[p. 44]
[Refereyn.]
Al waren al de pijnen op een gesmeet
Die de tyrannen oyt consten gheramen
Die de martelaers / hebben ghedoodt en ontcleedt
Nochtans en waren al dees tormenten tsamen
Niet by de pijne / die de verdoemde lichamen
Metter zielen / eewelijck sullen moeten lijen
Door gods rechtveerdicheyt naer tbetamen
In thelsche vier door tsondich werck vol blamen
Daerin zy hem nu teghen God verblijen
O sondige menschen / slaet toch by tijen
+
Op dees groote pijne / u oogen inwendelijck
Peynst dat ziele ende lijf sal moeten ghedijen
En wilt ghy u niet van sonden mijen
Te branden int helsche vier ellendichlijck
+
Soe lange als God es eewich vriendelijck
Inden helschen kercker gesloten crijne
Peynst die in sonden voort gaet soo blendelijck
Gheen pijne en ghelijct by de helsche pijne.
O eewige onlijdelijcke tormenten
Der zielen des lichaems wie sal u uutspreken
Man cans niet ghescrijven oft nagheprenten
Hoe swaerlic / he
m
God sal over de sondaers wreken
Tvier dat in mijnen tooren es ontsteecken
+
Sal bernen seyt God totten weersten der hellen
De ghepijnde / en sullen nemmermeer ghebreken
En de pijnders altijts vol nijts gebleken
En sullen niet vermoyt werden int quellen
Maer sullen Gods vonnis te wercke stellen
Och de pijne es daer soo onghemeten
Dat vanden minsten es datme
n
hier mach vertellen
Want de boose sullen soo schriftueren spellen
Van grooter smerten / haer tongen eten
+
Sijnde in deewige duysterheyt gheseten
+
Sullen zy droncken werden / vanden wijne
+
Der toornicheyt Gods / dus moet elck weten
Gheen pijne en ghelijct by die helsche pijne.
[p. 45]
Deeuwicheyt der pijnen / doot seer grootelijck
De verdoemde menschen / van anxste beven
Want zij sonder hope weten blootelijck
Dat zij eewich zijn uut Gods rijcke verdreve
n
En als si dan dencken / om deeuwich leven
Hoe Gods vrienden daer in glorien blincken
Dat vermeerdert haer droefheyt / zeer boven screve
n
Die der eewiger pijnen / wert ghegheven
Vint daer dat hy hier niet en can overdincken
Inden afgront der droefheyt / sullen zy sincken
Daer de
n
doot eewelijck sal verrijsen
Met water der gallen / sal icse drincken
+
Diet ter slincker hant sullen / als bocken stincken
+
Seyt God en ick salse met Alsenen spijsen
+
De wrake der sondaren elck machs afgrijsen
Is vier en wormen / vaet dees doctrijne
+
Dus seg ick en salt noch bat bewijsen
Gheen pijne en gelijct by de Helsche pijne.
Dan moghen de sondaers / spreken met onluste
Wee ons onsalige / God heeft ons ghedaen
Droefheyt op ons droefheyt wy en vinde
n
gee
n
ruste
Want ay lacen zy moeten naer Jobs vermaen
Vande
n
wateren des sneeus / in grooter hitten gaen
+
Eewelijck branden / sonder verbranden
De anxsten der hellen / sullense om vaen
+
Die doot salse slaen / nochtans niet verslaen
Daer sal zijn screyen der ooge
n
/ en knersen der tande
n
+
Onlesschelijcken brant / in voeten in handen
+
En si sullen God mits grootheit / haerder plagen
Va
n
der wee / haerder seericheyt / spreke
n
/ veel schande
n
+
Eenpaerlijck metten helschen vianden
God vermaledijen / tot eewighen daghen
Den dach haerder gheboorten / deerlijck beclaghen
+
Dus seg ick noch / en blijf by dmijne
Al vintmen veel pijnen / swaer om verdraghen
Gheen pijne ghelijckt by die helsche pijne.
