[p. 32]
[Refereyn.]
O God des hemels en der eerden regeerdere
+
Geen macht en mach men by u macht ghelijcken
Alle macht is van u / als triumpheerdere
+
Moeten alle / machtighe voor u wijcken
+
Ghy verandert de tijden / ghy verset de rijcken
+
Van deen volck ten anderen / naer uwen wille
U macht de Lucifer door thooveerdich prijcken
+
Uuten hemel vallen inde helsche kille
+
Sy dede Adam oock smaken een bitter pille
Doen hy tegen u macht te doene poochde
+
U macht bleeck oock openbaer en stille
Doen dwater alle berghen verhoochde
+
Door tvolcx quaetheyt die ghy niet en gedoochde
+
Maer vermeidet al sonder Noe en de zijne
Den hooveerdigen Ne
m
roth ghy u macht ooc toochde
+
Die teghen u macht stack / hy verloos zijn pijne
U macht bracht dwerck van Babel ten fine
+
Dus seg ick tblijckt uut scriftueren openbaer
Gods macht valt alle machteghe te swaer.
+
Gods macht Sodomam Gomorram dede tondere
+
Loths wijf omsiende gelijck donvroede
Wert eenen soutsteen / Gods macht dede wondere
Int velt daer Moyses de schapen hoede
+
Hy sach den doren bosch / vierich in gloede
Branden / en nochtans blyven onverbrant
Gods macht wracht oock door Moyses roede
Daer hy hem mede tot Pharaonem sant
Tvolc van Egypten dees macht ondervant
+
Als God zijn plagen over hem vermeerde
Hy verloste Israel / met machtigher hant
Doense Pharaonis macht / tyranlijck begeerde
Want Pharao Gods macht niet vreesen en leerde
Maer teghen Gods macht / hem sette ter weere
Gods macht rechtveerdelijck hen verkeerde
Dat hy Israel volchde / met zijnen heere
+
Maer teghen Gods macht / en helpt schilt noch spere
Tbleeck wel aen Pharao / en de zijne voorwaer
Gods macht valt alle machtige te swaer.
[p. 33]
Gods macht leyde Israel met droogen voeten
+
Door de Roy zee / en Pharao moest versincken
Gods macht dede dwater van Marath versoeten
+
Door thout / dat lievelijck wert om drincken
+
Gods macht liet een claer wolcke blincken
Daer hy Israel snachs den wech door wijsde
Gods macht liet donderen en basuynen clincken
+
Opten berch van Sinai so dat elck prijsde
Sijn goddelijcke macht / en daer voor afgrijsde
Dat dalder sterckste van vreesen beefden
Gods macht dede oock / dat Manna rijsde
+
Uuter locht / daerse veertich jaer by leefden
+
Als Thore Nathan en Abiron sneefden
+
Tegen god en Moysen met rebellatien
Gods macht dede hen / en al die hen aencleefden
Ter hellen sincken / in corter spacien
Als tvolck daerom maeckte / veel murmuratien
Sterffer meer dan veerthien duyst tbleeck aldaer
Gods macht valt alle machtige te swaer.
Gods macht dede de mueren van Jerico splijten
+
Alsmer Darcke omdroech / sonder stormen oft schieten
Door gods macht Gedeon de Madjaniten
+
Met luttel volcx verwan / al mocht hen verdrieten
Gods macht dede oock / claer water vlieten
+
Door Moyses roede / uuten herden steene
Gods macht / dede Goliaths macht te nieten
+
Door Davidts handen / al was hy cleene
Gods macht heeft met eens Ezels kaken beene
+
Door Sampson duysent Philisteen verslaghen
Oock heeft de selve / door gods macht alleene
De Poorten van Gase opten Berch gedragen
+
Gods macht Brocht Sennacheribs heyr in plagen
+
Hondert en vijfentachtentich duysent getelde
So dat si verbrant als asschen lagen
Sonder toedoen van menschen inden velde
Die gods Tempel dreychde te rooven met gewelde
Wert van zijn eygen sonen vermoort daer naer
Gods macht valt alle machtige te swaer.
[p. 34]
Gods macht versterct Judith haer gevende moet
+
Dat se Holofernem zijn hooft af sneet
Gods macht liet Sisaria versmooren in sijn bloet
+
Door de hant van Joel wien lief oft leet
Gods macht dede Abimelech die Sichem bestreet
Door eens wijfs hant de doot besueren
+
Wat helpt den Cananiten al waren si wreet
Haer ijseren wagens en hooge mueren
Sy en dorsten hen tegen gods macht niet rueren
Nabuchodonosor wilt sijn de meeste
+
En mocht oock voor Gods macht niet dueren
Maer hy liep seven jaer gelijck een beeste
Etende hoy als een os inden foreeste
Al had hy door zijn macht veel rijcken beseten
Sgelijcx Heliodorus moedich van geeste
+
Die den Tempel te rooven / hem hadde vermeten
Proevende de geesselen / heeft hy geweten
Gods macht ende die oock beleden claer
Gods macht valt alle machtige te swaer.
