen raspten tegen de hare en zijn jas vol rattebeten haakte in haar japon. Maar in haar oor fluisterde hij: ‘Hoogheid, Hoogheid, dat kan niet.’

Ze wilde zich losrukken en ‘waarom niet’ schreeuwen, maar hij hield haar vast en fluisterde: ‘Rovers zeggen geen WIJ, Hoogheid. Dat zeggen alleen koninginnen. Echte.’

Toen kuste hij haar verschrikkelijk teder, duwde haar zachtjes terug en verdween in de nacht.

De Rode Prinses heeft hem lang nagestaard, veel langer dan haar ogen bij het flakkerende kaarslicht konden zien. Toen sloot ze de deur, draaide de drie sleutels om en werd koningin.

prepostterug  begin