[p. 46]
Solpher / pec / salpeeter / oft zwevele
En mach soo eysschelijcken vier niet maken
Als tvier der hellen / maer dmeeste evele
Is dat ziele ende lijf / beyde sal raken
Al dat pijn by brengt / sal daer ghenaken
En alle genuchte sal van daer vluchten
Sy sullen bitterheyt gevoelen int smaken
Pijne int ghesichte / siende de helsche draken
Stanc inde nuese / en vreesselijcke luchten
Roepen den stemmen / en deerlijck suchten
Oock sullen die vianden als beeren en stieren
Als leeuwen wolven / ten zijn gheen cluchten.
Het hooren quellen met vervaerlijcke gheruchten
Briesschen / loeyen / grimmen en tieren
Dus wert de boose ghequelt in alle manieren
En sal eewelijck blijven in desen schijne
Dus wat pijne men ter werelt mach versieren
Gheen pijne en ghelijckt by die helsche pijne.
Wanneer sy den ancxst / op hen sien comen
Sullen zy vrede soecken / daer en sal gheen wesen
Want alle hope / is van hen ghenomen
Daer en is gheen verlossinge / soo wy lesen
Dan sullen de sondaers om haer sonden mispresen
Met grooten berouwe roepen en crijten
Maer God sal elcken / antwoorden / van desen
Wat roept ghy om u droefheyt / onghenesen
Blijft u wee / och mocht herte splijten
Den onsterflicken worm / sal altijt bijten
Dats haer boose sondighe conscientie
Haer penitentie / en mach dan niet profijten
+
Tcleet der maledictien / sonder verslijten
+
Is hen aenghebonden / door Gods sententie
Om metten duyvel te hebben residentie
Maer boven al des ick van vreesen verdwijne
Eest pijnlijck het derven / van Gods presentie
Gheen pijne en gelijct / by de helsche pijne
[p. 47]
Int landt van Egypten / wilt hier na luysteren
+
Was donckerheyt soo groot / datmense mocht tasten
+
Maer duysterste duysterheyt / niet om verduystere
n
Es veel meerder / voor de helsche gasten
Tvier dat donsalighe sal belasten
En sal by lancheyt des tijts niet swichten
Maer even scherp pijnen donsalige basten
Die in haer leven op God niet en pasten
Haer aensichten zijn als verbrande aensichten
De helsche vlamme / en salse oock niet lichten
Dan om te siene / datse mach bedroeven
Dan sal de heere zijn rechtveerdige schichten
Schieten op de verdoemde / boose wichten
Die altijt mistroostich / troost / sullen behoeven
Oock sal de helsche weert / zijn gasten toeven
Tzy geestelijck / weerlijc / Monic oft bagijne
Met solpher en peck / wee hen diet proeven
Gheen pijne en gelijckt by die helsche pijne.
PRINCE.
De helsche pijne gaet alle pijne te boven
Tes eenen Moortcuyl vervult van alle quaden
Daer de verdoemde als in eenen oven
+
Sijn gestoten sonder troost / heel tenden rade
Want van boven en compt hen gheen ghenade
Hen compt oock gheen hulpe van hier beneden
Watmen voor hen bidt / ten doet hen gheen stade
En al hebben zy berou / tes dan te spade
Den tijt der penitentien es geleden
Wat sal ic meer seggen / vander helscher steden
Tes een plaetse daermen eewich god moet derven
Daer de sondighe mensche / als doode leden
Vanden lichaem Christi / af gesneden
Eewige onsalicheyt sullen erven
Daerse haer scult betalen / en niet af en kerven
Want sonder vrucht / blijft altijt haer disciplijne
Sy moeten eewelijck leven / en altoos sterven
Gheen pijne en gelijct by de helsche pijne.
+
Apoc. 17. 18 19. 20
+
Apoc. 14 c
+
Deut. 32 e
+
Apoc. 16 b
+
Eph. 25.
+
Apo. 10. d
+
Jere. 8. e.
+
Deut. 32 d
+
Jere. 9. d
+
Isai. 66. g
+
Job 24. d
+
Psal. 17. a.
+
Mat. 13. f
+
Mar. 9. g
+
Apo. 16. b
+
Jere. 20. d
+
Sap. 5 a
+
Psalm. 108. c.
+
Exo. 10. a
+
Mat. 22 b
+
Mat. 13. g