[p. 57]
Refereyn.
HEt opperste goet / vol alder gerusticheyt
Daer elck mensch / natuerlijck toe heeft appetijt
Soect deene in hoocheyt / dander in wellusticheyt
De derde in rijckdom / en tijtlijck profijt
De vierde in genuechte / en eertsch jolijt
In dansen / in springhen / in drincken / in eten
In cierheyt des lichaems / in pompeus habijt
En dese dolen al / in haer vermeten
Vraecht Salomon / die wiste veel secreten
Oft hy versaedt was / in al zijn mogenthede
Neen hy / dit laet hy ons selve weten
Leest Ecclesiasten / tot meniger stede
Oock Julius Cesar / die wonder dede
Doen hy veel lantschappen hadde gewonnen
Hy en was niet gherust / oft Alexander mede
De machtichste doen levende / onder der Sonnen
Doch hijt al had doorloopen / en doorronnen
Een werelt ghewonnen / docht hem te cleene
+
Niet en mach ons versaden / dan God alleene.
Al waert dat eene al den wellust hantierde
+
Die oyt alle menschen hantierden op eerde
Al de weelde / die Sardanapolus versierde
Hoe hijse meer pleechde / hoe hem tderve
n
meer deerde
De verloren sone / die tzijne verteerde
+
In welluste / het staet in Luca gheschreven
Hy begheerde met draf / doen hy broot ontbeerde
Te versaden / en ten wert hem niet gegeven
Die nae haer sinnelijcheyt / in welluste leven
En door vleeschelijcke liefde zijn verblint
Hoort hoe sy suchten / siet hoe si beven
Want therte / hier inne gheen ruste en vint
Tis al ydelheyt / so Ecclesiastes kint
+
Onvrede des herten / groote quellagie
Mindtmen creatueren / oft ismen daer af gemint
Ontrouwe is / int ende de gagie
Dus Wat wy soecken / onder shemels stagie
Ick segghe / en wy proevent al ghemeene
Niet en mach ons versaden / dan God alleene.
[p. 58]
Al hadde een mensche / alle Darius schat
Peerlen / ghesteenten / en gulden vaten
Met alle den rijckdom / die Salomon besat
Nochtans en soude hy niet aflaten
Meer te begheeren / want croonen / ducaten
Moghen wel vollen kisten / en schappraen
Sacken / en Borsen / potten en maten
Maer sy en connen therte niet versaeyen
Wy sient den sulcken in zijn seyl al waeyen
Waer hy de hant aensteeckt / tis al voorspoet
De kisten zijn vol / de schepen wel ghelaeyen
Seylen al voor wint / metter volder vloet
Nochtans is hy ongherust / in zijnen moet
Al heeft hy vele / hy en heeft niet genoech
Hy waecht ziele / en lijf / hy verteert vleesch / en bloet
Om meer te gecrijgen / spaede / en vroech
Dus slepen Adams kinderen den ploech
Sy soecken ruste / en zy en vinden gheene
Niet en mach ons versaden / dan god alleene.
Amoreuse gheesten / fray Goddinnekens
Volcxen die Venus legende studeren
Aen eertsche ghenuchte / legghen haer sinnekens
Dansen en springhen / en triumpheren
Haer lachen / haer singen / en haer boeleren
En blijft altijt in sijnen fleure
Tijtlijck jolijt / moet metter tijt passeren
Daer vruecht int huys is / staet druc voor de duere
Al hadden wy van genuchten / onsen cuere
Sy en can ons niet volcomelijck / vermaken
Als de vruecht cesseert / therte blijft in getruere
Diet proeft gheeft tvonnisse / ghy weet vand
er
saken
Bancketeert / hoveert / vult wel u kaken
Schinckt / drinckt / de
n
wijn / met potte
n
/ met cruycken
Sijt ghy heden versaet en verhuecht door tsmaken
Morghen haeckt ghy naer voetsel met ydel buycken
Wilden wy wel ons verstant gebruycken
Wy hielde
n
ons van eertscher genuchte
n
reene
Niet en mach ons versaden dan God alleene.
[p. 59]
PRINCE.
Doorluchtich Prince / alder Princen heere
In u is dopperste / goet geleghen
+
Eest dat wijt elders soecken / wy dolen seere
Rechte ruste / en wert hier niet vercreghen
Inde werelt sien wy meest dat god is teghen
Cranck is ons natuere / te eer bedrooghen
Kinderen van Adam / tot sonden gheneghen
Alleen begherende dat is voor ooghen
Door rijcdom / door eere / door wellust ghetoghen
Rusten wy op creatueren / broosscher dan riet
Jonste dragende / uut die ons niet helpen moghen
Al wat wy hier jagen / onsen vanck is niet
En den geest wert verleydt / door dat dooge siet
Nochtans trocken wy dit wel te leene
Soe en mach ons niet versaden dan God alleene.
+
August. lib. 1.
+
Confess. c. 1.
+
Luc. 15 d
+
Eccl. 1. a.
+
Joa
n
. 17 a