Antiochus waende wel Gods macht bespotten
+
Den Tempel vernielen met zijnder partijen
Maer Gods macht dede soo zijn vleesch verrotten
Dat hy zijn selfs stanck niet en const gelijen
Oft ooc zijn heyr / dat hem volchde besijen
Al beleet hy gods macht / hy en wert niet verlaten
Herodes moeste daer toe oock gedijen
+
Dat de wormen levende zijn vleesch op aten
Manasses kende gods macht tzijnder baten
+
Daer hy inden kercker lach beswaert met last
Baltazar dranck uut den heyligen vaten
Doen hy met zijnen hoeren / sat en braste
Maer gods machtige hant / so na hem taste
Dat hy verschrickte met al zijnen vromen
Tgeschrifte bewees zijn distructie vaste
Dat de Persen en Meden snachs zijn gecomen
+
Ende hebben hem zijn lijf ende rijck benomen
Dit merckende doet my segghen eenpaer
Gods macht valt alle machtige te swaer.
[p. 35]
Alexander waende noch den hemel bestormen
+
Doen hy de werelt had ghewonnen met machte
Maer eer lange soo wert hy spijse der wormen
God werp hem daer neder / doen hijt minst dachte
Aithimus groote moort in Israel wrachte
+
Metter gicht seer geslaghen en sterk onversien
+
Julianus apostaet die goede verachte
Wert subijtelijck vermoort / men wiste van wien
Andronicus en const oock Gods macht niet ontvlien
+
Die Oniam den priester doode binnen trouwen
Nicanor proefde oock Gods macht mits dien
+
Hooft arm metten schoudere
n
/ wert hem af gehouwen
Voor den tempel ghehangen / in elcx aenschouwen
Sijn tonge / daer hy tegen God met hadde ghesproke
n
Den voghelen gegeven voor mans en vrouwen
Jasons boosheyt en liet God niet onghewroken
+
Gods macht heeft Menelaum den hals ghebroken
In dasschen versmoort als schender van Gods altaer
+
Gods macht valt alle machtige te swaer.
PRINCE
Gods macht sal in doordeel blincken alderstrangste
+
Als de menschen voor hem sullen werden versaempt
+
Dan sullen de machtighe beven van angste
Die haer macht niet gebruyct en hebben soot betae
m
pt
Hoe sullen donsalighe / daer staen bescaempt
+
Voor de gheene diese nu plucken en trecken
Al werden zy hier machtighe Princen ghenaempt
+
Sy en moghen hen dan voor Gods macht niet decken
Want gods macht sal alle doode verwecken
+
Tmoet al zijnder stemmen zijn onderdaen
Sijn macht en sal alleen niet int lichaem strecken
Maer over ziele en lijf / naer Christus vermaen
+
Gods macht sal alle sondaers / doen gaen
+
Int eewich vier / sonder uutnemen der persoonen
Niemant en sal zijn macht connen wederstaen
+
Maer sal elcken naer zijn eyghen wercken loonen
Daer en helpen wapen diademen croonen
+
Edelheyt van gheboorten / oock niet een haer
+
Gods macht valt alle machtighe te swaer.
+
Ester 13. c
+
Rom. 13. a
+
Dani. 4. g
+
Dani. 4 c
+
Isaie. 14 c
+
Luc. 10. c
+
Gene. 3.
+
Gene. 7.
+
Gen. 6 a
+
Gene. 10.
+
Gene. 11.
+
Acto. 9. a
+
Gene. 19.
+
Exod. 3.
+
Exod. 11
+
Exo. 14.
+
Exo. 14.
+
Exo. 15.
+
Exo. 14.
+
Exo. 19.
+
Exo. 16.
+
Exo. 17.
+
Nu. 16.
+
Josue. 6
+
Judi. 7.
+
Nu. 21. b
+
1. Reg. 17
+
Jud. 15 d
+
Jud. 16 a
+
4 Reg. 19 g.
+
Jud. 12.
+
Judi. 4.
+
Judi. 9.
+
Dani. 4.
+
2 Ma. 3 c.
+
2 Mac. 9.
+
Act. 13.
+
Phi. 33.
+
Dani. 5
+
1. Macha. 1 a
+
1 Mach 7.
+
1 Mach 9.
+
2. Mac. 4.
+
2. Macha. 15.f.
+
2 Mach 5
+
2 Mac 13.
+
Mat. 25.
+
Sap. 6.
+
Sapie
n
t. 5.
+
Luc. 22.
+
1. Cor. 15.
+
Mat. 10. c
+
Mat. 25.
+
Mat. 16 d
+
Esa. 11.
+
Math .3.