Refereyn.
MI wondert / hoe tvolc dus abuseren / mach
En hoe alle quaet / dus regneren / mach
De menschen en leven / niet so si souwen
In lieften in trouwen
Kercke
n
en clusen / diemen voortijts fondere
n
/ sach
[p. 60]
origineel
Werden nu onteert so elc speculeren mach
Tvolc soect nieu wegen / en laten den ouwen
Beyde mans en vrouwen
Hoe mach devotie / aldus vercouwen
Certeyn ic sou houwen / het doeget verleyden
Der valscher propheten / die dit spel al brouwen
Elc wilse scouwen / rasch sonder beyden
+
Hout u aen dat douders hier voortijts seyden
Acht niet haer vleyden / trect niet een lijne
+
Wilt uut middel / van Babylonien scheyden
Oft ghi sullet bescreyden / ten lesten fijne
Die bi serpenten gaet crijcht vanden venijne
Een serpent sal altijt sinen aert baren
+
En met sinen venijne ongespaert / naren
Alle de ghene diet sal gheraken
[p. 61]
origineel
Venijn moeten smaken
+
Dus die bi quaet geselscap onvervaert paren
Al waert datse in duechden so vermaert / waren
+
Si sullen ooc argeren / haer duecht sal laken
Hier om wilt waken
Quaet geselscap is arch als gespuys van drake
n
Om dese saken / liet Abraham dat sondich cot
+
Van Caldeen / daerse god / den heere verstaken
Afgoden gingen maken / en hebben god bespot
+
Die met dwasen wilt verkeere
n
/ dye wert ooc sot
Gelijc een cleet vermot / bederft de heel scrijne
En gelijc een ontsteken let / dander verrot
So seggic int slot / en blive bi dmijne
Die bi serpenten gaet crijcht vanden venijne
Petrus die int geloove sterc als een mast / was
+
[p. 62]
origineel
Viel bi quaet geselscap hi die so vast was
+
Wat wildi u dan op u stercheyt verlaten
Arme crancke vaten
Peinst hi die op Jesum / so wel gepast / was
Heeft hem verloochent / doe
n
hi inden last / was
Al sidi int geloove / sterc boven maten
Ten sal u niet baten
Ghi moet alle dwalende geselscap haten
+
Die op ketters tractaten / haer tanden wetten
Scoutse als verbannen / verdoempt / verwaten
+
Op wegen op straten / die duecht beletten
Wijfs connen nu geleerde mans omsetten
Als sviants netten / met devoten scijne
Vliedt de ketters / in maeltijde
n
en in bancketten
Al mocht dlichae
m
vetten / twert der sielen pijne
Die bi serpenten gaet / crijcht vanden venijne
+
[p. 63]
origineel
Ooc wert ee
n
me
n
sce vande
n
me
n
sce
n
geeert / vry
Metten genen daer hi dagelics verkeert / by
En geen dinc ter werelt en is so lofsame
Als goeden name
+
Hoort Joanne
m
spreken u wijsheyt vermeert / ghy
Wilt de ketters niet groete
n
d
us
scrijft hi d
us
leert hi
+
Op dat haer quaetheyt u ooc niet en prame
Oft en beschame
Sorcht meest voor u siele ooc voor u lichame
Hi verliest goey fame / die den quade
n
behaecht
Maer den quaden meslieven / is gode bequame
Tes der sielen vrame / dus niet en claecht
Al beclappe
n
u quaey to
n
ge
n
/ daer na n
iet
en vraecht
Dat vrolijc verdraecht / wa
n
t god troost de sine
Scout quaey me
n
sce
n
of ghi werter m
et
geplaecht
Weer weduwe oft maecht / monic oft bagijne
[p. 64]
origineel
Die bi serpenten gaet / crijcht vanden venijne
Prinche
Prince die van my / hertelijc / bemint / sijt
Ic bidde u / dat ghi voort wijs ghesint sijt
+
En laet u goede fame dus niet bevlecken
Maer wilt ontdecken
8
Dat ghi der kercken / onderdanich kint sijt
Ic scrive tot u / als die mijn vrient sijt
Op dat ick u tot vroomhede
n
mochte verwecken
Vanden quaden trecken
Die de scriftuere connen lueren en recken
Haer valsce becken / al de werelt becraeyen
Raect den teerpot niet / oft ghi sult u bepecken
+
U siele beplecken / dus soude ic u raeyen
Te scouwen dye valsce / leeringhe saeyen
+
[p. 65]
origineel
Want venijn si spraeyen / in scijn van wijne
+
Tsijn menscen die met allen winden waeyen
Haren naet si naeyen / met dobbelen twine
Di bi serpenten gaet / crijcht vanden venijne
+
Roma xvi
+
Hiere ii
+
Mat iii
+
Prover i
+
Psal xvii
+
Ozee xii
+
Pover xiii
+
Mat xvi
+
Joan xix
+
Titum iii
+
ii Joan i
+
i Corin v
+
Prover xxii
+
Episto ii
+
Eccle xli
8
Verbeterd uit
ontdetken
.
+
Eccle xiii
+
Hebr xiii
+
Ephe iiii