Refereyn.
WAt vi
n
tme
n
hee
n
sdaechs / al sduvels kindere
n
Clappaerts en clappeye
n
/ die elcke
n
hi
n
dere
n
+
Sien si yemant eens / onnoselic vallen
Seer selden sullen si tquaet verminderen
Maer wat bi hangen / als logen vinderen
Wiens valsce tongen sijn vol rigallen
Dese en sullen in gods rijcke / niet stallen
Maer rollen als ballen
+
Inde helsche wallen
+
Biden bosen viant / haren radere
Onder tvolc en is geen / liefte met allen
[p. 66]
origineel
Si clappen si callen
Si ghecken si mallen
Sulck acht sinen broedere / een groot misdadere
En selver is hi dusent mael quadere
Wi dolen al gadere ooc niemant so reen
+
Hier om segge ic uut minlijcker adere
Die sonder sonde is werp den eersten steen
+
Tvolc clapt nu / dat hem de tanden clateren
Si berechten paus / bisscop / abten / pateren
Si en willen voor niemant bugen den nec
Valt yemant van desen / si lachen si schateren
Papen / muncken / susters / en materen
Sijn tsamen so si seggen / luy / gierich / en vrec
En steken selve / tot den ooren inden drec
Haren sondighen treck
[p. 67]
origineel
Hangt de siele opt reck
Aen achterclappers wilt / gods ordeel vreesen
Stopt uus selfs scuyte / want voorwaer si es lec
En houdt uwen beck
Merct uus selfs ghebreck
Ghi vangt donnosele / inden slach als meesen
Men siet u darme weduwen en weesen
Plucken en teesen / uwen ja es neen
Waer om wildi nu ander lien gebreke
n
cleesen
Die sonder sonde is werp den eersten steen
O christen menschen / hoe sidi verkeert
+
Dat ghy broeders malca
n
dere
n
/ niet anders en eert
Ghi bint u siele / met swaren banden
Den thore
n
gods / wert dagelicx op u vermeert
+
Weet ghi niet / wat sinte Pauwels ons leert
+
[p. 68]
origineel
Dat achterclappers / sijn gods vianden
Hoe derft ghi tot gode / op heffen u handen
+
Met bloedighen tanden
Subtijle verstanden
Wilt den oppersten heere / sijn oordelen laten
Oft ghi moet hier na / tot uwer scanden
+
Eewelijck branden
+
Dus in wat landen
Ghi yemant siet vallen / tsi van wat staten
Peynst hi nu / ic morgen / wi sijn crancke vaten
Wilt niemant verwaten / hi si groot oft cleen
Want sidi heeren oft ondersaten
+
Die sonder sonde is werp den eersten steen
+
Sulc weerlijc seyt dat geestelijcke dolen
En tsijn de vuylste kinder vander scholen
[p. 69]
origineel
Die den lien thare ontdraghen en ontrumen
Theet banckeroete in Duytsce ghestolen
Si lueren si sueren si lappen si solen
Dese willent al doen draeyen op haer dumen
En haer eygen salicheit si versumen
Si brassen si slumen
Op saechte plumen
Si dobbelen si tuysscen si spelen si mommen
Si lesen al omme na de schoonste prumen
Tvet si afschumen
Hem steken de crumen
Recht oftse inde vloet van welluste swommen
Si herpen si luten si pijpen si bommen
Het recht si crommen / elc knage dit been
Dolen papen en muncke
n
met grooten sommen
Die sonder sonde is werp den eerste
n
steen
+
[p. 70]
origineel
Haet en nijt domineert / en liefte is doot
+
Elc siet op eenen anderen / dit is den noot
+
Waer duere de weerelt / nu is vol plagen
Een yegelic moest beteren / sijn eygen hoot
En houden seer neerstelijc / dat god geboot
Ons broeders gebrec / soude
n
wi lichtelijc dragen
Waert dat wi elc / ons selven besagen
+
Wi souden met vlagen
+
Suchten en claghen
Want al staen wi nu vast / morgen messcien
Sullen wi vallen / en die ghisteren laghen
Sullen god behaghen
In corten daghen
Dus keert alle dinc te
n
beste
n
wilt achterclap vlye
n
Siet ghi geestelijcke dolen / peynst tsijn oock lien
Uus selfs hof wilt wien / oft u naect gheween
[p. 71]
origineel
Hoordi yema
n
t quaet spreken / segt swiget va
n
dye
n
Die sonder sonde is werpt den eersten steen
+
Prinche.
Niemant en derf den anderen / yet verwiten
Want wi ons al tsamen qualijc quijten
Wie eest die sijn siele / met duechden voedt
En die haer leven / in gods dienst versliten
Heeten wercheyligen / en ypocriten
Ja rasende menscen / sinneloos verwoet
Men oordeelt nu quaet / dat eens hiet goet
Edel christen bloet
Waerdy wel vroet
Ghi sout malcanderen / met lieften aencleven
Wi hebben een hooft Christu
m
/ vol alder ootmoet
Die ons allen behoet
+
[p. 72]
origineel
Wiens ontfermeghe vloet
Ons liggende dicwils / heeft op geheven
Dus laet ons malca
n
deren de hant ooc geven
+
Eendrachtelijc leven / als broeders in een
+
Want so ons Johannes / heeft bescreven
Die sonder sonde is werp den eersten steen
+
+
Johan viii
+
Apoca xxi
+
et
xxii
+
Esaie liii
+
Joan viii
+
i Petri ii
+
Roma ii
+
Roma i
+
Esaie i
+
Mat vii
+
i Corin iiii
+
Mat xviii
+
Joan viii
+
Joan viii
+
Esaie lix
+
Mathei vii
+
Gala vi
+
i Corin x
+
Joan viii
+
Ephe i
+
Gala vi
+
Psal cxxxii
+
Joan viii