[p. 40]
Daendincken der doot nae Hyeronimus vermaen
Doet alle quade wellusten vergaen.
Refreyn.
O Ongenadighe doot bloetghierige beeste
Ghy vernielet al dat leven heeft ontfaen
Hoe rijck / hoe schoone / hoe subtijl van geeste
Niemant en mach uwen schicgte ontgaen.
Ghelijck ons Ecclesiastes doet verstaen.
De wijse sterven ghelijck de sotten
+
Therte verschrict / hoorende Jobs vermaen
Gelijck vuyl etter / sal myn vleesch verrotten
Int graf / als een cleet wert gheten vanden motten
+
Eerde werden soo alst es van eerden ghemaect
Veel brooscher dan glas / oft scherven van potten
+
Es de mensch die alle uren ter doet ghenaect
Wy gaen alte niete Thecuts spraect
+
Ghelijck wateren die inder eerden sincken
Ick seg peysende / hoe zuer / dees not wert ghecraect
O doot hoe bitter es u ghedincken.
+
Wat mocht Sardanapalo / zijn wellust baten
Wat helpt eere / rijcdom oft hooverdye
Als de doot compt moetment hier al laten
Wat halp Aristoteli zijn philosophije
+
Waer is Alexanders macht en heerschappije
Dien alle de Weerelt / was te cleene
Moest sterven / en als een stinckende prije
In een graf van acht voeten / rusten alleene
O doot ghy zijt alle menschen ghemeene
Een quale / daer niemant af en geneest
Want wy sien / hier isser lutter oft gheene
+
Die over hondert jaer / hier hebben gheweest
En die hier nu zijn / ay lacen wat eest?
Sullen oock eer hondert jaer in deerde stincken
Dus seg ick noch soemen in scriftuere leest
O doot hoe bitter es u ghedincken.
[p. 41]
Wat bate Salomon / al zijn glorie
+
Wat holpen Mathusalem / zijn lange jaren
+
Waer is nu Julius Cesars / victorie
Die veel coningen dwanck met zijnder scharen
Waer zijn de machtighe / die voor ons waren
+
Die op de beesten / der eersen / reden
Dlichaem doot / de siele / ter hellen ghevaren
En ander zijn opghestaen / in haer steden
Waer is Absalon / die schoone / overleden
+
Waer is Sampson / Hercules / groot van crachte
Haer graven werden / met voeten getrede
n
Sy ligghen in deerde / als dongheachte
Waer is Priamus / en zijn edel gheslachte
Wiens glorie / men in Troyen sach blincken
Waer is tGriecse heyr / dat Troyen tonderbrachte
O doot / hoe bitter is u ghedincken.
Ons daghen vergaen ghelijck eenen roock
+
En ons leven / en is niet / dan eenen wint
Wy gaen oppe / als een bloeme / en verdwijne
n
so ooc
+
Wanneer dat de doot / compt / diet al verslint
Soo gheringe als ter werelt / compt een kint
Vindet hem met Adams / misdaet belast
+
Sterflijck / want God elcken te sterven verbint
+
Om dat Adam de vrucht heeft ane getast
+
De mensche compt ter werelt / als een vremt gast
Hy begint te sterven / als hy wert geboren
Ghelijck dwebbe eens Wevers / als dlichaem wast
+
Werden zijn dagen vast af gheschoren
Den boom des levens / hebbe
n
wy verloren
Diveersche ghebreken / doen dlichaem crincken
+
Dus moeten wy sterven / ons ouders zijn voren
O doot hoe bitter / is u ghedincken.
[p. 42]
Ons leven is cort / met lijden vervult
+
Door diveersche herten schiet de doot haer stralen
En sterven / is ons natuerlijcke schult
+
Die elck metten lijve sal moeten betalen
De doot sal comen / ten mach niet falen
+
Onseker / wanneer / hoe oft in wat manieren
Wy loopen ter doot / dachlijcx corten ons palen
Ghelijck totter zee / loopen / alle rivieren
Het lichaem dat wy nu schoone vercieren
En seer behaechlijck / is int aensien
Dat salmen bestorven ter eerden bestieren
Diet beminden sullender dan af vlien
En wat der armer zielen / sal gheschien
Is onseker noyt suerder sop om drincken
Elck mach wel seggen / want het blijct uut dien
O doot hoe bitter / is u gedincken.
Gheen mensche soo sieck / soo arm / soo snoode
Hy en vreest de doot / en dat natuerlijck
Want van beminden dinghen scheytmen noode
Siele en lijf minnen malcanderen bruerlijck
En hierom scheyden zy oock seer suerlijc
Want Christus hem selve / vander doot verveerde
+
Sweetende water en bloet / uut anxste beruerlijck
+
Van vreesen der doot die hy nochtans begeerde
Gheen capiteyn hoe vroom / soo rasch / te sweerde
Peysende om de doot / hem scroemter teghen
Weer wy te voete gaen / oft rijden te peerde
De doot vervolcht ons / op alle weghen
Sy is onverwinnelijck victorieus vol seghen
Met geender wapenen / en machmense crincken
Dit doet my seggen / naer mijn oudt pleghen
O doot / hoe bitter is u ghedincken.
[p. 43]
De doot es den ouders / inde duere
En de Jongers belacht zy over bergen en dal
+
Niemant soe jonck / soe schoone in zijnen fleure
Die weet oft hy morghen leven sal
Wy moeten al vallen der natueren val
Snelder dan een looper / vergaen ons daghen
+
Dat wy niet en weten / es tvreesselijcste van al
In wat manieren / ons de doot sal craghen
Want de doot / die leyt ons dusent lagen
Door oude door siecte / en door accidenten
Deen verdrinct / da
n
der valt / de derde wert verslage
n
Deen sterft onversien dander met veel tormenten
Dus haelt de doot / alle jare haer renten
Vander werelt / niet achtende / wiens vruecht mach mincken
Wanneer wy dit in ons herte prenten
O doot / hoe bitter es u ghedincken.
Prince.
Wy weten wel dat wy moeten sterven
Waer af zoe willen wy ons dan vermeten
Stanc vuylnis / en wormen / sullen wy erven
+
En de wormen sullen ons vleesch op eeten
Al tghene dat wy hier hebben beseten
+
Blijft hier / wy moetender naect uut scheyen
+
En ons eerste herberghe / wy niet en weeten
+
Wy en moghen gheen vrienden met ons leyen
Wy moeten ons selven / te reysen bereyen
Wy en mogen gheen boden voor ons senden
De doot en sal oock niet lange beyen
Ghelijck een scheme sal ons leven enden
Wy zijn ter werelt comen / met allenden
Wy moeten den wech gaen soo Jobs snare
n
clincke
n
Daer wy niet weder doore / en moghen wenden
O doot / hoe bitter es u ghedencken.
+
Eccl. 1. c
+
Job 13. d
+
Gen. 3. d
+
2 Reg. 14 c
+
Eccl. 41. a
+
Psal. 48
+
Eccl. 18. a
+
3 Re. 10. a
+
Gen. 5. c.
+
Bar. 3 b
+
2 Re. 14. f
+
Ps. 101. a
+
Job. 14 a
+
Job. 4 a
+
Ps. 50. a
+
Gen / 3. a.
+
Esa. 38 c
+
Ps. 89 c
+
Job. 14 a
+
Ro. 5. b.
+
Mar. 13. d
+
Mat. 20 d
+
Luc. 22 d
+
Eccl. 9. c
+
Job 9. c
+
Eccl. 10. b
+
Job. 17. b
+
1. Tim. 6
+
Job 1. d.